Studium Generale Universiteit Utrecht

183 Artikelen
Achtergrond: Jay Huang (cc)
Ontmoet befaamde wetenschappers, debatteer met denkers en luister naar schrijvers die hun drijfveren blootleggen. Studium Generale is het podium van de Universiteit Utrecht, waar studenten, docenten en andere geïnteresseerden kennis kunnen maken met alle mogelijke vakgebieden.

Studium Generale biedt iedereen de mogelijkheid kennis te maken met een vakgebied zonder verdere verplichtingen. Een toegankelijk programma op academisch niveau, te volgen zonder voorkennis. Waarom vindt de universiteit dit belangrijk? Omdat academische vorming meer is dan vakinhoudelijke kennis. En omdat de wet bepaalt dat de universiteit aandacht moet schenken aan de samenhang van wetenschappen en aan de maatschappelijke aspecten van wetenschap.

Meer informatie over ons, onze lezingen en ons nieuwsblog vind je op www.sg.uu.nl.
Foto: Tobias Begemann (cc)

Wat je van dieren imiteren kan

Wat hebben de sluipwesp, wolf, boomkikker en termiet met elkaar gemeen? Meer dan je denkt! Steeds meer technologieën voor de mens worden namelijk geïnspireerd door het dierenrijk. Hoe leer je van de natuur?

Kijk! Een boomkikker. Daar aan het plafond. Hoe blijft het zo zitten op dat gladde oppervlak? Je zou denken dat het dier eraf glijden zou, maar dat is niet waar. Ze zullen een soort verfijnd systeem in hun vingers hebben, dat ze grip geeft zonder zich vast te klampen. Het verwondert en inspireert. Kun je dat systeem niet toepassen op een nieuwe uitvinding? Daarvoor duiken we in de wondere wereld van biomimicry.

Imiteren van de natuur

Biomimicry (biomimetica in het Nederlands) betekent letterlijk het imiteren van biologische ideeën om menselijke toepassingen uit te vinden, ze te verbeteren en duurzamer te maken. Zo laat biomimetica-onderzoeker dr. Dimitra Dodou van de TU Delft zich inspireren door dieren om nieuwe medische hulpmiddelen te ontwerpen. Gebiologeerd keek ze ooit naar de sluipwesp. Deze wesp plaatst haar eitjes met een zogenaamde legboor onder de huid van een slachtoffer. Zo’n legboor is ongekend flexibel en kan een grote hoek maken zonder ergens af te breken. Dat is interessant voor chirurgen. Bij kijkoperaties willen zij namelijk zoveel mogelijk onderhuidse ruimte kunnen ontdekken met een enkele prik door het oppervlak. Dodou en haar team onderzochten, imiteerden, testten en verbeterden de legboortechnologie van de wesp. Het resultaat: een ultradunne, stuurbare naald, die bijna niet te breken is.

Foto: Jym Dyer (cc)

Wat moeten we met plaagdieren in de stad?

ACHTERGROND - door Nienke Floor.

Vieze ziek- en bangmakers, zo staan stadsratten bekend. Hoe onwrikbaar is dat beeld? Is diervriendelijk bestrijden de beste optie voor deze plaagdieren, of kan de mens de rat ooit omarmen?

Vijfentwintigduizend zwarte ratten in één gebouw. In het noorden van India, in het dorpje Deshnoke, staat de Karni Mata Tempel. Op deze plek vereert de Hindoestaanse gemeenschap de rat. De heilige dieren lopen er vrij rond en krijgen volop te eten en te drinken. De aangevreten restjes worden door pelgrims eerbiedig buit gemaakt. En loop je een witte rat tegen het lijf? Dan heb je pas echt geluk.

In Nederland ligt dat wel anders. De meesten mensen zullen niet van geluk spreken als ze een rat over straat zien lopen. De kans dat het gebeurt wordt echter steeds groter. Het aantal ratten in de stad neemt toe. Gewenst zijn de dieren meestal niet. Met gif of andere dieronvriendelijke middelen vind de bestrijding plaats. Hoe kan het dat ratten ons hier in Nederland zo tegen de haren instrijken? Is een andere omgang met het dier mogelijk, misschien niet aanbidding, maar dan toch tolerantie?

Plaag of geen plaag? De mens bepaalt

Gemeenten en inwoners spreken momenteel vaak van een rattenplaag. Wat zorgt ervoor dat het dier op die plekken een plaag gaat vormen? Hoeveel dieren is ‘te veel’? Dat bepaalt uiteindelijk de mens, zegt plaagdierexpert dr. Bastiaan Meerburg (WUR). Als de omstandigheden, zoals klimaat en voedselvoorziening voor een soort gunstig zijn, dan zal het aantal dieren van die soort toenemen. De populatie groeit, steeds sneller, maar niet onbeperkt. Zo treedt er voedselschaarste wanneer de dieren met teveel worden. Dan zal er altijd een moment komen dat de groei weer stopt. Het ecosysteem heeft zijn ‘draagkracht’ voor die soort bereikt. Het probleem is dat dat punt vaak pas komt bij een grotere populatie dan de mens in zijn leefomgeving wil accepteren. Pas als de mens een bepaalde hoeveelheid dieren niet meer wil verdragen, dan begint men te spreken van een plaag.

