De politie presenteert “Camera in Beeld” als een onschuldig register. Een database waarin te zien is waar camera’s hangen, zodat agenten bij incidenten snel kunnen aankloppen voor beelden. Samen werken aan veiligheid, dat soort werk.
Deze database wordt gevuld door burgers die vrijwillig hun deurbelcamera’s registreren en daarmee de overheid helpen bij het oplossen van misdaden. Mooi toch? Maar bij nadere beschouwing blijkt dat eigenlijk alleen camera’s die de wet overtreden voor de politie waardevol zijn. Camera’s die zich aan de AVG houden, filmen beperkt. Ze maskeren de openbare ruimte. Ze registreren alleen eigen terrein. Ze bewaren kort. Hun bruikbaarheid voor opsporing blijft zo goed als nihil.
De camera’s die wél veel opleveren, doen precies het omgekeerde. Ze filmen stoepen, straten, portieken, buren en voorbijgangers. Ze missen waarschuwingsborden. Ze staan te ruim afgesteld. Ze registreren permanent. Juridisch gezien onrechtmatig, praktisch gezien uiterst bruikbaar.
Die beelden vormen de kern van het systeem.
De infrastructuur draait daarmee op overtredingen van burgers. Wie zich aan de regels houdt, levert nauwelijks materiaal. Wie de privacywet negeert, wordt leverancier. Het systeem selecteert impliciet op illegaliteit.
Wat er meestal ook niet bij wordt verteld: die beelden kunnen worden opgevraagd en gebruikt zonder voorafgaande rechterlijke toetsing. Geen onafhankelijke afweging. Geen proportionaliteitstoets door een rechter-commissaris. Een vordering op basis van het Wetboek van Strafvordering volstaat. Wie zo’n verzoek krijgt, moet meewerken. “Camera in Beeld” fungeert daarmee als infrastructuur waarmee de politie snel toegang krijgt tot particuliere surveillancedata, zonder voorafgaande rechterlijke toetsing.