Marc van Oostendorp

217 Artikelen
48 Reacties
Achtergrond: Jay Huang (cc)
Marc van Oostendorp is onderzoeker aan het Meertens Instituut (KNAW). Hij heeft een website, een YouTube-kanaal en een Twitter-account.
Foto: gabriel seisdedos (cc)

De grenzen van fictie

COLUMN - Een schrijver kan een wereld verzinnen waarin draken rondlopen, of waarin de wetten van de zwaartekracht worden getart, of een wereld waarin vrijwel iedereen een verdorven persoon is. Maar een wereld waarin onze moraal niet geldt, dat wordt lastiger, stellen Daniel Altshuler en Emar Maier in een nieuw artikel in het Journal of Semantics.

Neem het volgende verhaaltje:

Jozef was een jongetje dat het leuk vond om katten dood te treiteren. Zijn vader waarschuwde: ‘Doe dat niet meer, of je krijgt straf.’ Maar hij draaide zich nog niet om, of, hup, Jozef had alweer een jong poesje in de brand gestoken. Net goed, rotbeesten.

(Ik heb eerder over dit verhaaltje geschreven toen ik een proefschrift besprak van een van de promovendi van Emar Maier.)

De kwestie zit hem in de laatste zin Net goed. Je kunt er als lezer eigenlijk niet aan dat de schrijver hier een wereld heeft geschapen waarin het inderdaad echt moreel juist is om in het wilde weg katten om het leven te brengen. De natuurwetten kun je kennelijk ombuigen, maar morele wetten niet.

Wat wel kan, en de strategie de de gemiddelde lezer daarom vrijwel gedachteloos doet: dat vreemde oordeel toeschrijven aan een personage. Een moreel verdorven personage bedenken is kennelijk makkelijker dan een moreel andere wereld. De manier waarop je als lezer het oordeel aan een personage toeschrijft kan soms zijn door een zin te duiden als een indirecte rede: je interpreteert dan “Net goed” als een gedachte van Jozef. Het alternatief is dat je aanneemt dat de verteller het verdorven morele oordeel voor zijn rekening neemt. Die verteller heeft zich in de eerdere zinnen weliswaar niet expliciet laten kennen, maar door dat vreemde morele oordeel ga je er toch ineens vanuit dat hij er is.

Foto: miszmag (cc)

Herman Heijermans in Odessa

RECENSIE - Op 16 oktober 1906 verscheen er een opmerkelijk stukje in het Algemeen Handelsblad: de een jaar eerder voor zijn werk als verzekeraar naar Odessa geëmigreerde Jonas Wertheim schreef een recensie van een voorstelling van het toneelstuk Ghetto van Herman Heijermans die hij in zijn geboortestad had gezien.

Er zijn allerlei vragen die zo’n gebeurtenis oproept: hoezo werd er uitgerekend in 1906, een jaar na ernstige pogroms, een stuk over het ghetto uitgevoerd? En dat van een Nederlandse auteur die in eigen land al behoorlijk wat controverse veroorzaakte? Waarom ging die verzekeringsman er eigenlijk naar toe – hoewel van Joodse afkomst deed hij er alles aan om het joodse zoveel mogelijk te verdoezelen? En hoe kwam dat stukje dan in een Nederlandse krant?

Anne-Ruth Wertheim en Rudi Künzel besloten samen een boek te schrijven naar aanleiding van dat stukje. Drie joodse herkomsten noemden ze het boek, omdat het zich concentreert op één dimensie, een heel interessante: de heel verschillende manieren waarop Wertheim, Heijermans en Rafaël, de hoofdpersoon van Ghetto, met hun joodse identiteit omgingen. Samen geven ze een leerzaam inkijkje in hoe ingewikkeld het was om in Oost- of West-Europa aan het begin van de vorige eeuw een Jood te zijn.

Foto: opensource.com (cc)

Ik wil geen reclame op het werk

COLUMN - Aan het begin van de eeuw zag het er allemaal nog goed uit: de Nederlandse samenleving zou voor zijn software niet meer afhankelijk zijn van de grote Amerikaanse technologiebedrijven zoals Microsoft, maar zich binnen een paar jaar wenden tot open source-software – gratis, door iedereen te gebruiken software zonder geheime achterdeurtjes. De overheid en de universiteiten zouden hierbij voorop lopen: geen geld over de balk smijtend, eerlijk, transparant.

