Marc van Oostendorp

198 Artikelen
48 Reacties
Achtergrond: Jay Huang (cc)
Marc van Oostendorp is onderzoeker aan het Meertens Instituut (KNAW). Hij heeft een website, een YouTube-kanaal en een Twitter-account.
Foto: SEGHIZZI (cc)

Rilke als dode leraar

RECENSIE - Ik lees graag boeken van lezers, en het liefst van al lees ik boeken van lezers die heel anders lezen dan ik. Jan Oegema is zo iemand, zijn manier van lezen is zo ongeveer tegenovergesteld aan die van mij: op zoek naar wijsheid, naar mystiek, naar het onzegbare, Dat zijn allemaal dingen waarnaar ik zelf soms vergeet te zoeken en die ik dus niet zie in zo’n tekst. Daarvoor is het dan prettig om door iemand als Oegema bij de hand te worden genomen: kijk, dáár is ook nog eens te zien.

Hij schrijft dan ook nog eens meestal over schrijvers die ik ook bewonder, die iedereen bewondert. Zijn nieuwste boek gaat bijvoorbeeld over Rainer Maria Rilke, vermoedelijk de dichter met de grootste invloed op de twintigste-eeuwse Nederlandse literatuur: zeer uiteenlopende dichters als Martinus Nijhoff, Lucebert en Stefan Hertmans ondergingen zijn invloed, een studie over die invloed zou een dik boek zijn. Maar Oegema wijst dus op iets heel anders: zijn boek gaat vooral over ‘de kunstenaar als leraar’ zoals de ondertitel zegt, hoewel het minstens evenzeer gaat over Rilke als leerling van andere kunstenaars zoals Auguste Rodin en Lou Andreas-Salomé.

Onvervangbaar

De relatie tussen leerling en leraar, gezel en meester, wordt volgens Oegema in onze tijd en onze hoek van de wereld onderschat. We zijn goeroes en andere autoriteiten zozeer gaan wantrouwen dat we ze helemaal geen plaats meer bieden: bang voor misbruik, bang om de autonomie te verliezen. Terwijl iemand als Rilke liet zien hoe je iemand mateloos kon bewonderen en tegelijkertijd aan je eigenheid kon werken. Hij illustreert dat in een wervelend betoog, vol citaten van de meester, de meeste in zeer goede Nederlandse vertaling.

Foto: Boekomslag Doe het toch maar - Babs Gons © Uitgeverij Atlas.

we hebben al genoeg van jullie

ANALYSE - In de debuutbundel doe het toch maar van spoken-wordartieste Babs Gons staat een gedicht dat gaat over jullie. Het is een beetje lang om helemaal te citeren, het gedicht beslaat twee pagina’s, maar hier zijn vier representatieve strofes van ‘zou je woensdag zwart willen zijn?’

hallo

wij willen je uitnodigen
op ons podium als vrouw
zou je woensdag zwart willen zijn bij ons programma
wij hebben een voorstelling en zoeken mensen zoals
jij
jullie
bij onze show
op ons platform
in ons tijdschrift
bij ons debat

iets minder vrouwelijk graag vanavond
en we boeken je graag zaterdag
donker mag
maar niet té
liever wat lichter
wat dichterbij
gewoon, normaal

(…)

we slaan je even over
we hebben namelijk al iemand
zoals jij
we hebben al genoeg
van jullie
dank je wel
misschien een andere keer

(…)

Je kunt het lezen als een geslaagde citeren: er worden zinnen gebruikt die volkomen bizar zijn en waarvan je tegelijkertijd moet vrezen dat ze echt worden gezegd – een satire op een cultureel leven waarin iedereen zich bewust is van het belang van diversiteit en tegelijkertijd niemand er echt mee wordt omgegaan, en waarin je dus als zwarte vrouw bij iedere uitnodiging je moet afvragen of je nu als jezelf wordt gevraagd, of als een onderdeel van jullie.

Want jullie is een verraderlijk voornaamwoord, het is informeel (het is geen u) en tegelijkertijd is het bijna per definitie afstandelijk. De spreker benoemt een groep, maar rekent zichzelf niet tot die groep. In sommige gevallen staat het zelfs expliciet tegenover wij dat juist betekent ‘ik en enkele anderen’ met in sommige gevallen de implicatie ‘dus jij niet’.

