Montesquieu Instituut

108 Artikelen
Achtergrond: Jay Huang (cc)
Foto: Verkiezingsbord 2021

Versplintering en verharding

COLUMN - van Prof.Dr. J.Th.J. (Joop) van den Berg

Sinds het verval van de oude volkspartijen van christendemocraten en sociaaldemocraten, overal in West-Europa, hebben zich twee nieuwe verschijnselen daarvoor in de plaats gemeld: versplintering en verharding in de politieke arena.

Over versplintering hebben collega Bert van den Braak en ik het in deze rubriek al vaker gehad. 1) Daar zitten voor- en nadelen aan, hebben wij steeds betoogd. Kiezers willen kennelijk precies zijn in hun voorkeuren en daar worden partijen niet groter van. Dat kan je compenseren door met verwante partijen meer samen te werken, hetzij in de regerende coalitie, hetzij in de oppositie. Iets minder angst voor minderheidskabinetten zou ook helpen. Wij maakten overigens wel het onderscheid tussen Tweede en Eerste Kamer enerzijds en provinciale en gemeentelijke volksvertegenwoordigingen anderzijds. Op het lokale vlak zagen wij per saldo meer schade dan voordeel.

Achteraf bekeken zat dat onderscheid primair in de mate van versplintering: in de lokale democratie reikte die al een aantal jaren veel verder dan in de nationale verhoudingen. Het lijkt er nu veel op dat de lokale democratie door de nationale wordt ingehaald. In totaal nemen er zeventien fracties zitting in de Tweede Kamer; de Eerste Kamer heeft er intussen (door tussentijdse breuken) al vijftien. Progressieve fracties tellen nog steeds op tot 63 zetels, maar daar zijn nu wel zeven partijen voor nodig. Acht fracties hebben vijf of minder zetels, waarvan drie het moeten doen met één zetel. Weliswaar noemen wij nu de VVD een grote partij, maar met nog geen kwart van de stemmen is het de vraag of je wel van ‘groot’ mag spreken.

Foto: Minister-president Rutte (cc)

De fictie van de strijd om het Torentje

COLUMN - van dhr. Daniel Boomsma

Ook deze Tweede Kamerverkiezingen was het weer raak: politici die zich als ‘kandidaat-premier’ presenteren in de ‘strijd om het Torentje’. Onbevangen de peilingen negerend meldden zelfs lijsttrekkers van kleine partijen zich bij het loket van de minister-president. Het begon met Joop den Uyl die met zijn PvdA in 1977 campagne voerde met de slogan ‘Kies de minister-president’. In 1986 deed Ruud Lubbers iets vergelijkbaars met zijn inzet ‘Laat Lubbers zijn karwei afmaken’. In 2010 zou de ‘titanenstrijd’ tussen Job Cohen en Mark Rutte plaatsvinden. Twee jaar later werden eerst Rutte en SP-leider Emile Roemer, en daarna Rutte en PvdA-voorman Diederik Samsom opgelijnd voor het ‘hoogste ambt’. In 2017 ging het ‘premiersdebat’ van RTL Nieuws tussen Rutte en Wilders alleen niet door, omdat de redactie ook Jesse Klaver voor dat debat wilde uitnodigen.

Maar de realiteit is dat de Nederlandse kiezer de minister-president niet kiest. Het premierschap is volkomen ‘vrijblijvende ambitie’, zoals politicoloog Tom van der Meer al eens zei, en komt neer op kortzichtig ‘Amerika’tje spelen’. De kiezer kan zetels verdelen over partijen, maar heeft feitelijk niets te zeggen over wie de uitvoerende macht gaan vormen. Daarom is de ingesleten praktijk van partijleiders die doen alsof dat wél zo is schadelijk. De kiezer krijgt het idee dat er inderdaad gekozen wordt voor een kandidaat met een programma voor Nederland dat na de verkiezingen wordt uitgevoerd. Dat is een fictie. De werkelijkheid is dat de pretentie van een duidelijke politieke keuze voor stemmers, direct na de verkiezingsuitslag wordt losgelaten. De werkelijkheid is dat dan de onzichtbare rituele dans begint en een compromis in elkaar wordt geknutseld dat niemand had voorzien. Als klap op de vuurpijl eindigen ‘premierskandidaten’ die zich als ‘alternatieven’ hebben gepresenteerd vaak samen in een kabinet. Dat zal ook na aanstaande woensdag vast en zeker weer gebeuren.