Maar moet je nu eens zien. Als medewerker van een Nederlandse universiteit ben ik gisteren een hele dag bezig geweest met mij, verplicht door mijn werkgever, met huid en haar over te leveren aan een Amerikaans bedrijf – jawel, Microsoft. Al mijn correspondentie, al mijn data, alles, heb ik bij hen moeten inleveren. Open source-programma’s die ikzelf heb verzameld werkt niet meer. Ik heb, jawel, gedwongen door mijn werkgever, op mijn eigen telefoon software van Microsoft moeten plaatsen.

Dit alles in het kader van de veiligheid. Want alleen in de armen van het Amerikaanse bedrijfsleven zijn we veilig.

Verbeterd

Open source betekent: de software die de programmeurs schrijven is openbaar. Je kunt hem daarom zelf aanpassen, vaak onder de voorwaarde dat je die aangepaste software ook weer aan het publieke domein vrijgeeft. Het betekent niet dat software-ontwikkelaars geen emplooi meer hebben: die aanpassingen moeten gemaakt worden, mensen willen voor hun vragen nog steeds ergens terecht kunnen. Wel betekent het dat je als software-gebruiker je niet meer met huid en haar hoeft over te leveren aan software van gigantische ondernemen waarbij niemand precies weet wat die software doet.

Foto: JouWatch (cc)

de m/v/x

COLUMN - Vorige week werd ik uit mijn bed gemaild door een bekende woordenboekmaakster over de Van Dale. De kwestie m/v/x, daar moest toch eigenlijk iemand over schrijven! Ludo Permentier had er in januari al iets over gezegd in zijn column voor het INT, maar was dat genoeg?

Ik heb er nu een dag over nagedacht. Het lijkt me inderdaad niet genoeg.

Wat is er aan de hand? Bij persoonsaanduidingen zoals dokter of mentor staat sinds enkele jaren de aanduiding de m/v. Dit betekent: het lidwoord is de, en we beschouwen het woord als mannelijk én vrouwelijk. In de nieuwe, gisteren in Den Haag gepresenteerde, druk komt daar een x bij: dokter de m/v/x. Dat betekent dat je het als een niet-binair woord kunt gebruiken.

Wat voor probleem heeft Permentier hiermee? Dit is zijn uitleg:

Er [is] een verschil tussen een natuurlijk geslacht of gender (mannelijk, vrouwelijk of onbepaald) en een woordgeslacht of genus (de-woord mannelijk en de-woord vrouwelijk, of het-woord). Kort gezegd: geslacht is een kenmerk van mensen en dieren, genus is een kenmerk van woorden.

Dit is iets te eenvoudig gezegd. Een groot deel van de discussie over nonbinariteit gaat er immers vanuit dat je dat ‘natuurlijk’ geslacht in ieder geval voor mensen weer moet opsplitsen in een biologisch geslacht en een sociaal-psychologisch gender. ‘Onbepaald’ is in dat verband ook een wat ongelukkige term, meestal wordt natuurlijk precies hiervoor non-binair of genderneutraal gebruikt.

Foto: Eugenio Hansen, OFS (cc)

‘De grenzen van mijn taal’ betekenen de grenzen van mijn wereld

RECENSIE - Decennialang hebben we het in het Nederlands moeten doen met de vertaling die W.F. Hermans maakte van de Tractatus Logico-Philosophicus van Ludwig Wittgenstein. En nu zijn er ineens twee nieuwe vertalingen verschenen! Onlangs besprak ik de vertaling van Victor Gijsbers, vandaag is de beurt aan die van Peter Huijzer en Jan Sietsma.

De Tractatus bestaat uit een verzameling geordende stellingen of beweringen of tekstfragmentjes. Er is een hoofdordening met 7 stellingen, van “De wereld is alles wat het geval is” tot “Waarvan men niet spreken kan, daarover moet men zwijgen”. Behalve de 7e worden alle stellingen met ook weer genummerde tekstjes becommentarieerd of uitgebreid of toegelicht: Na 1 komen 1.,1 en 1.2, en die kunnen ook weer zelf commentaar krijgen (die dan zonder punt genummerd worden: 1.21).