Foto: wbeem (cc)

Ook in een digitale wereld kunnen we autonoom zijn

Hoe vrij zijn we in een wereld die wordt geregeerd door data en algoritmes? Is onze autonomie uit handen geven onvermijdelijk? Of kunnen we zelf, als individu, nog iets doen om onze autonomie te behouden?

“Hoe heb je afgelopen nacht geslapen?” Het is een vraag die je tegenwoordig kan beantwoorden door naar je smartwatch te kijken. In gesprek met essayisten Bas Heijne en Miriam Rasch legt filosoof Joel Anderson uit dat zijn smartwatch meer weet over zijn nachtrust dan hijzelf. Op het apparaat draaien apps die het zuurstofgehalte in zijn bloed meten en zijn slaapcyclus monitoren. Met die data is de vraag exacter te beantwoorden. Waarom zou je zulke vondsten niet gebruiken om je leven beter te maken? De mens heeft altijd hulpmiddelen nodig gehad om te overleven, en dat is nu niet anders, betoogt Anderson.

Waar Anderson optimistischer tegenover technologie staat, neigt Heijne meer naar tech-pessimisme. In 2006 was de Time person of the year: You, omdat de digitalisering de macht zou leggen bij het individu. Heijne constateert nu dat die belofte niet is uitgekomen. Het is eerder omgekeerd, het individu wordt beheerst door grote bedrijven die geld verdienen met de datastromen die we produceren. Deze twee standpunten laten zien hoe ingewikkeld het is om individuele autonomie in de digitale wereld te begrijpen. Kiezen we er zelf voor omdat het ons leven makkelijker maakt, of zijn we marionetten van Facebook, Amazon, Google en dat soort bedrijven? Wat kunnen we doen om onze autonomie online te verstevigen?

Foto: Chris Devers (cc)

Waarom we het over klasse moeten hebben

Als we praten over kansenongelijkheid, gaat het vaak over gender, sekse, religie, etnische achtergrond. Maar welke rol speelt klasse eigenlijk in de Nederlandse samenleving?

In het eerste opzicht lijkt klasse niet zeer zichtbaar in het dagelijks leven. Toch is het overal. We observeren elkaars uiterlijk, kledingstijl en gezondheid, waaraan we vervolgens aflezen en categoriseren in welke klasse de persoon in kwestie past. De alomtegenwoordigheid van klasse in de samenleving én in ons denken toont aan dat een gesprek over klasse onvermijdelijk is. Tijdens deze eerste avond in de serie ‘Kansrijk?’, gingen sociologen prof. Ineke Maas (UU), prof. Giselinde Kuipers (KU Leuven) en sociaal geograaf dr. Sanne Visser (RUG) met elkaar én het publiek in gesprek over klasse en kansenongelijkheid in Nederland.

IS NEDERLAND NOG STEEDS KAMPIOEN KANSENGELIJKHEID?

“Het onderwijs is de afgelopen jaren steeds minder een emancipatiemotor geworden”, kopte de NRC deze zomer. En De Volkskrant schreef: “Nederland was ooit kansenkampioen, maar ongelijkheid is gegroeid.” Als we dergelijke krantenkoppen moeten geloven, lijkt Nederland er niet goed voor te staan. Het idee dat we onze klasse kunnen ontstijgen is misschien lastiger dan we dachten. Is deze aanname correct?

Prof. dr. Ineke Maas heeft een meer genuanceerde kijk op de sociale mobiliteit. Zo laat onderzoek zien dat er wel degelijk sprake is van opwaartse mobiliteit in Nederland. Grotendeels is dit te danken aan veranderingen in de beroepsstructuur: een toename in de vraag naar hoger opgeleiden betekent meer mogelijkheden voor mensen om de sociale ladder te beklimmen. Maar belangrijker nog, is het volgens Maas om te kijken naar de relatieve mobiliteit: hoe zijn de kansen om op te klimmen verdeeld? Hoe groot is de kans dat een kind van een timmerman of automonteur hogerop komt, vergeleken met het kroost van een advocaat of arts? Vergeleken met andere Europese landen scoort Nederland wat betreftop dat gebied niet hoger dan de middenmoot. “Het beroep van je ouders beïnvloedt dus nog steeds in sterke mate welke kansen jij krijgt”, aldus Maas.