Foto: © eigen foto Sargasso Briefstemmen

Briefstemmen bij de Tweede Kamerverkiezingen: te weinig en te laat

COLUMN - van Aalt Willem Heringa & Edgar Hoedemaker

Kunnen de Tweede Kamerverkiezingen op 15, 16 en 17 maart wel doorgaan onder de huidige corona-omstandigheden? Recentelijk vroegen burgemeesters aandacht voor deze vraag. Wat ons betreft is de regering veel te laat begonnen met het treffen van coronamaatregelen voor die verkiezingen. Vooral het punt van het briefstemmen springt eruit. Dat is nu slechts mogelijk voor mensen van 70 jaar en ouder, maar zou voor alle kiesgerechtigden toegankelijk moeten zijn. We zitten met verschillende virusmutaties, een avondklok die net is verlengd tot 2 maart 2021, de straat opgaan wordt ontmoedigd, winkels zijn gesloten, bezoek is beperkt tot één persoon, en dan beperken we het briefstemmen? Voorop moet toch staan DAT de verkiezingen veilig en tijdig kunnen doorgaan en dat kiezers vooral niet worden afgeschrikt om te gaan stemmen? Nu al gaat, volgens een peiling van Maurice de Hond, 10% van de kiezers niet naar de stembus vanwege corona. Iedereen moet de kans krijgen zijn stem uit te brengen, verkiezingen zijn er belangrijk genoeg voor.

Natuurlijk zijn er coronaveilige voorzieningen getroffen (al was dat wel erg laat met een speciale wet die pas in december 2020 door het parlement ging): zo wordt het mogelijk gemaakt om met drie (in plaats van twee) volmachten te stemmen, gelden anderhalve metermaatregelen in de stemlokalen, is er een mondkapjesplicht, en is het in een aantal stembureaus al mogelijk om op 15 en 16 maart te stemmen. De sluitsteen van deze maatregelen is het briefstemmen voor 70-plussers. De Tweede en Eerste Kamer hebben dat onderdeel van het wetsvoorstel niet gecorrigeerd, terwijl de democratische participatie van kwetsbare groepen jonger dan 70 jaar hierdoor zwaar onder druk staat. In een eerdere column voor het Montesquieu Instituut stelden wij dit probleem al aan de kaak. Dat is niet alleen leeftijdsdiscriminatie (nu eens ten nadele van mensen jonger dan 70), maar het kan ook leiden tot een lagere opkomst, of bij een grote opkomst juist tot wachtrijen of toch meer reisbewegingen. Onderscheid bij kiesrechtfaciliteiten is ernstig.

Foto: -JvL- (cc)

Maak briefstemmen niet alleen voor 70-Plussers mogelijk

COLUMN - van Aalt Willem Heringa & Edgar Hoedemaker

Stembureaus op maandag, dinsdag en woensdag open met daarnaast de mogelijkheid voor kiesgerechtigden van 70 jaar en ouder om per brief te stemmen. Het lijken perfecte oplossingen in tijden van corona om zowel te zorgen voor een goede opkomst bij de aanstaande Kamerverkiezingen, als om solidair te zijn met de kwetsbaren in de samenleving. De voorstellen van het kabinet gaan echter niet ver genoeg: het is krenterig om briefstemmen alleen voor 70-Plussers mogelijk te maken. Bovendien past deze keuze niet in het uitgangspunt om te allen tijde de uitoefening van het kiesrecht te faciliteren voor alle kiezers, ook in een periode van pandemie.