Stelling 5.6 wordt vaak geciteerd door managers die bijvoorbeeld een talencentrum moeten openen en dan tot hun vreugde in de citatentrommel iets denken te vinden waarin een wijsgeer van naam en faam lijkt te zeggen dat je vooral veel talen moet leren. Meestal wordt hij door die managers verbasterd tot ‘De grenzen van mijn taal zijn de grenzen van mijn wereld’, maar in de vertaling van Huijzer en Sietsma (en trouwens ook die van Hermans) luidt hij:

Foto: Killian77 (cc)

Hans Clevers en de knikkers

Dat allerlei belangrijke academische titels en rollen, dat het grootste materiële succes, geen garantie zijn tegen afschuwelijk cynisme, werd deze week weer bewezen door Hans Clevers: universiteitshoogleraar in Utrecht, voormalig president van de KNAW, en in staat om het wetenschappelijk bedrijf te vergelijken met het verkopen van auto’s.

Tegen de Utrechtse universitaire krant DUB zei hij eerder deze week:

De universiteitshoogleraar benadrukt het belang van wat hij noemt “een outputmeting” van onderzoekers. “Net als een autoverkoper wordt afgerekend op het aantal auto’s dat hij heeft verkocht, moet je onderzoekers ook kunnen afrekenen op de ontdekkingen die zij doen. Dat moet kunnen, vind ik. Dat is waar wetenschap in de kern om draait.”

Ik weet niet of je een autoverkoper echt alleen moet afrekenen op ‘het aantal auto’s dat hij heeft verkocht’. Ik weet wel dat een kind begrijpt dat je ontdekkingen niet kunt tellen. Dat het voor altijd onmogelijk is om een ‘ontdekking’ in de kunstgeschiedenis te vergelijken met één in de biochemie. En dat je ze over het algemeen al helemaal niet kunt toeschrijven aan een enkel geniaal individu. En dat het in de wetenschap om meer gaat dan ‘ontdekkingen’.

Wildwestkapitalisme

Het idee dat je alles moet organiseren volgens een karikaturaal soort wild west-kapitalisme – de wereld één groot gevecht van individuen tegen elkaar – wordt natuurlijk niet zonder slag of stoot verlaten door degenen die groot zijn geworden dankzij dat systeem. Clevers is in Nederland een gezicht van de wetenschap geworden, niet eens omdat er dankzij hem zoveel auto’s verkocht zijn, maar omdat hij erin is geslaagd zoveel verkochte auto’s op zijn eigen naam te schrijven. Wat iets anders is: het ene is een bijdrage aan een collectief, het andere een kwestie van ellebogen en zorg voor zichzelf.

Foto: Marieke Rijneveld (zelfportret), CC BY-SA 4.0 , via Wikimedia Commons.

De boy uit je willen halen

COLUMN - Pronomina in de lyriek

In gebarentalen werkt de wijzende vinger vaak als een persoonlijk voornaamwoord: de gebaarder zet de personen over wie ze praat eerst in de gebarenruimte voor zicht: Marieke staat links, Lucas staat rechts. In de rest van het betoog wijst ze dan naar de plek waar zij geplaatst zijn als ze het over hen wil hebben.

In zekere zin werken pronomina altijd zo: ze verwijzen, maar vooral: ze bepalen samen de ruimte waarin je je het gesprek laat plaatsvinden. Tot een paar jaar geleden goldt dat vooral voor de tweede persoon: je verandert een gesprek als je van u overschakelt naar jullie. De laatste jaren ligt de focus ineens meer op de derde persoon.

En niet iedereen bevalt de ruimte die de spreker definieert. Zo kreeg de dichter Marieke Lucas Rijneveld de afgelopen dagen ineens een storm van kritiek over zich heen toen hij verklaarde dat hij er voortaan de voorkeur aan gaf dat we naar hem verwijzen met hij en hem. Hij reageerde superieur op die kritiek, door in de Volkskrant een tegelijkertijd stoer en breekbaar gedicht te publiceren dat tjokvol veelzeggende pronomina is (de vette letters voor de persoonlijk en bezittelijk voornaamwoorden zijn van mij):