Foto: Peter Merholz (cc)

Zet de democratie haar tanden in de opleving van rechts-extremisme?

De afgelopen jaren won rechts-extremisme in een hoog tempo aan zichtbaarheid. Niet alleen in termen van geweld, maar ook in ideeën die steeds meer beklijven binnen de samenleving en politiek. Hoe verklaren we dat? Wie zijn de aanhangers en waar geloven ze in?

Utøya, Halle en Christchurch. Het zijn plekken waar de afgelopen tien jaar rechts-extremistische geweldplegers een bloedbad aanrichtten. Ze zijn onderdeel van een trend zich steeds duidelijker aftekent: een wereldwijde opleving van rechts-extremistisch geweld en bijbehorend gedachtegoed, dat steeds meer mainstream lijkt te worden.

Om deze gewelddadige dreiging te begrijpen, is het belangrijk de achtergrond ervan te onderzoeken: want waar hebben we het eigenlijk over wanneer we praten over rechts-extremisme? Wie zijn haar aanhangers en waar geloven ze in? Wanneer en waarom noemen we rechts-extremisme een probleem – en wat kunnen we ertegen doen? Tijdens ‘De terugkeer van rechts-extremisme’ zochten politicoloog prof. dr. Sarah de Lange (UvA), historicus prof. dr. Beatrice de Graaf (UU) en rechts-extremisme expert dr. Nikki Sterkenburg naar antwoorden.

Wat is rechts-extremisme?

Om de opleving van rechts-extremisme te begrijpen, is de politiek een goed beginpunt. Daar zie je namelijk dat radicaal-rechtse en extreemrechtse standpunten, door heel Europa, steeds dominanter zijn geworden binnen politieke partijen. De Lange brengt een onderscheid aan tussen radicaal- en extreemrechts. Wat ze verbindt is het geloof dat bestaande ongelijkheid, bijvoorbeeld tussen mannen en vrouwen, wit en zwart, een natuurlijk gegeven is, dat de voorwaarde vormt voor het goed functioneren van een samenleving. Een antigelijkheidsdenken dus, waar een exclusieve definitie van de natie uit voortkomt. Pas je je niet goed aan of hang je praktijken aan die buiten de ‘normen en waarden’ van de natie vallen? Dan ben je een bedreiging.

Een belangrijk verschil tussen radicaal-rechts en extreemrechts, is dat de eerste anti-liberaal democratisch is, en dus de principes van de democratie aanhangt, terwijl de laatste antidemocratische ideeën onderschrijft. Volgens De Lange treedt er de laatste tien jaar een belangrijke verandering op: rechts-extremistische ideeën, in de vorm van samenzweringstheorieën, geweldsoproepen of antisemitische uitingen, druppelen langzaam maar zeker de radicaalrechtse partijen binnen. Een belangrijke prikkel hiervoor is dat veel gevestigde rechtse én linkse centrumpartijen radicaal-rechts gedachtegoed, oftewel wat “milder” gedachtegoed, normaliseren en zelfs overnemen. Radicaal-rechtse partijen ruiken concurrentie, en verhuizen naar het extremere. Een kettingreactie dus, waardoor de weg naar extreemrechts steeds beter geplaveid wordt. En die weg stopt niet bij de politiek, maar loopt door naar hun aanhangers in de samenleving.

Een controversiële vraag

Precies die groep is de focus van het onderzoek van Sterkenburg. Voor haar promotieonderzoek interviewde ze tientallen radicaal- en extreemrechtse activisten. Wie ze zijn? De antwoorden zijn uiteenlopend. “De nieuwe generatie radicaal- en extreemrechts”, de ondertitel van haar nieuwe boek, is namelijk niet gemakkelijk te herleiden tot één beweging: hun motivaties zijn zo verschillend als hun achtergrond. Ze variëren van rechtsvaardigheidszoekers die voelen dat de overheid hun onrecht heeft aangedaan, tot de alt-right intellectuele stroming die binnen rechts-extremistische bewegingen een plek vindt voor haar ideologie. De één maakt via spandoeken een statement, de ander infiltreert politieke partijen via vrijwilligerswerk om rechts-extremistisch gedachtegoed te normaliseren. Maar als dit alles gebeurt binnen de grenzen van een democratie, dan is het toch geen probleem?

