Geen balans tussen privacy en veiligheid bij nieuwe minister
Privacy is al 15 jaar een ondergeschikt aspect bij wetgeving in Nederland. En in de afgelopen vijf jaar was dat helemaal het geval onder minister Opstelten van het Ministerie van Veiligheid en Justitie (hoe Orweliaans nog steeds).
Met de komst van een nieuwe minister, Ard van der Steur, was het dan ook de vraag of er misschien meer aandacht kan komen voor privacy. Het antwoord kwam snel. Nee!
En dat is zorgwekkend.
De argumentatie is ook nu weer: de wetten zijn belangrijk voor het bestrijden van de criminaliteit en voor uw veiligheid. En uw privacy wordt niet geschonden.
Dat laatste is natuurlijk een gotspe. Immers, op het moment dat je alles opslaat, is de privacy al geschonden. Dat staat los van of er iets mee gebeurt of niet.
En opslaan doen ze. Massaal.
Maar minstens even problematisch aan de verdediging is het gebrek aan feitelijke onderbouwing. Hoeveel beter wordt de misdaad bestreden met alle nieuwe middelen? Hoeveel extra boeven worden er gevangen? In hoeveel rechtszaken gaf het middels datavergaring verkregen bewijs de doorslag? We krijgen het niet te horen. Goede onderzoeken ter onderbouwing van het punt ontbreken. Onderzoeken die kritisch aantonen dat het resultaat ernstig tegenvalt, worden terzijde geschoven.
Dus gaat de overheid rustig door met het verder afbreken van uw privacy. Straks weer onder het mom van fraudebestrijding. Gewoon zoveel mogelijk databases aan elkaar knopen. Ook al beweerden ze eerder bij hoog en laag dat dit niet zou gebeuren. Of misschien alleen bij hoge uitzondering. Het is al regel helaas, en straks ook wet.