Vrij van beren

Ik ben bijna in alles heldhaftig geweest:
in met de kont tegen de geboortekrib
en waar ik thuiskom, wil ik Lucas heten.
In het dagelijks brood opnieuw tot mij te
nemen – vanuit een graatmager landschap
leerde ik niet bang te zijn voor een
vetter seizoen. Of in het afschudden
van de wolfsmeneer en nooit weer een
prooi acteren, zijn streken uit mij te leven.
In de dood, door hem een verkeerd reisadvies
te geven en niet angstig zijn voor stille
polderwegen. Maar ook in kleine
dingen, zoals het opdoeken van mijn
berenverzameling; ik spaarde ze vooral
in het schemerdonker, of als ik iets
niet dacht te kunnen, zoals een lampje
verwisselen, een band plakken,
mijzelf lijmen na een onhebbelijk oordeel.
Waar ik nooit heldhaftig in ben geweest:
het verdragen van al dat geraas en getier,
van men die het altijd beter weet,
die de boy uit je willen halen en je
ongevraagd naar hun schepping willen
vormen, je wanstaltig noemen.
Nee, niets is moeilijker dan de mens
die de ander het menszijn niet gunt,
die het blad voor de mond plaatst,
terwijl iedereen als ontwerp ter
wereld komt en een eindversie
nooit definitief, nooit compleet is.

Foto: copyright ok. Gecheckt 02-03-2022

Moraal met een accent

ONDERZOEK - Een trein rijdt heel snel op vijf mensen af. De trein heeft een probleem en kan alleen stoppen als er een zwaar object op het spoor wordt gegooid. Jij staat op een brug en er staat een heel dikke man naast je. De enige manier om de trein te stoppen is hem op het spoor te duwen. Hierdoor sterft hij, en red je de vijf mensen. Zou je hem duwen?

De meeste mensen vinden dit een lastig dilemma. Als je alleen maar rekent – een utilitaire moraal, heet dat –, moet je de dikke man naar beneden gooien: een winst van vier personen. Maar het gevoel komt in opstand: die ene dode die je zelf veroorzaakt, voelt lastiger aan dan de vijf doden die als het ware ’toch al’ zouden vallen.

Kameroens accent

Dat was al enige tijd een interessante kwestie voor filosofen om over na te denken, maar op een zeker moment zijn ook taalkundigen deze anekdote gaan inzetten. Zo ontdekten ze dat het uitmaakt in welke taal het dilemma wordt gesteld. Als ze het verhaal in een vreemde taal horen (die ze natuurlijk wel moeten beheersen) zijn mensen eerder geneigd de dikke man te offeren dan wanneer ze het in hun moedertaal horen. Datzelfde geldt, blijkens een artikel in Brain Sciences door Alice Foucart en Susanne Brouwer, voor buitenlandse accenten.

Foto: © Marc van Oostendorp kindertekening huidskleur

Huidskleur

COLUMN - Schokkende dialoog met Nene (8 jaar), inmiddels 2,5 jaar in Nederland. We zijn samen aan het tekenen: een huis met daarin kinderen, haar favoriete onderwerp voor een tekening. Zij vraagt aan mij of ik een viltstift wil aangeven.

– Welke kleur?

– Huidskleur!

Ik geef haar een lichtbruine viltstift.

– Maar dat is geen huidskleur!

– Maar het is de kleur van jouw huid.

Nene heeft zwart haar en donkerbruine ogen, en een kleur die misschien nog iets donkerder is dan de viltstift.

– Nee, huidskleur is roze!

Dit idee krijg ik niet uit haar hoofd. Ja, de kleur van haar huid is lichtbruin en ze lijkt daar niet verdrietig om. Maar huidskleur is roze.

Er blijkt onderzoek over te zijn: in verschillende Europese taalgebieden speelt deze kwestie. Ik herinner me niet dat ik in mijn jeugd bepaalde potloden huidkleurig noemde, maar misschien was in mijn tijd het zo gewoon om roze potloden huidkleurig te noemen dat ik het me daarom niet herinner.

Waar komt het vandaan? De meeste kinderen in haar klas hebben inderdaad eerder een lichtroze teint, net als haar ouders – maar er zijn ook kinderen met juist een donkerder huid. Heeft er iemand iets gezegd? Is dit nu eenmaal de gewone manier om ‘huidkleurige pennen’ te zien op school? Of op de BSO? En: is het nu een slecht ding of niet? Misschien betekent het alleen dat Nene observeert dat ze afwijkt van het gemiddelde, en benoemt ze huid naar dat gemiddelde? Of leer je zo een echt racistische onderstroom kennen in die gemoedelijke klas?

Foto: majunznk (cc)

What is good enough for Jesus

COLUMN - Jaap Dieleman uit Zeewolde blijkt momenteel een van de grootste tijdschriftuitgevers van Nederland: miljoenen exemplaren van zijn tijdschrift worden gratis huis aan huis verspreid. Hij verkondigt er kennelijk een blijde boodschap in, want hij is een evangelist, maar dat is dan wel de blijde boodschap dat het einde der tijden aankomt, en dat het vaccin tegen corona daar een rol in speelt.

