Simplisme leidt niet tot beter onderwijs
Een gastbijdrage van Hartger Wassink, universitair docent bij het Ruud de Moor Centrum van de Open Universiteit. Deze bijdrage is een aangepaste versie van een bijdrage in het NRC van zaterdag 23 april. Op zijn eigen site schrijft hij over onderwijs en management.
De avond dat de NRC kopte dat het voortgezet onderwijs in de gevarenzone zat, zat ik met een groep schoolleiders in een restaurant. De kop van het artikel en ook de aantijgingen die verderop in het stuk gedaan werden, vielen niet goed. De onvrede over het artikel ging verder dan alleen de onaangename ervaring om publiekelijk aan de schandpaal genageld te worden wegens vermeende slechte prestaties. Het is vooral het aanhoudende simplisme in de discussie over het onderwijs dat de schoolleiders stoorde, en de vaststelling dat de inspectie hier kennelijk aan mee meent te moeten doen.
In het artikel wordt Annette Roeters, hoofdinspecteur van het onderwijs, geïnterviewd naar aanleiding van de meest recente rapportage over de resultaten van het voortgezet onderwijs. Zij doet voorkomen alsof de problemen in het voortgezet onderwijs groot zijn, maar dat de oplossing niet zo ver weg is, als de scholen maar iets beter op hun resultaten zouden letten. Daarmee verengt ze het debat over ‘goed onderwijs’ tot de smalst denkbare opvatting van kwaliteit van het onderwijs: de hoogte van de scores van Nederlandse leerlingen op taal en rekenen.
Vijfentwintig jaar na de kernramp is er nog steeds geen overeenstemming over het aantal slachtoffers van de kernramp maakte. Maar het RIVM concludeerde onlangs dat er
Afgelopen woensdag belegde de Staten-Generaal een miniconferentie over kabinetsformaties in de oude vergaderzaal van de Tweede Kamer. Er was nogal wat staatsrechtelijk kaliber uitgerukt, waardoor het aardig werd om de interactie met de actieve politici te bestuderen. Het ging meteen al mis toen Mariette Hamer de termijn waarin de Kiesraad de verkiezingsuitslag officieel vaststelt en de oude kamer de geloofsbrieven van de nieuwe kamer onderzoekt, ‘de acht dagen’, aanwees als een grote veroorzaker van de problemen. ‘Als formalisme opgetuigde politieke onwil,’ haalde prof. Van den Berg meteen uit. Hamer trok zich verschrikt terug achter haar ‘worsteling’ met het probleem. Verbeet ondernam nog een reddingspoging door te vertellen over de onmogelijkheid om daags na de verkiezing fatsoenlijk met een kamerfractie te spreken, maar daarmee werd volgens mij juist een heel ander nut van de acht dagen bewezen. Van een geheel andere orde was Senator Arjan Vliegenthart. Hij combineerde scherpe politieke stellingname met inhoudelijke kennis, en schudde waar nodig ook nog even Kuypers ontbinding van de Eerste Kamer uit de mouw. Eigenlijk had hij naast Kox in de Staatsrecht Senator Stemwijzer voor de SP moeten zitten.
Het is een aparte rechtszaak die vandaag in Rotterdam dient. Het Riagg staat tegenover de gemeente om alsnog 3,5 ton subsidie op te eisen. De zaak gaat echter niet over geld, maar over uw gezin.
In de nasleep van het drama van Alphen wordt de vraag gesteld hoe het kan dat de radicalisering van Tristan van der V. niet eerder door zijn omgeving opgepakt werd.
One of the strengths of sociology (among its many, many other strengths) is to take the disparate pieces of the social puzzle – anecdotes and stories of all kinds – and put them together, in the proper context, composed of the social structure, historical processes and power dynamics (something I call SHiP, Structure, History, and Power). In doing so, it shows the inanity of common sense interpretations that often take the form of moral pronouncements.