Micro-economie
In het wooncomplex waar ik woon zijn twee traptractoren aanwezig en vier kinderen die graag op die tractors rijden. Twee kinderen zijn eigenaar van een tractor, twee hebben er geen. Een van die kinderen die geen tractor heeft is mijn zoon.
De moeder van een van de tractoreigenaren hield onlangs nog een lofrede op de solidariteit die er heerste onder kinderen in ons wooncomplex. Iedereen mocht de spullen van iedereen lenen, want alle kinderen wisten dat hun spullen terugkwamen, dat hun vertrouwen niet zou worden beschaamd. Dat zei ze voordat haar zoon zijn tractor met handen, tanden en veel dramatiek beschermde tegen mijn zoon. Zijn moeder heeft toen tegen mijn zoon gezegd dat hij altijd de tractor mag pakken als zij er niet zijn.
Dat doet mijn zoon dan ook. Geheel tot ongenoegen van de andere tractoreigenaar. Die weet dat hij er niks tegen kan doen, maar eigenlijk, zo vindt hij, heeft mijn zoon niet het recht om op de tractor van hun buurjongetje te spelen. Het jongetje meent zijn bezit te moeten beschermen door het bezit van zijn mede-eigenaar te beschermen. Zo doet dat, om met mijn zoon te spreken.
Onlangs was mijn zoon weer op de tractor aan het rijden toen de tractoreigenaar terugkwam. Door de sociale druk voelde mijn zoon zich gedwongen de tractor af te staan. Het werd even grimmig. Ook het andere jongetje dat graag op tractors rijdt maar er geen heeft, was erbij. Uiteindelijk gaven mijn zoontje en hij de strijd op. De twee tractoreigenaars gingen demonstratief vrolijk over onze binnenstraat rijden. Mijn zoontje en zijn lotgenoot gingen op een houten vlonder zitten en deden daar net alsof ze heel hard in een politie-auto aan het rijden waren.