Laura Louwes

9 Artikelen
Achtergrond: Jay Huang (cc)

Lactacyd

C1000 Linnaeusplein, vrijdagmiddag. Ik sta bij de kassa mijn boodschappen in mijn tas te proppen, wanneer een muizig meisje van ongeveer mijn leeftijd iets overhandigt aan de caissière. Het is een doosje Lactacyd. De verpakking was niet het gebruikelijke wit, maar zwart. Vast bedoeld voor het zware werk. “Dit mocht ik even achter laten leggen”, zegt het meisje. Ik hoor de caissière zeggen “Maar dit verkopen we hier helemaal niet.” Ze roept de mannelijke bedrijfsleider erbij, die beaamt wat het muizige meisje zegt. Het meisje overhandigt het doosje intiemzeep en loopt zonder blikken of blozen de winkel uit. Ik registreer de harde feiten: jong meisje, blijkbaar geen schaamte, suf voorkomen met standaard spijkerbroek, oude gympjes en bomberjack.  De verpakking had prima in haar jas gepast. Waarom vroeg ze geen tasje? Waar moet ze heen dat ze onmogelijk die zeep mee kan nemen? Een nieuwsgierige oma met haviksogen? Voor wie trotseert ze niet één, maar twee keer het publiekelijk zwaaien met een doosje vagijnzeep? Dat ze louter die zeep koopt én geen tasje bij zich heeft, impliceert dat ze onverwacht en dringend een grondige wasbeurt nodig bleek te hebben. Wat zijn haar plannen vanavond? Eerst naar oma, dan nog even terug naar de C1000 voor een zak drop en een tray’tje energydrank en – o, ja − de vaginazeep?

Iemand?

Ik kan er nog steeds niet bij. Ík, uit de trein gezet. Voor de ogen van een volle trein en twee aansnellende spoorstewards door een ziedende conducteur de trein uitgebeukt. Niet erg lady-like, kan ik u vertellen. Misschien was het naïef van me om te denken dat alle conducteurs redelijke mensen zijn die fluitend naar hun werk gaan, en daar vervolgens vrolijk verder fluiten. Misschien had ik mezelf ook wat te veel negatieve ov-karmapunten bezorgd. Een jaar lang reisde ik gratis doordat ik –en elke conducteur die ik trof- ervan overtuigd was dat mijn studentenreisproduct op de een of andere manier kapot was. Toen ik het ging uitzoeken bleek ik het zelf te hebben stopgezet. Oja, was ook zo. Jammer genoeg ben ik onwijs slecht in liegen, dus de tijd van gratis treinreizen is nu voorbij. Gelukkig had ik een meereiskaart bemachtigd, waarmee je gratis met ‘ iemand’ mee kon reizen. Ik stapte in mijn eentje in, maar genoeg ‘iemanden’ in de trein om mee samen te kunnen reizen. Dacht ik. De conducteur dacht daar anders over, bleek al snel.  Ik vroeg hem me uit te leggen hoe lang en hoe goed je die ‘iemand’ moet kennen voordat je mee mag reizen. Een jaar? Moet je diegene naakt hebben gezien? Hebben aangeraakt? Samen hebben gehuild? Dat wist hij niet, maar wat zeker was, is dat je níet diegene pas net hebt ontmoet. Discussie was zinloos. Ik moest eruit. Het was de meest onbevredigende redetwist die ik ooit heb gehad. Op elk van mijn steengoede argumenten reageerde hij steevast met een tetterend “Ik wil het niet hebben!”. Op dat moment baalde ik wel even dat ik in de stiltecoupé was gaan zitten. Na tien minuten verbaal eenrichtingsverkeer werd ik in Amersfoort eruit geknikkerd, een treinkaartje en een illusie armer. Mijn prangende vraag blijft echter onbeantwoord.

