een gastbijdrage van Mihai Martoiu Ticu
Nazi-vergelijkingen met twee maten
Vorige week beschuldigde voormalig parlementariër Wim Kortenoeven de ChristenUnie en het CDA van antisemitisme. Kortenoeven, die tegenwoordig in een Israëlische nederzetting woont en zich tot het orthodoxe jodendom heeft bekeerd, richtte zich in het Reformatorisch Dagblad op twee partijen die een boycot van producten uit Israëlische nederzettingen steunen. Hij haalde daarbij zelfs de Duitse leus 'Kauft nicht bei Juden' aan, bekend van de landelijke boycot van Joodse winkels, artsen en advocaten die de NSDAP op 1 april 1933 organiseerde.
Thierry Baudet werd voor de rechter gesleept toen hij de coronamaatregelen met de Holocaust vergeleek en Francesca Albanese (VM Speciaal Rapporteur voor de mensenrechten in de Palestijnse gebieden) werd op verzoek van het CIDI uit de Tweede Kamer geweerd toen ze Tweede Wereldoorlog-analogieën maakte, omdat die de Holocaust zouden bagatelliseren. Dus blijkbaar mag Kortenoeven, directeur van het Netherlands-Israel Public Affairs Committee (NIPAC), een lobbyorganisatie ten behoeve van Israël (een Nederlandse variant van het Amerikaanse AIPAC), de Holocaust wél bagatelliseren, want hij doet het voor een goed doel.
Een paar dagen eerder werd ook Frans Timmermans van antisemitisme beschuldigd omdat hij rechts en extreemrechts in Israël met de nazi’s vergeleek. Trouwens, de vergelijking van Timmermans was een legitieme deductieve analogie.
Deze week kwam daar nog een voorbeeld bij. Eddo Verdoner betoogde in de Volkskrant dat een cartoon van Peter de Wit over de bezetting antisemitische beeldtaal zou gebruiken.
Mijn voorstel is om de definitie van antisemitisme te versimpelen: “Alle uitspraken over het Israëlisch-Palestijnse conflict zijn antisemitisch, behalve de uitspraak: ‘Israël heeft altijd gelijk.’”
Antony Lerman en de herdefiniëring van antisemitisme
Een uitvoerige analyse van de steeds ruimer wordende definitie van antisemitisme staat in Whatever Happened to Antisemitism? Redefinition and the Myth of the ‘Collective Jew’ van de Britse onderzoeker Antony Lerman. Hij schrijft niet alleen als academicus, maar ook vanuit tientallen jaren ervaring binnen organisaties die antisemitisme onderzochten. Hij werkte bij het Institute of Jewish Affairs, later werd hij directeur van die organisatie en van haar opvolger, het Institute for Jewish Policy Research. Hij zette ook de Antisemitism World Report op, een jaarlijks landenrapport over antisemitisme.
In die zin is Lerman ook een klokkenluider in zijn eigen vakgebied. Hij beschrijft in zijn boek conflicten binnen de organisaties waarvoor hij werkte en druk van andere instellingen. Toen hij in 1985 kritiek uitte op de neiging Arabische oppositie tegen Israël als antisemitisch te behandelen, leidde dat tot oproepen hem te ontslaan. Later verzette zijn instituut zich tegen samenwerking met een door de Mossad gefinancierd onderzoeksproject, omdat het twijfelde aan de onafhankelijkheid daarvan.
Van Jodenhaat naar ‘nieuw antisemitisme’
Lermans hoofdonderwerp is de verandering van het begrip antisemitisme sinds de jaren zeventig. Klassiek antisemitisme heeft volgens hem betrekking op vijandigheid tegen Joden als Joden: bijvoorbeeld samenzweringstheorieën over Joodse macht, bloedlaster, Holocaustontkenning en racistische karikaturen. Hij bestrijdt niet dat zulke vormen van antisemitisme nog steeds bestaan.
Daarnaast ontstond volgens Lerman geleidelijk het concept van het ‘nieuwe antisemitisme’. Daarin kwam de houding tegenover Israël en het zionisme steeds centraler te staan. De gedachte is dat Israël tegenwoordig de rol vervult van de ‘collectieve Jood onder de naties’: zoals Joden vroeger werden uitgesloten, gedemoniseerd en bedreigd, zou Israël nu als staat worden uitgesloten, gedemoniseerd en bedreigd. Boycots van Israël, anti-zionisme en bepaalde vormen van kritiek op de staat konden vanuit die gedachte als hedendaagse verschijningsvormen van antisemitisme worden beschouwd.
Lerman reconstrueert hoe deze benadering zich vanaf de jaren zeventig ontwikkelde. De verhouding tussen anti-zionisme en antisemitisme werd steeds intensiever besproken, maar lange tijd bestond daarover geen overeenstemming. Zo werd binnen Joodse en Israëlische instellingen enerzijds betoogd dat het ontkennen van Joodse nationale zelfbeschikking antisemitisch kon zijn, terwijl anderzijds werd erkend dat oppositie tegen Israëlisch beleid of ideologische kritiek op het zionisme dat niet noodzakelijk was.