Voor het mogelijk maken van briefstemmen voor iedereen zijn verschillende argumenten. Ten eerste is de kwetsbare groep in de samenleving niet beperkt tot alleen 70-plussers. De regering stelt in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat kiezers tussen de 18 en 70 met een kwetsbare gezondheid al extra ruimte krijgen om te stemmen door de voorgestelde opening van stemlokalen in de twee dagen voorafgaand aan de verkiezingen. Inderdaad, maar de crux is juist voor deze groep dat zo’n stembureau mogelijk niet naast de deur ligt of dat men toch te bevreesd is om de deur uit te gaan. Voor hen geldt het devies ‘blijf zoveel mogelijk thuis’ nog sterker dan voor andere groepen in de samenleving. Dat is niet tot alleen 70-Plussers beperkt, maar geldt ook voor chronisch zieken, mensen met een handicap, mensen die zorgen voor en wonen met kwetsbaren, en vele anderen.

Foto: DennisM2 (cc)

Verkiezingen in Corona-tijd: nog veel huiswerk voor de spoedwet

COLUMN - van Prof.Mr. Aalt Willem Heringa.

Afgelopen maanden hebben we gezien hoe her en der in de wereld verkiezingen geraakt zijn door het Corona-virus. Verkiezingen zijn uitgesteld en later weer ingehaald en gehouden, maar dan wel met tal van veiligheidsmaatregelen. En inderdaad is het nuttig en cruciaal om na te denken over hoe verkiezingen in Corona-tijd te houden en daarvoor de nodige voorzieningen te treffen. Uitgangspunt is dat het veel beter is om verkiezingen te houden dan deze te moeten uitstellen. Tenslotte is democratie onlosmakelijk verbonden met regelmatige verkiezingen en wisselingen van de wacht. Maar dan hebben staten wel de plicht om die veilig en toegankelijk en met alle waarborgen te organiseren, en dat betekent in Corona-tijden mogelijk iets anders dan in het oude normaal.

Even nog over uitstel: afgelopen half jaar werden her en der verkiezingen juridisch of feitelijk uitgesteld omdat men overvallen was door Corona. Soms bevatten grondwetten een voorziening daarvoor. Hoe dan ook lijkt mij dat als er daartoe binnen de wettelijke mogelijkheden ooit toe zou moeten worden besloten, dat niet gebeurt met gewone (regerings)meerderheid, maar dat afgesproken wordt dat zulks alleen gebeurt met een brede overeenstemming zodat voorkomen wordt dat uitstel gezien wordt als middel voor de regering of meerderheid om zich een voordeeltje te verschaffen of wat langer aan de macht te kunnen blijven.

Foto: Ritzo ten Cate (cc)

Zweepslag die niet meer raakt

COLUMN - Zo’n kleine 35 jaar geleden sprak prof. André Donner over de ministeriële verantwoordelijkheid als over ‘een zweepslag voor de ambtelijke dienst’ 1). Het gebruik daarvan door de Tweede Kamer kon een minister helpen in zijn ministerie orde te houden. Al was het maar, omdat ambtenaren hun minister niet graag voor gek zien staan. Verlies van vertrouwen in de minister komt pijnlijk als een zweepslag aan bij de ambtelijke ondersteuners, alsof zij delen in dit verlies aan vertrouwen.

Er zijn momenten, constateert ook de Afdeling advisering van de Raad van State (verder: de Raad) in haar ‘Ongevraagd advies’ over de ministeriële verantwoordelijkheid, dat de zweepslag ofwel niet meer wordt gevoeld of niet echt meer helpt. Er zijn gevallen waarin de ene na de andere staatssecretaris moet aftreden omdat zijn winkel niet op orde is, maar dan blijkt de opvolger evenzeer te falen.