Mij was dat allemaal ontgaan, maar een journalist van De Stentor vroeg me eens te kijken naar zijn teksten. Dus bekeek ik het laatste filmpje op zijn site, en trad een wereld in die mij meestal ontgaat. Ik zeg er een paar regels over in het stukje dat de journalist schreef, maar eigenlijk niet het belangrijkste: taalanalyse helpt mij in ieder geval het fenomeen beter te begrijpen.

Conservatief

De titel van het filmpje is Not scared but prepared en aan het begin van zijn filmpje legt Dieleman uit dat dit Engels is en roept zijn kijkers op om zich niet van de wijs te laten brengen door dat Engels, want zo moeilijk is dat niet. Hij richt zich dus tot kijkers die het Engels mogelijk niet goed begrijpen, maar de vraag is dan waarom hij het überhaupt in het Engels doet. Later in het filmpje haalt hij er ineens zelfs de New King James Version bij, en leest een stukje uit de bijbel voor in het Engels.

Foto: Karl Baron (cc)

Wat kan een computer het vermogen om te doen leren?

Er is belangrijk nieuws in een van de heftigste taalkundige discussies van de afgelopen vijftig jaar. We doen even een experiment met het taalmachientje onder je hersenpan. Wat betekent de volgende zin?

  • Wat geloof jij dat de actrice gisteren gekocht heeft?

De vraag is nu: wat is het lijdend voorwerp van gekocht? Dat is als je Nederlands spreekt hopelijk geen ingewikkelde vraag: dat is wat. Het staat weliswaar ver naar voren, maar vraagwoorden plaatsen we nu eenmaal naar voren in de zin. Maar neem nu de volgende zin:

  • Wat deel jij de overtuiging dat de actrice gisteren gekocht heeft?

De zin zou min of meer hetzelfde moeten betekenen als de vorige – de zinnen ‘ik geloof dat de actrice dit gekocht heeft’ en ‘ik deel de overtuiging dat de actrice dit gekocht heeft’ zijn parallel aan elkaar, en er wordt op parallelle manier een vraag van gemaakt– maar dat doet hij niet. Hij betekent niks.

De reden daarvoor, ontdekten taalkundigen meer dan vijftig jaar geleden is dat ‘jouw overtuiging dat…’ een zelfstandignaamwoordgroep is, en ‘geloof jij dat..’ een werkwoordgroep. Om de een of andere reden kan er geen relatie bestaan tussen een werkwoord en zijn lijdend voorwerp als dat werkwoord ingebed is in een zelfstandignaamwoordgroep en het lijdend voorwerp niet.

Foto: cc Unknown author, Public domain, via Wikimedia Commons Vlaanderen aan de Vlamingen

Vlamingen passen zich aan

Mijn favoriete taalkundige experiment is dit: je laat een aantal mensen een woordenlijst voorlezen: bloem, kraan, drietjes, enzovoort. Je kunt ook aan de akoestiek van wat die mensen zeggen met de computer heel gemakkelijk en heel precies aflezen waar in de mond mensen de klinkers zeggen: dat vertoont per definitie variatie, want geen mens spreekt precies hetzelfde als enig ander mens. Vervolgens laat je die mensen luisteren naar de andere opnamen, en dan nog een keer de lijst voorlezen. De tweede keer blijkt iedereen dan in de uitspraak net wat dichter bij het gemiddelde te liggen. De variatie is afgenomen, en dat geldt niet alleen als je de tweede ronde meteen na het afluisteren doet, maar ook als je er wat tijd tussen legt.

Ieder gesprek beïnvloedt, al is het maar onbewust, onze uitspraak.

Flexibeler

Die beïnvloeding is echter niet symmetrisch. Dat laat een groep Tilburgse en Antwerpse onderzoekers zien in een nieuw artikel (gratis) in het tijdschrift Frontiers in Communication. De onderzoekers lieten studenten uit Tilburg en Antwerpen een soort Zeeslagje doen waarbij ze elkaar over en weer instructies moesten geven. Gemeten werd in hoeverre in de loop van zo’n gesprek de deelnemers taalelementen van elkaar overnamen. Wat bleek: de beïnvloeding ging vrijwel geheel van de Nederlanders op de Vlamingen, nauwelijks andersom.

Volgende