Dromen

Al sinds ik het me kan herinneren heb ik absurde dromen, die zo filmisch en gedetailleerd zijn dat ik alle onrealistische aspecten als waarheid aanneem. Elke poging tot lucide dromen mislukt jammerlijk. Toen ik laatst eindelijk in een droom het vermoeden had dat ik nog niet wakker was, testte ik dit door met mijn volle gewicht tegen een muur te schuren om mijn arm open te halen. De gevolgen waren realistisch, maar gelukkig niet zo luguber als een latere droom waarin een man voor mijn neus in een gemaal vast kwam te zitten. Nu heb ik werkelijk geen idee hoe zo’n ding er eigenlijk uitziet. Althans, zonder verwrongen mens erin. Maar ik kan me er blijkbaar wel een voorstelling van maken.  Hoog tijd voor een token. Dat zou mij ook kunnen verlossen van de ronduit vermoeiende dromen waarin ik intercontinentale missies uitvoer ten behoeve van het redden van de aarde. Nog geen maand geleden vloog ik een geheime vracht in een colonne van straaljagers naar een tropisch eiland, toen er voor de kust een immense afgeragde submarine transformeerde tot de grootste Decepticon ooit. Hij greep ons uit de lucht, en zo lag ik redelijk panisch tegen een stalen monster ter grootte van het nieuwe IBG-gebouw aan te klotsen. Gelukkig was het water warm. Ook vermoeiend zijn de terugkerende dromen waarin ik onschuldige mensen de hersens in moet slaan met huis-, tuin- en keukenvoorwerpen. Ik heb tot twee keer toe iemand onthoofd met een lullig touwtje. Een tijdrovende klus. Iets sneller dood ging de oma die me ontvoerd had naar een Oostblokland, maar dat kwam doordat ik een klapstoel als wapen gebruikte en ze geen weerstand bood. Ze vroeg me namelijk zélf of ik haar wilde doodmeppen. Oké dan. Ondanks de marginale nachtrust beschouw ik mijn absurde dromen vooralsnog als een zegen. Want wie kan er nou zeggen dat ie elke nacht gratis en schadeloos tript?

Overwinning

Deze week is het al weer een jaar geleden dat ik terugkeerde van mijn wereldreis. Natuurlijk kwam ik op die reis ’mezelf tegen’, zoals het een echte wereldreiziger betaamt. Kwamen de eerste weken de rijstkorrels mijn neus uit – al dan niet letterlijk, na de zoveelste voedselvergiftiging of onderschatting van het alcoholpercentage in lokaal gestookte drank −, nu ontbijt ik geregeld met nasi en is sambal onmisbaar. Mijn lichte nervositeit in de publieke ruimte werd er snel uitgestaard door de locals die je zien als een prachtige blanke reus en wier het concept van privacy compleet vreemd is. Wildvreemde vrouwen aaien je hand en verzuchten “you so white”, en iedereen wil graag even zijn arm naast de jouwe houden om het verschil te zien. Terug in Nederland is het dan weer wennen aan het gebrek aan aanspraak. Maar de grootste persoonlijke overwinning was toch wel dat ik prima acht maanden kon leven met maar tien kilo aan spulletjes. Ik nam me dan ook voor om bij thuiskomst flink te gaan snijden in mijn huisraad. Dat viel vies tegen.  Elke prul blijkt sentimentele waarde of een potentiële toekomstige bestemming te hebben. Bovendien leidt mijn manier van opruimen eerst tot verergering van het probleem, omdat ik de op te ruimen zooi op een berg kwak op een dusdanig onhandige plek dat het zo snel mogelijk weg moet, alvorens ik in een ellendig traag tempo alles weer een plekje geef. Niet zelden raak ik tijdens het opruimen afgeleid, waardoor ik twee weken lang niet op de bank kan zitten. Het hielp allerminst dat ik na het inpakken van de eerste drie verhuisdozen mijn systeem van ‘gerelateerde spullen in dezelfde doos’ overboord gooide. Ik had nog wel de tegenwoordigheid van geest de dozen te labelen. En zo trof ik bij thuiskomst na acht maanden vakantie 20+ verhuisdozen en een handvol vuilniszakken vol vergeten meuk aan, gelabeld met teksten als ‘mokken – kabels – kattenspeeltjes – accessoires – kussen – fotolijst – linkerschoen’. De verhuisdozen verdwenen dan ook naar mijn tweede slaapkamertje, om slechts terloops uitgepakt te worden. De op handen zijnde bevalling van poes Schimpie en de ietwat onhandige aanschaf van een sauna hebben me gedwongen het kamertje te ontdoen van twee decennia verzamelwoede. Misschien dat ik dit keer de dozen maar leeg moet gooien in de tuin; morgen is regen voorspeld.