Volgens Lerman kwam rond de eeuwwisseling een omslag. De tweede intifada, de Durban-conferentie en een groeiende politieke aandacht voor anti-Israëlische uitingen versterkten de opvatting dat anti-zionisme en antisemitisme nauw met elkaar verbonden waren. Onderzoeksinstellingen, Joodse organisaties en Israëlische overheidsorganen gingen zich steeds nadrukkelijker met dit ‘nieuwe antisemitisme’ bezighouden.
De ‘collectieve Jood’
Het theoretische middelpunt van Lermans boek is zijn kritiek op het beeld van Israël als ‘collectieve Jood’. Volgens hem worden daarin twee verschillende categorieën met elkaar verbonden: een bevolkingsgroep en een staat.
Een individu kan vanwege zijn Joodse afkomst of religie worden gehaat of gediscrimineerd. Een staat is daarentegen een politieke instelling die kan worden beoordeeld op haar wetgeving, grenzen, ideologie, militaire optreden en beleid. Daarom volgt volgens Lerman uit vijandigheid tegenover Israël of het zionisme niet zonder meer vijandigheid tegenover Joden.
Hij trekt daaruit niet de conclusie dat anti-Israëlische uitingen nooit antisemitisch kunnen zijn. Dat kunnen ze volgens hem wel degelijk zijn, bijvoorbeeld wanneer klassieke stereotypen over Joodse macht of samenzweringen worden gebruikt of wanneer Joden als groep verantwoordelijk worden gesteld voor het optreden van Israël. Zijn bezwaar richt zich tegen een automatische gelijkstelling: de concrete inhoud en context moeten bepalen of een uiting antisemitisch is.
Van EUMC naar IHRA
Een belangrijk deel van het boek gaat over de institutionalisering van deze nieuwe benadering. In 2005 publiceerde het European Union Monitoring Centre on Racism and Xenophobia een ‘working definition’ van antisemitisme. Die tekst was volgens het EUMC onderdeel van een lopend proces en had geen juridische status. De definitie kwam niet uitsluitend van academische onderzoekers tot stand; Lerman beschrijft hoe vertegenwoordigers van verschillende organisaties bij de ontwikkeling ervan betrokken waren.
In 2016 nam de International Holocaust Remembrance Alliance een aangepaste versie van die definitie over. Voor Lerman is vooral van belang dat veel van de bijbehorende voorbeelden betrekking hebben op Israël. Daardoor werd een ontwikkeling die eerder vooral in politieke en academische discussies plaatsvond volgens hem steeds sterker onderdeel van het beleid van regeringen, universiteiten, politieke partijen en andere instellingen.
Lerman ziet daarin de institutionele verankering van een bredere definitie van antisemitisme, waarin niet alleen vijandigheid tegen Joden, maar ook bepaalde vormen van anti-zionisme en Israëlkritiek een plaats krijgen.
Het risico van begripsvervaging
Lermans belangrijkste bezwaar is uiteindelijk conceptueel. Wanneer zeer uiteenlopende verschijnselen onder hetzelfde begrip worden gebracht, wordt het volgens hem moeilijker onderscheid te maken tussen klassieke Jodenhaat en politieke conflicten over Israël en Palestina.
Daarom verzet hij zich tegen de eenvoudige formule dat anti-zionisme gelijkstaat aan antisemitisme. De twee kunnen volgens hem overlappen, maar zijn niet identiek. Of een uitspraak over Israël antisemitisch is, moet worden vastgesteld aan de hand van wat er daadwerkelijk wordt gezegd, welke stereotypen worden gebruikt en tegen wie de vijandigheid is gericht.
Dat heeft volgens Lerman ook praktische gevolgen. Wanneer BDS, kritiek op de bezetting, discussies over een éénstaatoplossing of beschuldigingen van mensenrechtenschendingen al snel onder verdenking van antisemitisme komen te staan, kan het begrip mede gaan bepalen welke politieke standpunten nog als legitiem worden behandeld. Tegelijkertijd waarschuwt hij dat een te ruim begrip het moeilijker kan maken om antisemitisme in zijn klassieke vormen precies te herkennen en te bestrijden. Hij koppelt zijn kritiek daarom juist aan de wens het begrip analytisch scherp te houden.
Te onthouden
Antisemitisme is een vorm van racisme. Racisme is het gedrag waarbij iemand ongerechtvaardigde voordelen nastreeft, of anderen onterechte nadelen toebrengt, gebaseerd op veronderstelde biologische kenmerken. De juridische definitie omvat ook ‘rassendiscriminatie’ (discriminatie op afkomst of nationale of etnische afstamming). U moet echter onthouden dat de kern van discriminatie is dat iemand schade lijdt, of iets wordt ontnomen (of onthouden) waar hij of zij recht op heeft.
Om CDA, ChristenUnie, Frans Timmermans en de Volkskrant van antisemitisme te kunnen beschuldigen, moet men dus eerst aantonen dat zij de Joden schade toebrengen.
Over de auteur:
Dit artikel verscheen eerder bij Thrasymachus. Mihai Martoiu Ticu is afgestudeerd filosoof en heeft een master Internationaal Recht (Universiteit Utrecht). Hij schrijft op zijn persoonlijke website over politiek, filosofie, argumentatie en mensenrechten. Tevens plaats hij artikelen op zijn weblog Thrasymachus.