“Kiest u migrant A of B?” was de onderzoeksvraag. Een manier om bloot te leggen welke migranten burgers eerder accepteren. Opleiding, leeftijd, taalvaardigheid, religie, gezinssituatie, vluchtreden: alles kan worden gevarieerd, gemeten en netjes in grafieken gezet. En inderdaad, zulke studies kunnen iets belangrijks laten zien. Niet wat rechtvaardig is, maar wat mensen aantrekkelijk vinden.
Maar als je weet welke migrant het best verkoopt, ontstaat de verleiding om migratiebeleid daarop af te stemmen. De jonge, werkende, goed opgeleide migrant. De migrant die onze taal al spreekt. De migrant die cultureel niet te veel schuurt. De vluchteling met het begrijpelijke verhaal, het fotogenieke kind, de herkenbare wanhoop. De migrant die geen beroep doet op solidariteit, maar op sympathie.
Wie draagvlak wil behouden, moet weten waar dat draagvlak zit. Maar draagvlak is geen moreel kompas. Het kan net zo goed registreren waar onze vooroordelen, angsten en hiërarchieën zitten. Bovendien is draagvlak geen natuurverschijnsel. Het wordt gevormd door politieke keuzes, framing, media-aandacht, beleidstaal en jarenlange campagnes waarin migratie vooral als probleem, last of dreiging is gepresenteerd. Politiek hoort dus niet simpelweg achter de publieke opinie aan te hobbelen, omdat dat een cirkeltje creëert. Het is ook de taak van politiek om draagvlak te creëren voor wat juridisch noodzakelijk en moreel verdedigbaar is.