Foto: Eric Heupel (cc)

Principes

In hun wanhopige zoektocht naar een hedendaags substituut voor religie, klampen sommige mensen zich vast aan schimmige zelfopgelegde leefregels: Principes. Weet je bij gelovigen tenminste nog wat de globale do’s en don’ts zijn, mensen met Principes blijven je verrassen. De eerste regel van Principes is dan ook ‘pas over beginnen als het al te laat is’. Een helder voorbeeld van deze regel werd mij onlangs gedemonstreerd door een fietsende knaap van mijn leeftijd op het – overigens belachelijk uitgestrekte − kruispunt Europaweg-Sontweg. Hij kwam van links, maar de man die met zijn zoontje voor mij fietste had zich eigenlijk aan haaientanden te houden. Het kindje fietste duidelijk net zonder zijwieltjes. Ook duidelijk was dat het de haaientanden niet had opgemerkt. De knaap toonde geen genade en reed midden op het kruispunt het kindje aan, dat tuimelend onderuit ging en waarschijnlijk nooit meer zijn vader zal vertrouwen. De jongen fietste ondertussen vrolijk door en riep de beduusde vader nog na dat hij immers voorrang had. Vandaar. Brengt me op de tweede regel van Principes: zodra je het woord ‘principe’ laat vallen, is er geen discussie meer mogelijk. Iemand verzoeken zijn Principes bij te stellen, is alsof je Will Smith vraagt zich af te schminken. Een uitspraak die ik in mijn gloriedagen als helpdeskmedewerker dagelijks te horen kreeg, was “het gaat me niet om die paar centen mevrouw, het gaat me om het Principe”. En voor een Principe verbel je zonder blikken of blozen vijf euro aan beltegoed of fiets je een half uur in de regen naar de suup, omdat je voor tien cent onrecht is aangedaan. Het doel heiligt de middelen. De Principeparadox moge duidelijk zijn; terwijl mensen met Principes menen dat hun karma er dankzij hun leefwijze onwijs op vooruit gaat, laten ze juist een spoor van vernietiging achter. Doodgebloede relaties en vriendschappen (“Ik heb als laatste ge-sms’t, dus de bal ligt bij hem”), langere wachtrijen, bureaucratische rompslomp, gewonden en vooral veel ongelukkige mensen. Althans, dat vermoed ik; vreemd genoeg heeft geen socioloog zich aan dit onderwerp gewaagd. Dit schrééuwt om een promotieonderzoek.