“Een controversiële vraag”, noemt historicus prof. dr. Beatrice de Graaf (UU) dat. Ze onderzoekt politiek geweld en terrorisme, waarin een duidelijke wetsgrens aanwezig is: geweld is strafbaar. Actief zijn in rechts-extremistische bewegingen is dat niet. Toch ziet De Graaf wel een problematische verbinding tussen de normalisering van radicaal- en extreemrechts gedachtegoed, zoals gebeurt in de politiek, en het creëren van een permissieve, of een “meegaande” context, voor radicale extremisten die overgaan tot geweld. “Het gedachtegoed steunt elkaar, ze voelen zich gedragen”, legt De Graaf uit. Onder politicologen is dit ook een actuele discussie, voegt De Lange daaraan toe. Werkt het normaliseren van radicaal-rechts gedachtegoed in de politiek rechts-extremistisch geweld niet in de hand, of functioneert het als een soort ventiel?

Een democratie met tanden?

Is rechts-extremisme dus pas problematisch als er geweld bij komt kijken? Niet volgens Sterkenburg, die tijdens haar onderzoek ook veel in aanraking kwam met de polariserende effecten van radicaal- of extreemrechtse ideeën. “Het is ontzettend maatschappelijk ontwrichtend als een vocale groep dag in dag uit roept dat bepaalde etnische en religieuze minderheden er niet horen te zijn in Nederland”, vertelt ze. En daar waar geweld illegaal is, is dat een stuk minder evident als het gaat om woorden: het is behoorlijk lastig te verkopen aan rechts-extremisten waarom ze iets niet zouden mogen zeggen, terwijl politici ondertussen zonder blad voor de mond erop los twitteren. Hoe pak je dat aan?

Een van de manieren om dat voor elkaar te krijgen, zit momenteel in de vorm van een wetsvoorstel in de pijplijn. Nederland is een bijzonder land in democratisch opzicht, legt De Lange de context uit. In onze grondwet staat namelijk nauwelijks iets neergepend over politieke partijen als bestuurlijke organisatie. Het nieuwe wetsvoorstel maakt het mogelijk om partijen te reguleren, en, als ze niet aan de eisen van de wet voldoen, te verbieden. Een “democratie met tanden” dus, die, naar het voorbeeld van Duitsland na de Tweede Wereldoorlog, kan voorkomen dat partijen die antidemocratische geluiden laten horen aan de macht komen.

Maar wetten alleen zijn niet genoeg, zijn De Graaf en De Lange het eens. Ook de normalisering van rechts-extremistische ideeën moeten aangepakt. Hoe kun je anders duidelijk grenzen afbakenen wat is toegestaan binnen de democratie en niet? Maar bovenal is het een kwestie van grondig broeden op misschien wel de meest fundamentele vraag die aan het wetsvoorstel ten grondslag ligt: binnen welk democratisch ideaal willen we dan wel leven in Nederland?


Dit artikel verscheen eerder bij Studium Generale Utrecht
.

Foto: roger901 (cc)

Instagram, de Kardashians en het onhaalbare schoonheidsideaal

De Noorse regering wil een einde maken aan het optisch bedrog op Instagram. Influencers moeten het vanaf nu melden als zij hun lijf of huid bewerken in een gesponsorde post. Met de wetgeving hoopt men de ‘lichaamsdruk’ te verminderen. Wat is die druk? En hoe is die ontstaan? Een artikel van Laura Mol, eerder verschenen op Studium Generale Utrecht.

Even de taille innemen, je jukbeen verscherpen, de billen vergroten en de spieren accentueren. Met Photoshop en andere foto-bewerkingsprogramma’s is het een fluitje van een cent. Er zijn zelfs standaard filters die dit voor je doen. Geloof niet wat je ziet op het internet is een goede stelregel, maar geloof al helemaal niet wat je ziet op Instagram. Op dit sociale medium is bijna geen ‘echte’ foto te vinden. De toeristische trekpleisters zijn té verlaten, de landschappen en veganistische salades té kleurrijk, en de lichamen té onbereikbaar. Volgens de Noorse regering is actie nodig. Zij komt met nieuwe wetgeving. Influencers, oftewel personen op het platform met veel volgers, moeten een waarschuwingslabel gaan toevoegen als ze op gesponsorde beelden hun lichaam of huid hebben geretoucheerd. Hopelijk beschermt dat hun volgers, veelal jonge mensen, tegen ‘lichaamsdruk’.

Lichaamsbeelden

Hoe beïnvloeden onrealistische lichamen op social media ons eigen lichaamsbeeld? Wie zijn daar gevoelig voor? En moeten we ons druk maken over schoonheidsidealen? Tijdens de avond ‘Je bent al mooi’ in de reeks ‘Van wie is het vrouwenlichaam?‘ gingen we daarover in gesprek. Prof. Liesbeth Woertman, emeritus hoogleraar Psychologie (UU) legt uit dat je lichaamsbeeld afhangt van met wie je jezelf vergelijkt en tot wie je je verhoudt. In een bejaardencentrum voelt iemand zich misschien fit en gezond. Maar tussen prachtfoto’s van fitnessmodellen vindt diezelfde persoon zichzelf een onvolmaakte slungel. Woertman stelt dat kinderen die zich tijdens de opvoeding geliefd voelen vaak een sterker zelfbeeld ontwikkelen. Negatieve ervaringen hebben het omgekeerde effect. Dit heeft allerlei vervelende consequenties in het verdere leven, maar één ervan is dat mensen gevoelig worden voor te veel vergelijking. Die vergelijking gebeurt in 2021 natuurlijk aan de lopende band. “Je laat duizenden ideaalbeelden per dag in je hersenen toe”, zegt Woertman. “Daar kun je natuurlijk nooit tegenop. Beelden komen binnen en doen hun werking onbewust. Dus probeer dat te minimaliseren. Je hebt er niets aan.”