Foto: restroom (bewerkt) via Pixabay

Weg met hij, leve zij

COLUMN - In de discussie over persoonlijk voornaamwoorden zijn er twee partijen: de een vindt dat alles bij het oude moet blijven, er zijn twee persoonlijk voornaamwoorden voor de derde persoon enkelvoud, hij en zij en dat moet altijd zo blijven. De andere groep vindt dat de verzameling voornaamwoorden moet worden uitgebreid met bijvoorbeeld hen of die, om niet-binaire mensen mee aan te duiden. De afgelopen weken kon je verschillende mensen in de media horen hannesen omdat de media-persoonlijkheid Raven van Dorst zich had geout als non-binair, en mensen nu dus over hen moesten spreken.

Maar dat schiet allemaal natuurlijk niet op. Ik snap eigenlijk niet waarom er geen mensen zijn die pleiten voor niet drie persoonlijk voornaamwoorden, niet twee, maar slechts één. Een aantal progressieve media heeft de afgelopen tijd aangekondigd het aantal pronomina uit te breiden, terwijl het veel meer voor de hand zou liggen de verzameling juist in te krimpen.

Verplicht

Het is een van de absurditeiten van de Nederlandse taal dat je als je over iemand praat voortdurend het geslacht van die persoon moet noemen. Je hebt het over Anne de Vries, en omdat je in je tekst niet voortdurend Anne of De Vries wil zeggen, grijp je af en toe terug op een voornaamwoord. Maar waarom moet dat dan altijd hij of zij zijn? In welke context je het ook over Anne hebt – eigenaar van een doodgereden hond, winnaar van een puzzelwedstrijd, pleger van een terroristische aanslag –, altijd moet je als spreker weten wat Annes gender is. Ieder ander aspect van iemands identiteit – waar die is geboren, hoe oud die is, of die op mannen of vrouwen valt – kun je onbenoemd laten als je het niet relevant acht, maar geslacht moet.

Foto: Tjitske Jansen, Deventer, 3 augustus 2013. Emelha, CC BY-SA 3.0 via Wikimedia Commons

Een experiment met Tjitske Jansen

COLUMN - Helemaal aan het begin van haar nieuwe bundel Iedereen moet ergens zijn vertelt Tjitske Jansen dat ze in 2014 haar eigen Wikipedia-pagina heeft aangepast: “Omdat ik wel wat interessantere zaken wist te melden / dan dat ik in pleeggezinnen had gewoond / als serveerster, administratief medewerker / marktkoopvrouw en kokshulp had gewerkt’ (enz.)

Het blijkt echt gebeurd te zijn. Wikipedia bewaart alle wijzigingen en pogingen tot wijzigingen en op 16 juli 2014 heeft “Nvd.Ven” geprobeerd precies de wijzigingen aan te brengen die Jansen in haar bundel opsomt. Die zijn verwijderd vanwege ‘kletsen’, daarna heeft “Nvd.Ven” het op dezelfde dag nogmaals geprobeerd, en dat is weer geweigerd.

Wat Jansen in haar gedicht niet vertelt is dat ze ook de eerste regel van haar biografie wilde veranderen. In plaats van “dichteres en schrijfster van theaterteksten” wilde ze ervan maken “een schrijfster die in haar teksten poëzie, proza en theater combineert”. Terwijl het hele experiment met Wikipedia daar natuurlijk een voorbeeld van was. Ze wilde van haar biografietje in Wikipedia een gedicht maken, terwijl de redacteur van dienst zulks als ‘kletsen’ beschouwde:

Haar lievelingshorloge (een Pontiac Sympatico met groene wijzerplaat) raakte ze ooit kwijt in Praag.
Ze liet hem liggen in de sauna. Sindsdien draagt zij geen horloge meer.
In een schrijfworkshop over geheimen, die ze aan kinderen gaf, schreef een jongen van 9
”Mijn geheim is overal waar ik ben
”En het is altijd”

Waarom is deze informatie minder geschikt voor een encyclopedie dan een opsomming van baantjes die iemand heeft gehad? De tekst die Jansen ooit had willen verwijderen staat er nog steeds vrijwel ongewijzigd, van de Pontiac Sympatico is nergens een spoor te vinden.

Foto: Eric Heupel (cc)

Kwetsende bijvoeglijk naamwoorden

COLUMN - Omslag brochure Waarden voor een nieuwe taal

Een van de eigenaardige aspecten van de taalzuiveringsvoorstellen in de brochure Waarden voor een nieuwe taal is de grote aandacht die erin wordt besteed aan het verschil tussen zelfstandig en bijvoeglijk naamwoorden, zonder dat de schrijver de moeite heeft genomen uit te zoeken hoe die termen op school ook weer werden uitgelegd.