Scheermesje

Na acht jaar sportschoollidmaatschap heb ik wel geconstateerd dat ik me niet echt zorgen hoef te maken over mijn lichaam. Dit doe ik uiteraard wel, en dat is dan ook de reden waarom ik een paar keer per week aan de gewichten hang in de Euroborg, waarna ik weer wat zorgelozer de gezamenlijke douche onder stap. Een klein euveltje van het gezamenlijk douchen is dat je natuurlijk niet zo uitgebreid je flamoes kan schoonmaken als je thuis gewend bent. Ik wacht dan beleefd tot een onbewaakt moment om even snel een hand tussen mijn benen door te kunnen halen. Gisteravond bleek ik toch niet zo onbewaakt als ik me waande, want toen ik me al kruisreinigend omdraaide, keek ik recht in de mooie kijkers van een meisje. Hallo. Ik vervolgde mijn doucheritueel maar, mezelf manend er in het vervolg wat beter op te letten of ik wel echt alleen was tijdens zo’n handeling. Tijdens het afdrogen veegde ik dat voornemen resoluut weer van tafel, want naast een fles shampoo voor gekleurd haar lag een schéérmesje. Ergens in mijn sportschool loopt dus een vrouw rond die haar haar verft en zich schéért onder de gezamenlijke douche. Ik neem voor het gemak maar aan dat 99,99% van de vrouwen die de moeite neemt om haar haar te verven en zich te scheren, bij dat scheren ook de bikinilijn meepakt. Ik vroeg me dan ook af of deze mevrouw nog het fatsoen had om pas thuis haar schaamstreek te ontharen, maar dat betwijfel ik ten zeerste. Als je zo efficiënt bent dat je je benen of oksels durft te scheren onder toeziend oog van meerdere vreemden, dan zal je vast niet thuis nogmaals onder de douche stappen om je kut nog even bij te werken. Razend benieuwd naar wat voor vrouw hoorde bij dit plaatje, bleef ik nog lang treuzelen onder de douche. Helaas liet ze zich niet zien, dus ik toog maar naar huis met de geruststellende wetenschap dat ze nog bestaan: mensen die nóg schaamtelozer zijn dan ik.

Krols

Terwijl ik opgelucht de voegen van mijn tegels stond schoon te schrapen, werd mijn kindje bruut genomen op de vloer van mijn slaapkamer. Schimpie was voor de derde keer in twee maanden krols, en ik was haar constante geschreeuw om een beurt meer dan zat. Gezellig mensen over de vloer hebben is er niet echt meer bij als je kat steeds krijsend haar druipende geslachtsdeel laat zien. Zodra je haar aankeek of aaide schoof ze haar staart opzij, klaar voor penetratie. Reageerde je daar niet op, dan schoof ze al achteruitlopend nog wat dichterbij, je aanstarend met grote zaadvragende ogen en de oortjes in standje wanhoop. Mijn andere poesje, doorgefokte en daardoor verstandelijk beperkte Mimpi, was tenminste nog lief krols, met geknuffel en schattig gekir. Schimpies miauwrepertoire blijkt ondertussen louter te bestaan uit “MAUW” en het allesoverstemmende “BLWRAUW”. Niets kon haar de mond snoeren. Zelfs op mijn smekende “Toe Schimpie, hou nou eens je bek” reageerde ze steevast met “Mauw? BLWRAUW”. Ook ’s nachts hield ze me wakker als een ongewenste huilbaby, waardoor ik me in mijn halfslaap geregeld de hoofdpersoon waande in een aflevering van ‘I didn’t know I was pregnant’. Nu maar hopen dat de buren nog geen melding hebben gemaakt van kindermishandeling. Ik was al een paar dagen aan het overwegen een kattendildo te fabriceren, tot de oplossing voor Schimpie en mijn ongemak zich met een plof aandiende tijdens mijn eerste tuiniersessie van het jaar. Een mooie grijs/witte raskater, met ballen en al. De kater had aanvankelijk meer oog voor Mimpi, maar dat leek me een bijster slecht idee gezien haar doorgefokte staat. Ik sloot Mimpi tijdelijk op in de woonkamer zodat Schimpie en haar nieuwe vriendje even kennis konden maken alvorens op elkaar los te gaan. Wat volgde was een voorspel van een uur door mijn hele huis en tuin heen, waarbij de plukken haar door de lucht vlogen. Aan Schimpies gegil tijdens het terugtrekken van de katerpenis-met-weerhaakjes te horen, heeft ze minstens drie keer haar zin gekregen. Blijkbaar was dat voor beide partijen nog niet afdoende, want zowel kater als Schimpie zitten uren later nog tegen elkaar aan te schurken door het glas van mijn keukendeur heen. Inclusief monotoon gemauw. Ik kruis mijn vingers dat die karaktertrek een generatie overslaat. En anders heb ik nog zo’n twee maanden om een tijdelijke nieuwe partner op te duikelen.