Foto: Yuri Samoilov (cc)

Radicalisering in coronatijd: welke kant gaan we op?

Met elke nieuwe versoepeling lijkt het einde van de coronacrisis in zicht te komen. Een crisis die in het begin zorgde voor verbroedering en veerkracht, maar later voor demonstraties, rellen en geweld. Meerdere corona-teststraten zijn vernield, medewerkers van het ziekenhuis of het openbaar vervoer werden belaagd en politici, OMT-leden en RIVM-topman Jaap van Dissel met de dood bedreigd. Ook hier in Utrecht maken de instanties zich zorgen over toenemende radicalisering, in het bijzonder corona-gerelateerde radicalisering, dikwijls aangezwengeld door complotdenken. Waarom vormt de coronacrisis een voedingsbodem voor deze vorm van radicalisering? Wie zijn de mensen die neigen naar extreem gedachtegoed en potentieel gewelddadig complotdenken? Wat kunnen we ertegen doen? Tijdens de laatste avond in de serie ‘Hoe krijgen we vat op extreem gedachtegoed?’ gingen sociaal psycholoog prof. Kees van den Bos (UU), historicus en terrorisme-expert prof. Beatrice de Graaf (UU) en Operationeel Expert Wijkagent Rogier Donk met elkaar in gesprek over het fenomeen en de dreiging van corona-gerelateerde radicalisering.

Kwestie van actie – reactie

“In crises als deze moet je met 50 procent van de kennis 100 procent van de besluiten nemen, en de gevolgen daarvan dragen,” sprak premier Rutte tijdens een persconferentie in maart 2020. In de maanden die volgden ervaarden veel mensen gevoelens van angst en onzekerheid, want niemand wist precies wat er aan de hand was en wat er nog ging komen. Het merendeel van de Nederlanders, ruim 70%, heeft vertrouwen in de overheid en de kennis van de experts. Maar voor 8-10% van de bevolking leidt onzekerheid tot ontevredenheid. Ze voelen zich machteloos en wantrouwen de overheid, het coronabeleid en de bijbehorende maatregelen. Dat maakt hen vatbaar voor extremistische gedachten en complottheorieën, en vormt daarmee een goede voedingsbodem voor radicalisering.

Foto: Hibr (cc)

Partnergeweld is niet alleen een privéprobleem

COLUMN - van Eline Kraaijenvanger

Rapper Lil’ Kleine wordt verdacht van mishandeling. Hij zou zijn verloofde Jaimie Vaes hebben geslagen. Na de reactie van de pers en publiek op het voorval, vroegen ze om tijd en rust. Toch zou er niet minder, maar meer aandacht moeten zijn.

Wat een ontspannen vakantie op Ibiza zou moeten zijn voor rapper Lil’ Kleine en zijn verloofde Jaimie Vaes, veranderde zondagnacht 22 mei in een nachtmerrie. Vaes rende toen ‘gewond en bebloed’ en met gescheurde kleding de hotellobby binnen. Haar telefoon en de hotelkamer zouden door Lil’ Kleine zijn vernield. Ze zou door hem op haar hoofd zijn geslagen met een wijnfles; er waren drugs in het spel. Je gaat zo met heel andere oren naar het nummer ‘Drank en Drugs’ luisteren.

Na een nacht in de Spaanse cel, werd de rapper voorwaardelijk vrijgelaten: er zou onvoldoende bewijs zijn. Niet veel later bracht het stel een gezamenlijk statement naar buiten waarin ze te kennen gaven dat “de geruchten die rondgaan omtrent dit incident absoluut niet waar [zijn]”. Ze zeggen verder veel van elkaar te houden en vragen om tijd en rust om de “gebeurtenissen” te verwerken. Dat is hoe het vaak gaat in dit soort situaties, vertelt prof. dr. Renée Römkens in het NRC: “We behandelen partnergeweld als een hyperindividueel probleem, waar buitenstaanders buiten moeten blijven.” Maar, benadrukt ze, hoewel het zich in de privésfeer afspeelt, is het tegelijkertijd een maatschappelijk probleem – verbonden met maatschappelijke issues.