De ondertitel van de brochure is Een veilige, inclusieve en toegankelijke taal voor iedereen in de kunst- en cultuursector. Hij is dan ook een goed, helder en uitgewerkt voorbeeld van wat mensen die voor ‘veiligheid’ en ‘inclusiviteit’ staan willen van de taal. Voor de duidelijkheid: dat streven roept bij mij niet meteen weerstand op. Ik wil best wit zeggen in plaats van blank, al ben ik ook weer niet geneigd om er bij anderen op aan te dringen om datzelfde te doen.

Maar het gehannes met die naamwoorden is verbazingwekkend. Kun je je als je over taal schrijft niet een klein beetje verdiepen? Laten we zeggen op het niveau waarop de stof in de basisschool wordt uitgelegd.

De brochure is niet de enige die een obsessie heeft voor de naamwoorden. De auteur verwijst naar een artikel dat vol vuur betoogt dat gehandicapte geen zelfstandig maar een bijvoeglijk naamwoord is, en dat je dus niet moet zeggen dat iemand een gehandicapte is, maar dat die gehandicapt is, of een gehandicapte persoon, zoals hij ook aansluit bij de vraag om niet te spreken over slaven maar de (genominaliseerde) vorm tot slaaf gemaakten te gebruiken. In dat artikel klopt het terminologisch dan nog.

Foto: Chris Devers (cc)

Kan de computer wetenschappelijke artikelen beoordelen?

COLUMN - Het aantal wetenschappelijke publicaties groeit volgens sommige beweringen – op hun beurt ook weer vervat in wetenschappelijke publicaties – exponentieel, en een wetenschappelijke lockdown is nog lang niet in zicht. Toch is het eigenlijk niet duidelijk of zo’n enorme groei de wetenschap nu vooruit helpt of juist remt. De vele vaccins binnen korte tijd hebben we ongetwijfeld te danken aan deze wetenschappelijke ijver – praktische oplossingen kunnen zo snel worden gegenereerd – maar het is de vraag of in deze brij van gelijkvormige detailstudies uiteindelijk nog wel echt diepere inzichten naar boven kunnen komen.

Een tamelijk bizarre gedeeltelijke oplossing is voorgesteld in een recent artikel – ook weer een wetenschappelijke publicatie – van drie Amerikaanse onderzoekers. Zij stellen voor om artikelen voor publicatie voortaan te laten beoordelen door computers. Op die manier worden onderzoekers van een zeer tijdrovende en vrijwel onzichtbare taak ontlast: het uitgebreid doornemen van de artikelen van hun collega’s op foutjes.

Primitieve taal

De onderzoekers zijn vrij kritisch over hun eigen resultaten. Het computersysteem dat ze hebben gebouwd beweert bijvoorbeeld nogal veel onzin (‘it generates non-factual statements’ noemen ze dat zelf eufemistisch) in de leesverslagen die het opstelt. We zijn er dus nog niet zeggen ze, al kan het systeem dat ze gebouwd hebben proeflezers wel helpen met een ruwe versie van hun rapport, bijvoorbeeld om een samenvatting te maken.

Foto: Fresh On The Net (cc)

Een nuttig werkwoord: zeeleeuwen

COLUMN - Nieuw woord geleerd: zeeleeuwen. Althans, in het Nederlands is het nog niet zo gangbaar in de nieuwe betekenis (al kun je het wel vinden) maar in het Engels wordt het in sommige kringen op de sociale media vrijelijk gebruikt: sealioning.

Het is een verschijnsel dat zich geloof ik ook vooral op die sociale media voordoet. Je beweert iets, liefst iets dat betrekkelijk oncontroversieel hoort te zijn, laten we zeggen “Baudet liegt dat hij zijn tweet ter ondersteuning van Trump niet tijdens maar voor de bezetting van het Capitool heeft geplaatst.” Vervolgens komt er een onbekende, liefst anonieme Twitteraar, die heel vriendelijk vraagt of je dat kunt ‘onderbouwen’. Je laat hem een screenshot zien van de tweet, met de datum en tijd.

Eindeloos veel tijd

Dan vraagt die persoon ook weer heel vriendelijk of je kunt aantonen dat die screenshot inderdaad echt is en niet vervalst? Hij of zij suggereert dat ze heel graag nieuwe dingen wil leren, en natuurlijk altijd bereid is zijn of haar mening te wijzigen, maar dan wel op basis van bewijs. Je zegt dat deze of gene de afbeelding heeft geverifieerd. Maar wat zijn dan precies de credentials van deze of gene?