Geloof

Mijn vlammend volle blaas is de eerste die me uit mijn powernapje haalt. Zuchtend dribbel ik uit bed voor een veel te trage ochtendplas, waarna ik mijn afgekoelde voeten weer warm aan mijn beddengoed. Dan zoemt de deurbel van mijn buren door het huis, gevolgd door de mijne een halve minuut later. Omdat ik weken geleden weer ben gezwicht op www.hm.com voor wat lappen inferieure stof en de gebruikelijke oorbellen, móet ik wel opendoen.

Ik word teleurgesteld, want op mijn stoep staan twee Jehova’s. Een jonge Chinese meid en een kromme oma in een hobbelig bordeauxrood bomberjack dat tot haar enkels reikt. Vast een h&m’etje. Gelukkig had ik dit keer een recentelijk bij de kringloop op de kop getikte decente kinderpyjama aan; de vorige keer kwam ik net onder de douche vandaan en omdat ik een bekende verwachtte deed ik de deur open met mijn pas geschoren blote been, gekleed in louter een zijden kimono zonder sjerp. Wat toen volgde was een vrij verhitte discussie over de Islam, waarbij ik al die tijd een poging deed alleen mijn hoofd te laten zien terwijl ik de twee heren uitlegde dat Jezus en Mohammed gewoon dezelfde knaap was en dat het christendom ironisch genoeg verantwoordelijk is voor veel meer dood en verderf dan de islam ooit nog in kan halen. Aan het einde van dat gesprek kreeg ik een stapel onwijs oubollige folders en de vraag of ze nog eens terug mochten komen om verder te praten. Nou nee.

Technobus

Collega’tje Ina en ik móesten naar Berlijn. Zij voor techno-dj Marek Hemmann, ik voor een onbegrijpelijke tentoonstelling van kunstenaar Paul Laffoley en het regelen van mijn bloedmooie Berlijnse vakantievlam. Een gratis slaapplek bij laatstgenoemde was snel geregeld, vervoer bleek het goedkoopst per bus. Per technopartybus welteverstaan.

Nu hou ik van alle soorten muziek, en heb ik ook wel eens uren achtereen naar dezelfde cd moeten luisteren in de partybus naar en van Masters of Hardcore in de Brabanthallen, maar climaxloze minimaltechno trek ik bijzonder slecht. Het komt op mij gewoonweg over alsof iemand van een mengpaneel van 40 knoppen is vergeten de overige 39 schuifjes open te zetten.

In de partybus bleek vooral het schuifje van de hi-hats uitverkoren. Dat alleen het basloze deel van het drumstel in de muziek was gebruikt kwam mij dan weer goed uit, want ik kon zonder interferentie mijn eigen muziek in m’n oren drukken. Al snel bleek echter dat ik eigenlijk geen muziek nodig had ter vermaak; onze medereizigers waren interessant genoeg. 

Toen bij de eerste stop om elf uur ’s ochtends alle halveliterdrinkende hipsters de bus uitrolden voor een peuk, bleek dat mijn reisgenoot en ik de enigen waren die niet rookten. Of aan de GHB zaten. Of Ketamine. Of speed. Nu ben ik niet vies van een feestje, maar vergeleken bij deze lui voelden we ons gelijk een stel amateurs. Daar zaten we dan, broodnuchter helemaal voorin de bus, zonder onmisbare 3D-bril, lipleeslegging als enige onderkleding of rode lippenstift.