Al heel lang is de bewindspersoon die de leiding krijgt over de Belastingdienst een ambtsdrager die blij mag zijn als hij of zij het einde van de kabinetsperiode haalt. Gezellig is het nooit en dat is al jaren zo. Dat was al het geval voordat de ellende met de kinderopvangtoeslag was uitgebroken. Mannen als Jan-Kees de Jager en Eric Wiebes waren dolblij dat zij er het leven bij hadden gehouden; dat was Frans Weekers en Menno Snel niet gegund. Er blijken zo veel problemen met organisatie, ICT en al te ingewikkelde regelingen dat je met zweepslagen aan de gang kan blijven.

Foto: European Council (cc)

Wel consequent, maar ook behulpzaam…?

COLUMN - van Prof.Dr. Joop van den Berg

In de komende maanden zal worden beslist over het economische hulpprogramma van de Europese Unie aan haar lidstaten, in de hoop dat de Unie als geheel de coronacrisis zal doorstaan. De Europese Commissie heeft er een ambitieus programma van gemaakt: een herstelprogramma voor vooral Zuid-Europa; de begroting van de Unie voor de eerstkomende vijf jaren en tevens integratie van de European Green Deal in het herstel- en begrotingsprogramma.

Het totaal daartoe in te zetten bedrag begroot de Commissie op 750 miljard euro, waarvan 500 miljard in de vorm van subsidies. De overige 250 miljard zijn beschikbaar in de vorm van leningen. De Commissie leent daartoe zelf de benodigde middelen en zij zorgt voor financiering door middel van de (verhoogde) contributie van de lidstaten en de heffing van Europese belastingen, vooral bij de zeer grote ondernemingen en bij de technologische bedrijven.

Grondslag voor het ingenieuze Commissievoorstel is een plan dat was ingediend door de regeringen van Frankrijk en Duitsland. Pijnlijk detail voor Nederland: bij de vormgeving daarvan volgde de Duitse regering een aantal Franse ideeën (Europese belastingen en leningen, uitkering voornamelijk via subsidies) en distantieerde zich derhalve van het tot voor kort veronderstelde bondgenootschap met de ‘frugal four’, Nederland, Denemarken, Zweden en Oostenrijk.

Foto: nyghtowl (cc)

Een tijdelijke wet coronamaatregelen, is dat een goed idee?

ANALYSE - van dhr. Jan-Peter Loof.

Sinds 1 mei weten we dat het kabinet bezig is met de voorbereiding van ‘tijdelijke wetgeving maatregelen COVID-19’, zoals het officieel heet. Is dat een goed idee? Als rechtgeaard jurist zeg je dan natuurlijk: ‘dat hangt er van af’. En in dit geval is dat denk ik ook precies het juiste antwoord.

Er is in de afgelopen weken door diverse staatsrechtjuristen en mensenrechtenexperts betoogd dat een aantal van de vrijheidsbeperkende maatregelen die de overheid heeft uitgevaardigd om de verspreiding van het virus in te dammen een steviger wettelijke basis behoeft. Na wat inleidende beschietingen door RUG-hoogleraar Jan Brouwer in het Dagblad van het Noorden, volgde een iets verder uitgewerkte opinie van dezelfde Brouwer, samen met Adriaan Wierenga (RUG) en Jon Schilder (VU) in het Nederlands Juristenblad: ‘Aanpak coronacrisis niet houdbaar’.

Manon Julicher en Stefan Philipsen (beiden UU) betoogden op de website ‘Nederland rechtsstaat’ dat de aanpak niet getuigde van een volwassen rechtsstaat. En zelfs in de buitenlandse constitutionele media – het Duitse Verfassungsblog (onmisbaar voor de constitutionele liefhebbers) – werden, dit keer door de hoogleraren Antoine Buyse (UU) en Roel de Lange (EUR) grondrechtelijke gaten geschoten in de juridische constructies waarop de Nederlandse coronamaatregelen leunen: ‘the Dutch authorities take a quasi-legal, quasi-rhetorical approach to shape their intelligent lockdown and try to tame the pandemic beast, with questionable constitutional practices as a result’. Ook het College voor de Rechten van de Mens kwam, in zijn webdossier ‘Coronavirus en mensenrechten’, tot de conclusie dat de wettelijke basis van sommige maatregelen steviger moet.