Dat is sealioning. Je vraagt voortdurend op een heel vriendelijke en constructieve manier door naar steeds meer onderbouwing. Maar omdat we leven in een wereld waarin zekerheid alleen te verkrijgen is in de wiskunde, kan dat spel eindeloos doorgaan. Op het moment dat jij afhaakt, kan de zeeleeuw tevreden constateren dat het kennelijk toch allemaal niet zo zeker is. Word je boos, dan ben jij onbeleefd. Ga je wel eindeloos door, dan verlies je ook eindeloos veel tijd.

Foto: Eric Heupel (cc)

Provoceren zonder te brallen

COLUMN - Iedere week sturen neerlandici een boek aan Mark Rutte, met een begeleidende brief die uitlegt waarom hij dat boek moet lezen. Deze week een bijdrage van Marc van Oostendorp die het project eerder in deze brief toelichtte.

Geachte heer Rutte,

Dertig jaar geleden heb ik u nooit ontmoet, maar in onze oren galmt soms vast hetzelfde Leidse studentengebral nog na. Ik vermoed dat u niet hebt meegebrald, of in ieder geval niet zo vaak, u was geen lid van het corps, maar wel van de JOVD, en die twee overlapten elkaar. Ik had was geen van beiden lid, maar verzeilde telkens weer in kringen van corpsleden en JOVD’ers, omdat die indertijd nog gezellig waren.

Wanneer ze een paar biertjes op hadden, begonnen de provocaties.


Wim Kok was een communist. Een Brabantse huisgenoot, die ijverig meedronk, had een zachte g en dat verklaarde waarom hij gezakt was voor een tentamen. De broek die ik aanhad was fout, alles wat ik aanhad was trouwens fout, ik was een foute man, misschien wel een homo. De volgende dag stond zo’n jongen dan bij mij op de stoep omdat hij dichter wilde worden en hij wist dat ik gedichten las – of ik eens wilde kijken of het iets was? Of hij kookte een enorme pan erwtensoep voor het hele huis.

Foto: Eric Heupel (cc)

Zijn neus, gelijk de regenboog, Is bont en krom en zelden droog

RECENSIE - © Walburg Pers Boekomslag Lachen om Levie van Ewoud Sanders

Ah, de negentiende eeuw: tijd waarin we
bij wijze van kinderfeestje nog onbekommerd konden lachen om joodjes met kromme neuzen. Want dat was toen onze cultuur – een cultuur van duizenden jaren. Toen men nog niet zo politiek correct was om zich wat aan te trekken van de medelanders die huiliehuilie deden omdat ze geen gevoel voor humor hadden!

De historicus en journalist Ewoud Sanders is sinds een aantal jaar met een interessant project bezig: de talloze populaire boeken en boekjes op te diepen uit het Nederlandse verleden waarin Joden een rol spelen. Door al die teksten systematisch te beschrijven en vergelijken krijg je een idee van hoe het beeld van dé buitenstaander bij uitstek in de Nederlandse cultuur zich ontwikkelde.

Hij schreef eerder een proefschrift over het zogeheten bekeringsverhalen en heeft op Neerlandistiek een langlopende serie over ‘jeugdverhalen over Joden‘. Deze week verschijnt van hem een nieuw boek, Lachen om Levie, over een klein subgenre in deze populaire literatuur, die van humoristisch bedoelde, in een (namaak-)Joods Nederlands geschreven, verhalen van een Joodse soldaat Levie Zadok in de Krim-oorlog.

Saillant is dat het eerste Zadok-verhaal geschreven is door Jan Schenkman, die óók de eerste auteur was die Sinterklaas een zwarte knecht gaf. Schenkman was een zeer succesvol broodschrijver, die het idee voor zowel de grappige ‘jiddisje’ stijl als voor het verhaal bij elkaar had gejat, maar er zulk groot succes mee boekte dat het genre nog tot in de jaren dertig van de twintigste eeuw bleef voortbestaan.

Foto: Eric Heupel (cc)

Het probleem van de moedertaalspreker

De Amsterdamse politicoloog Dawid Walentek deed gisteren op Twitter een schokkende mededeling: Radio 1 had hem willen spreken om zijn deskundigheid, maar hem uiteindelijk afgebeld om zijn accent. Dat zou “te veel afleiden van de inhoud”.

Schokkend, maar niet nieuw. De Nederlandse publieke omroep straalt sowieso een groot verlangen uit naar uniformiteit. Iedereen moet liefst klinken alsof hij of zij 43 is, en geboren in Amersfoort. De rest leidt maar af van “de inhoud”.