Foto: Nanda Sluijsmans (cc)

Nederland zinkt. Wie houdt dat in de gaten?

De Nederlandse bodem daalt, met alle gevolgen van dien. Delftse onderzoekers ontwikkelden daarom de bodemdalingskaart, waardoor ook jij een oogje in het zeil kan houden. Wat moet je weten?

Als je op een zonovergoten zondagmiddag een rustiek veengebied in Nederland doorkruist, komt het woord “gevaarlijk” misschien niet snel in je op. Maar de geodeet (landmeetkundige) weet beter: ’s Nederlands landschap en de bebouwing en infrastructuur die erop rust, zijn aan bodembewegingen onderhevig. En omdat Nederland zich grotendeels onder de zeespiegel bevindt, zijn ze voor ons kikkerlandje een sluimerende vijand.

Daar weet geodeet prof. dr. ir. Ramon Hanssen (TU Delft) alles van. Met gebruik van radarsatellieten bestudeert hij het dalen en stijgen van de Nederlandse bodem. Het leidde tot de bodemdalingskaarten van Nederland. Die zijn openbaar toegankelijk, zodat elke burger de stille ramp kan helpen voorzien. Maar gaan gebruikers verstandig met de kaarten om? En hoe worden de bodemdalingskaarten precies gemaakt? Tijdens de laatste lezing in de reeks “In kaart gebracht” legt Hanssen het uit.

Hoogte meten is weten

Zijn de dijken binnenkort aan verhoging toe? Beschadigt verzakking van de bodem de fundamenten van mijn huis? Voor beide vragen geldt: hoogte meten is weten. En hoe preciezer en vaker de bodemdaling of -stijging gemeten wordt, hoe beter men kan anticiperen op de toekomst. Maar hoogte vaststellen is makkelijker gezegd dan gedaan. De vraag is namelijk: hoogte, ten opzichte van wat?

De geodeet heeft daarvoor een ander referentiepunt nodig dan het ietwat lastig bereikbare geometrische middelpunt van de aarde. In Nederland wordt daarom sinds de achttiende eeuw de Nauwkeurigheidswaterpassing Nederland als referentie gebruikt: een punt dat doorloopt tot onder de zeespiegel van Nederland, en dat geodeten meten met een lange waterpas, of baak.

Geodeten gebruiken de baak om waterpassingen te doen: het meten van hoogteverschillen in de grond over tijd. Dat is een precieze methode, vertelt Hanssen, maar het gebruik ervan is tijdrovend. Pas na tientallen jaren kan het hoogteverschil van de baak afgelezen worden. Willen we de bewegingen écht begrijpen en voorspellen, dan moeten metingen veel vaker worden herhaald .

“Daar zie je de grote superioriteit van de satelliet als meetinstrument”, geeft Hanssen aan. Deze vliegt een continue baan rondom de aarde en neemt aan één stuk door foto’s met behulp van radars. Door dit beeldmateriaal ontvangen geodeten elke zes dagen nieuwe informatie over de hoogte van hetzelfde stukje land. Met de nieuwste apparatuur meten ze hoogte tot op de drie millimeter nauwkeurig! De opbrengsten van deze radartechniek bracht men in beeld in de bodemdalingskaart. Deze weergave van Nederland geeft een indicatie van hoe veel bepaalde stukken grond dalen, stijgen of stabiel blijven. Rode pixels tonen dalingen aan, blauwe stijgingen, en groene stabiliteit.

Toen de bodemdalingskaart 1.0 – de eerste versie – uitkwam, waren de reacties terecht enthousiast. Bodembewegingen meten terwijl het gebeurt, daar konden de meterslange baken van vroeger niet tegenop. Bovendien bevat de kaart informatie van duizenden meetpunten. Om een goede inschatting te geven van hoeveel een stuk bodem beweegt over een bepaalde tijd, laat de kaart de uitgerekende gemiddelden zien van al die meetpunten verspreid over heel Nederland. Bestaande kennis over risico’s van bodemdaling wordt zo bevestigd door nieuwe, behoorlijk betrouwbare data.

Dat biedt mogelijkheden voor ramppreventie. Hanssen noemt veengronden om dat te illustreren. Ongeveer duizend jaar geleden begonnen Nederlanders water weg te pompen uit veengebieden, waardoor er steeds meer zuurstof bij de veenresten op de bodem kwam. Het organische materiaal waaruit veen bestaat, vergaat. Maar de sloten niet. Dat betekent grote kans op overstroming. Het resultaat is dat het grondwaterpeil steeds meer naar beneden wordt bijgesteld, tot de grond uit eindelijk echt te drassig wordt om te gebruiken. Een ware plaats delict van bodemdaling, noemt Hanssen het. En dus een sluimerende ramp waarover dringend accurate data nodig is.