Foto: Schermafbeelding videostream Tweede Kamer stemmingen moties 18 maart 2020

Waarom een quorum: Kamerleden zijn geen stemvee

COLUMN - door Prof.Dr. Bert van den Braak

Nu het fysiek lastig is voor Kamerleden om samen te vergaderen en dat zelfs bijna wordt ontraden, komt de vraag op: moeten Kamerleden niet gewoon vanuit huis digitaal de presentielijst kunnen tekenen? Het voor plenaire vergaderingen grondwettelijk vereiste quorum (76 leden in de Tweede Kamer en 38 leden in de Eerste Kamer) is dan immers makkelijker te bereiken.

Minstens zo belangrijk is echter de constitutionele regel dat er in het parlement geen stemoverdracht mag plaatsvinden, waarbij dus een Kamerlid een stem uitbrengt voor een ander (afwezig) lid. Het volstaat niet dat er een fictief aantal leden aanwezig is.

Dat verbod op stemoverdracht werd formeel vastgelegd door verwerping van een daartoe strekkende grondwetsherziening in 1952 (het ging toen overigens alleen om stemmen namens leden die internationale verplichtingen hadden). Het werd herbevestigd bij de grondwetsherziening 1983 en nog eens in 1994, toen minister Van Thijn bij de behandeling van het grondwetsvoorstel over tijdelijke vervanging van Kamerleden zei stemoverdracht alleen mogelijk te achten na grondwetsherziening. Enkele fracties opperden die mogelijkheid. Hij zei toen:

“Stemoverdracht heeft iets weg van een reductie van de functie van de volksvertegenwoordiging. De volksvertegenwoordiging is toch meer dan “stemvee”. En ook: “Laat ik overigens vooropstellen dat ook voor stemoverdracht grondwetswijziging nodig is.

Foto: ydant (cc)

Het burgeramendement: baat het niet dan schaadt het niet?

COLUMN - van Maarten Stremler

Hebben burgers in Nederland voldoende invloed op wetgeving? Uit onderzoek blijkt dat het merendeel van de burgers tevreden is met de parlementaire democratie zoals we die in Nederland kennen. Tegelijk blijkt ook dat sommige burgers graag meer betrokken worden bij beleid en politiek.

Het voornaamste instrument om – indirect – mee te beslissen over wetgeving zijn verkiezingen. Verkiezingen voor de Tweede Kamer vinden in de regel evenwel slechts om de vier jaar plaats. Mondige burgers zouden wel vaker gehoord willen horen.
Uiteraard staat het hen vrij om op informele wijze contact te zoeken met volksvertegenwoordigers. Menig Kamerlid wordt dagelijks bestookt met e-mails waarin burgers hun mening kenbaar maken.

Daarnaast maken groepen burgers regelmatig gebruik van hun grondwettelijke petitierecht, bijvoorbeeld door een verzoekschrift in te dienen bij de Tweede Kamer. Bovendien kunnen burgers via internetconsultatie commentaar geven op wetsvoorstellen – een mogelijkheid waar zij overigens nog maar mondjesmaat gebruik van maken.

Burgerinitiatief en correctief referendum

Sinds 2006 bestaat tevens het burgerinitiatief, een instrument waarmee burgers een onderwerp op de agenda van de Tweede Kamer kunnen plaatsen. Daarvoor zijn ten minste 40.000 handtekeningen nodig, terwijl het onderwerp niet al in de afgelopen twee jaar door de Kamer behandeld mag zijn. Tot nog toe zijn er nog maar acht burgerinitiatieven behandeld in de Tweede Kamer. De meeste burgerinitiatieven sneuvelen omdat het onderwerp recent nog door de Tweede Kamer is besproken.