Het blijft ook niet beperkt tot de radio. Nederlanders beschouwen het Nederlands als hun eigendom, als iets waar anderen vanaf moeten blijven. Met die anderen praten wij wel Engels, laten ze met hun tengels van ons idioom afblijven.

Stomverbaasd

De Britse neerlandicus Christopher Joby geeft er saillante voorbeelden van in een artikel dat onlangs verscheen in Internationale Neerlandistiek. Joby is een van de beste sprekers van het Nederlands die ik ken, iemand die de taal door en door kent, van binnen en van buiten – zowel het hedendaagse Nederlands als het zeventiende eeuws. Het zou me niet verbazen als hij moeiteloos met Constantijn Huygens zou kunnen converseren zonder dat die merkte dat er iets vreemds aan de hand was.

Foto: Eric Heupel (cc)

Terug naar de grottekening

Thomas Mann - De Toverberg

Je mag van mij van alles en nog wat ter discussie stellen, maar niet de waarde van het lezen. Wie zegt dat ‘de jeugd nu eenmaal is opgegroeid met het internet’ en dat het dus heel begrijpelijk is dat ‘ze’ niet meer lezen, of dat ‘we er maar aan moeten wennen dat hetgeen wij als belangrijk beschouwen’ tegenwoordig ‘nu eenmaal niet meer zo belangrijk is’, of dat ‘we duizenden jaren geleden ook niet met boeken met elkaar communiceerden, maar met grottekeningen’, zo iemand drijft me tot razernij.

De barbaren!

Ik was onlangs op een Teams-bijeenkomst over de toekomst van het lezen waar sommigen onbekommerd zulke dingen beweerden. Of hardop vroegen wat nu het unique selling point was van het boek, waarom het allemaal niet ook in YouTube-filmpjes kon. Veel handleidingen konden toch ook tegenwoordig de prullenbak in omdat video’s het allemaal zo veel helderder uitlegden? Als kinderen nu niet wilden lezen waarom moesten we ze dat dan opdringen, was dat niet vreselijk elitair van ons?

Het is niet waar. Het is zo evident niet waar dat ik niet eens wist hoe te reageren.

Het probleem was, geloof ik, dat deze mensen twee soorten lezen erkenden: het lezen van technische informatie, en het lezen ‘voor de lol’. Die technische informatie kan dus misschien soms – als het eenvoudige, korte informatie is – ook op een andere manier worden overgedragen dan in geschrifte. Voor de lol hebben we tegenwoordig naast De Zauberberg ook Netflix, dat is zo ongeveer de redenering.

Foto: Steve Jurvetson (cc)

Geletterd programmeren

COLUMN - Tijd voor een Gerrit Krol-Academie!

Een van de vaardigheden die we momenteel waarschijnlijk nog te weinig benutten bij taalstudenten: in een recent onderzoek blijken ze betere programmeurs. Het is een beetje vroeg om heel stellige conclusies te trekken – het is een best klein onderzoek en de effecten zijn nu ook weer niet zo groot – maar het lijkt erop dat mensen die goed zijn in het leren van (natuurlijke) talen, ook goed zijn in het leren om zich uit te drukken in een programmeertaal.

Goed kunnen rekenen bleek veel minder belangrijk. Er is trouwens ook wel (veel) ouder onderzoek dat hetzelfde laat zien.

Het is vermoedelijk een beroepsperspectief dat we onze studenten nu te veel onthouden. Ik weet eigenlijk niet of er programma’s Nederlands zijn die hun studenten de mogelijkheid geven te leren programmeren.

Technologisch doel

Programmeren is, volgens mij, ook en vooral een genoegen, en wel op ongeveer de manier waarop een heleboel schrijven leuk is: een manier van ideeën heel precies uitdrukken én een manier om met woorden de wereld letterlijk een beetje te veranderen.

Ik weet wel dat er de afgelopen decennia allerlei opleidingen zijn geweest die taalwetenschap en informatica met elkaar combineerden – ik heb zelf zo’n opleiding gedaan, in Tilburg. Voor een deel bestaat het ook nog wel – vaak in de vorm van kunstmatige intelligentie geloof ik, al heb ik er niet veel zicht op. Dat zijn heel goede opleidingen, ik heb nooit spijt gehad van de mijne, maar ze is natuurlijk per definitie gericht op een technologisch doel – het bouwen van een apparaat dat met taal kan omgaan.

Volgende