Kunnen we dan ook de nare gevolgen van bodemdaling indammen terwijl ze nu plaatsvinden? Dat is niet alleen mogelijk, maar gebeurt ook al. Hanssen geeft de Lauwersmeerdijk als voorbeeld, die op sommige plekken rood kleurde op de bodemdalingskaart. De dijk schoof inderdaad af, zo bleek uit onderzoek ter plaatse, en werd direct hersteld. Tot aan vandaag monitort Hanssen het Lauwersmeerdijk om instabiliteiten in de dijk op tijd te repareren.

De kaart die ze niet wilden maken

Nadat bodemdalingskaart 1.0 succesvol bleek, volgde al vlug de volgende versie. Die noemt Hanssen “de kaart die ze niet wilden maken”. Vanwaar deze onheilspellende bijnaam? Dat heeft te maken met het feit dat bodemdalingskaart 2.0 álle individuele meetpunten weergeeft in plaats van berekende gemiddelden. Hierdoor kan een onfortuinlijke gebruiker zomaar een donkerrood meetpuntje aantreffen op diens eigen woning! Maar zonder kennis over de context is zo’n datapuntje lastig op betrouwbaarheid te schatten. Was het risico op misinterpretaties en paniek het waard om al die data online beschikbaar te stellen?

Er zijn natuurlijk belangrijke redenen om dat wel te doen. Het is namelijk goed om de Nederlandse samenleving bewust te maken van het sluimerende probleem van bodemdaling. De middenweg is volgens Hanssen om de gebruikers goed te begeleiden bij het lezen van van de kaart. “Omdat kaarten vaak worden gezien als een objectieve weergave van de werkelijkheid, zien gebruikers hun hun eigen interpretaties ook snel als waarheid”, vertelt Hanssen. Daarom leest de disclaimer die hoort bij bodemdalingskaart 2.0: “Deze gegevens zijn niet geoptimaliseerd, en daarom niet geschikt, voor specifieke toepassingen”. Een mooi begin, maar als het aan Hanssen ligt gaan we toe naar een bodemdalingskaart die gericht laat zien wat de gebruiker wil weten, voorzien van de benodigde context voor een juiste interpretatie. Dan zou er niet één openbare kaart zijn voor alle Nederlanders, maar een specifieke bodemdalingskaart voor elke gebruiker. Bij goed gebruik kan dan enorm veel leed worden voorkomen.


Dit artikel van Malou van de Noort verscheen eerder bij Studium Generale Utrecht
.

Foto: Brecht Bug (cc)

Mary Shelley’s Frankenstein laat ons nadenken over de wereld van nu

Het gruwelijke verhaal van monster van Frankenstein kent iedereen. Toch valt er meer te lezen in de klassieke horrorroman dan alleen een griezelverhaal. Frankenstein geeft een waarschuwing af over de kracht van technologie, kan gezien worden als feministische kritiek én laat ons op een andere manier naar onze eigen samenleving kijken.

Frankenstein kennen we als het beroemde verhaal van een gekke geleerde die een levend monster schept uit overgebleven lichaamsdelen. Het boek van Mary Shelley liet het publiek voor het eerst kennis maken met de mogelijkheden van technologie en sprak mede daarom enorm tot de verbeelding. Nu, ruim 200 jaar later, is Frankenstein nog steeds een icoon in popcultuur. In de serie Cover to Cover vertelt mediawetenschapper dr. Dan Hassler-Forest (UU) hoe je het ook boek met een feministische blik kunt lezen. Wat is de rol van de vrouw in de samenleving? En hoe houdt science fiction genderstereotypen in stand? Wat is de relatie tussen mens en technologie? De bestseller is een product van de tijd waarin het geschreven is, maar behandelt vraagstukken die ook nu relevant zijn.

Product van de tijd

Mary Shelley was pas 18 jaar toen ze Frankenstein schreef. Wat begon als een verhalenwedstrijd op een stormachtige avond, groeide uit tot een horrorklassieker én markeerde het begin van het science fiction genre. Wie cultuurproducten dieper analyseert, ziet dat ze vaak onderliggende verhoudingen in de samenleving weerspiegelen én de manier waarop we naar de wereld kijken vormen. Volgens Hassler-Forest is Frankenstein zo veel meer dan een griezelverhaal. Het is een belangrijk tegengeluid in een wereld gedomineerd door mannen en hun liefde voor technologie en controle. “De onverantwoordelijke wetenschapper maakt een wezen waarvan hij niet zo goed wist wat het was en waar geen plek voor was in de wereld van toen.” legt hij uit. Mary Shelley, een uitgesproken feminist in haar tijd, verwoordt hiermee de frustratie over het feit dat zij als vrouw geen plek had in de samenleving. Daarnaast is het boek een reflectie van de tijd waarin zij leefde. Frankenstein komt uit in 1818, een roerig jaar want het was het begin van de industriële revolutie. Technologie kreeg een steeds grotere rol in de samenleving en Mary Shelley beschrijft de verwarring, onzekerheid maar ook verwondering die hoorden bij die verschuiving. Het verhaal biedt een kijkje in de toekomst van technologie en dat slaat direct aan. Frankenstein groeit uit tot een bestseller waarvan de invloed en symboliek zelfs vandaag nog merkbaar is.