Foto: Christian van Elven (cc)

Theater van de verantwoording

COLUMN - door Prof.Dr. J.Th.J. (Joop) van den Berg

Een belangrijk probleem van de Nederlandse Tweede Kamer is haar gebrek aan ‘theatraal bewustzijn’. Daarmee bedoel ik dat de Kamer niet alleen werkplaats is waar gewerkt wordt aan beleid en wetgeving, maar ook het centrale podium van de Nederlandse politiek. Dit podium is er om burgers duidelijk te maken dat het zijn belangrijkste zorgen en verlangens daadwerkelijk vertegenwoordigt. Het demonstreert ook dat het de strijd om die zorgen serieus neemt, onder andere door het conflict daarover te laten zien. Dit betekent dat parlementaire routines niet alleen moeten worden beoordeeld op hun effectiviteit (laat staan, efficiency) maar ook op hun verstaanbaarheid voor de belangstellende burgers.

Een paar voorbeelden.

Begin jaren negentig moest voor het eerst in decennia in de Tweede Kamer worden geoordeeld over de vraag of militairen naar Koeweit en Irak moesten worden gestuurd. De voortgaande discussie daarover vond, zoals altijd met internationale beleidskwesties, plaats in de vaste commissie. Terwijl men zou hebben verwacht dat over zulk een belangrijk besluit – deelname aan oorlog – minstens één keer in een plenaire vergadering zou worden gesproken.

Toen onlangs de begroting van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen in de plenaire vergadering van de Tweede Kamer werd besproken, waren leraren uit het hele land naar Den Haag gekomen voor hun grote demonstratie voor meer structurele middelen. Nog geheel afgezien van de inhoudelijke kwaliteit van het debat, het werd gehouden in een zaal waar alleen de woordvoerders en bewindslieden aanwezig waren.

Foto: NiederlandeNet (cc)

Zitting, zittingsduur, opening en sluiting: bij ons anders dan in het VK

ANALYSE - van Prof.Dr. Bert van den Braak.

Bij de mogelijke sluiting van de zitting van het Britse Lagerhuis en latere opening van een nieuwe zitting, is het aardig om naar de Nederlandse regeling te kijken.

Anders dan in het Verenigd Koninkrijk kent ons land sinds de Grondwetswijziging van 1983 geen parlementaire zittingen meer die worden gesloten en geopend. Er is wel een zittingsduur bepaald voor beide Kamers. Die is voor beide Kamers vier jaar, maar kan korter zijn bij tussentijdse ontbinding.

Voor de Tweede Kamer geldt bovendien dat de zittingsduur niet langer mag zijn dan vijf jaar. De Eerste Kamer kan een langere zittingsduur hebben dan vier jaar, als bij wet is bepaald dat de zittingsduur van Provinciale Staten is verlengd.

Beide Kamers kunnen worden ontbonden. Er moeten dan wel altijd direct verkiezingen worden uitgeschreven en de ontbinding gaat pas in op het moment dat de nieuw gekozen Kamer aantreedt.

Op Prinsjesdag, de derde dinsdag van september, geeft de Koning (of eventueel een minister) een uiteenzetting van het regeringsbeleid (de troonrede). Via een wet kan worden bepaald dat dit op een ander tijdstip plaatsvindt.

Tot 1983 kenden we zittingen van het parlement, zoals het VK dus nog steeds kent. De gewone zitting werd (sinds 1888) op de derde dinsdag van september geopend en eindigde lange tijd op de zaterdag vóór Prinsjesdag. De sluiting ging met een rede en enig ceremonieel vertoon gepaard. Bij (reguliere) verkiezingen werd de zitting al eerder gesloten en werd een buitengewone zitting geopend. Tot 1922 gebeurde dat vaak door de Koning(in). Die buitengewone zitting werd ook kort voor Prinsjesdag gesloten.

Volgende