Foto: Markus Spiske (cc)

Klimaatrechtvaardigheid

ACHTERGROND - Ook de natuur heeft recht van spreken, we moeten alleen leren luisteren

Klimaatrechtvaardigheid: opkomen voor groepen die het hardst geraakt worden door klimaatverandering. Maar hoe doe je dat wanneer groepen, zoals de natuur, niet voor zichzelf kunnen spreken? Naar de rechter stappen is één oplossing, maar werpt ook nieuwe, morele vragen op.

Het is misschien wel de bekendste, meest gescandeerde leus tijdens klimaatprotesten. Protesten waarin mensen oproepen tot een duurzamer beleid, het herstellen van onrecht en het belang van een leefbare wereld voor toekomstige generaties. Klimaatrechtvaardigheid, heet dat. Maar rechtvaardig tegenover wie of wat? Volgens jurist dr. Laura Burgers (UvA) is het wrange antwoord op die vraag helder: rechtvaardigheid voor de groepen die het minste hebben bijgedragen aan klimaatverandering, maar het hardst worden getroffen door de gevolgen ervan. Denk aan de mensen buiten onze landsgrenzen, zoals een deel van de bevolking van Nigeria die dagelijks geconfronteerd worden met de vervuilende olieresten van multinational Shell. Maar denk ook breder dan dat: welke wereld laten we achter voor de toekomstige generaties? En hoe zit het met de niet-mensen, zoals dieren en natuurgebieden?

Een van de manieren om deze onrechtvaardigheid aan te pakken, is naar de rechter stappen om een groener beleid af te dwingen. Zo gaf de rechter stichting Urgenda in 2019 gelijk in de klimaatzaak tegen de Nederlandse Staat: onze overheid moet de uitstoot van broeikasgassen drastisch verminderen. Is de rechtspraak de weg naar een groene toekomst? Tijdens ‘Groene revolutie in de rechtszaal’ vertelt Burgers over de bijzondere wereld van het recht, waarin de natuur haar plek langzaam maar zeker opeist.

Foto: Kim Daram (cc)

Gevangenisstraf moet het allerlaatste redmiddel zijn

VERSLAG - Misdaad en straf zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden in het huidige strafrechtssysteem. Volgens strafrechtjurist prof. mr. Jacques Claessen moet het anders. Hij pleit voor een rechtssysteem waarin er aandacht is voor de mens achter de misdaad, voor herstel en voor rechtvaardigheid. Een beter alternatief?

We kennen allemaal de krantenkoppen over de recente avondklokrellen. “De heftigste rellen in 40 jaar”. “Plunderingen, brandjes, stenen naar de ME”. “Het leek wel oorlog”. Hoewel iedereen best begrijpt dat er onvrede en woede heerst over de huidige coronamaatregelen, is geweld nooit de oplossing. De eerste ingeving van politici én onszelf is dan ook vaak om hard te oordelen en hard op te treden. Een logische gedachtegang als we kijken naar ons huidige strafrechtsysteem. Een dader pleegt een misdaad en belandt na een rechtelijk proces achter de tralies. Toch wordt niemand beter van een gevangenisstraf, stelt strafrechtjurist prof. mr. Jacques Claessen (Universiteit Maastricht). Daarom pleit hij voor een minder zwart-wit rechtssysteem waarin de mens weer centraal komt te staan.

Op misdaad volgt straf. Toch?

Op zijn zachts gezegd was het kabinet niet blij met de avondklokrellen. “Dit heeft niets met corona te maken, dit is misdadig. We gaan er keihard tegenin,” aldus demissionair minister Grapperhaus. En dat gebeurde. Nu, iets meer dan een maand na de rellen, zijn er al 79 veroordelingen. De relschoppers vallen onder het snelrecht, waarmee ze binnen drie weken voor een politierechter verschijnen. De rechter stelt vervolgens welke wet er precies overtreden is en bepaalt welke straf de dader krijgt. In dit geval een onvoorwaardelijke gevangenisstraf en een schadevergoeding. Het is een vrij rationeel en zakelijk proces dat gebaseerd is op het principe van vergelding. Een dader moet en zal boeten voor zijn misdaden.

Volgende