Ben Hoogeboom

71 Artikelen
117 Reacties
Achtergrond: Jay Huang (cc)

Samuel Barber

Samuel Barber (1910-1981) werd geboren uit een moeder die pianiste was, ik zou ook zo graag uit een pianistenschoot gekomen zijn. Toen hij zeven jaar was, schreef hij zijn eerste stuk, Sadness, voor pianosolo. In 1919, toen hij negen jaar was, schreef hij een briefje aan zijn moeder, met daarin deze zinsnede: ‘To begin with I was not meant to be an athlet (sic), I was meant to be a composer, and will be I’m sure.’ Of zijn moeder daar rekening mee wou houden en hem niet meer wou vragen om buiten voetbal te gaan spelen. Zijn moeder hield daar rekening mee, ze was immers pianiste, en op zijn tiende jaar begon hij te werken aan een opera, The rose tree. Op zijn twaalfde werd hij organist in de plaatselijke kerk van West Chester, Pennsylvania, en zo ging het verder. Hij werd een van de grootste componisten van de 20ste eeuw.

Eerder had ik de Zwitserse componist Frank Martin al ter sprake gebracht. Die zei in een interview ongeveer dit: ‘Ik gebruik de twaalftoons techniek van Schönberg, want als ik het op de gebruikelijke manier had gedaan, kwam ik uit op Bach, Mozart, Chopin.’ Dat mocht je willen, dacht ik toen ik dat hoorde. Samuel Barber heeft nooit, zoals Schönberg, Alban Berg, Charles Ives, tot de muzikale avant-garde gehoord. Hij was een man die het deed zoals men het in de 19e eeuw al deed. Hij wordt in de boeken, die men overigens nooit helemaal moet geloven, een postromanticus genoemd.

Muziek voor de hoveling

In 1528 verscheen bij de beroemde Venetiaanse drukker-uitgever Aldus Minutius het boek Il libro del cortegiano, dat anderhalve eeuw later in het Nederlands De volmaeckte hovelinck zou heten. Dit boek van Baldassare Castiglione bestaat sinds 2000 onder de naam Het boek van de hoveling. Het boek zou in heel Europa grote bekendheid krijgen. Het beschrijft de gesprekken aan het hof van Urbino op vier avonden in het jaar 1507. Urbino was het centrum van de Italiaanse renaissance.

Het is een historisch zeer interessant boek. Vertaler en inleider Anton Haakman laat zijn inleiding zo beginnen:

‘Een dame vraagt een heer ten dans. Hij weigert, wil ook niet naar muziek luisteren of deelnemen aan andere vormen van tijdverdrijf. Zulke frivole bezigheden behoren niet tot zijn vak, zegt hij. De dame vraagt: ‘Wat is uw vak dan?’ ‘Vechten,’ antwoordt hij. Daarop reageert de vrouw: ‘Ik zou denken dat u, nu er geen oorlog is en u ook niet op het punt staat te vechten, er het beste aan zou doen u goed te laten invetten en u met uw hele wapenrusting in een kast te laten opbergen tot men u nodig heeft, anders raakt u nog erger vastgeroest dan u nu al bent.’

Zo moet een boek beginnen, ik heb het boek meteen gekocht, zo’n tien jaar geleden en ik heb het met veel plezier gelezen. Wat kunnen we nu opmaken uit die alinea? Ten eerste dat het er modern en vrijgevochten toeging. Een dame durfde zoiets te zeggen tegen een heer, en die dame vroeg die heer ook ten dans. Ten tweede wil die ene alinea ons ook overtuigen van het achterlijke van die middeleeuwse ridderlijkheid. Als je in 1507 een beetje modern wilde zijn, dan moest je niet alleen kunnen vechten, je moest ook van het leven kunnen genieten: er was literatuur, schilderkunst, muziek, wetenschap. De renaissance was aangebroken.

Van Gregoriaans tot Perotinus

Het Gregoriaans werd gecomponeerd door paus Gregorius I (540-604), veronderstellen veel mensen nog. Het is echter niet waar, zoals uit musicologisch-historisch onderzoek in de Benedictijner abdij te Solesmes (een dorpje in de buurt van Le Mans) is gebleken. De monniken aldaar zetten zich in voor het Gregoriaans en proberen het in oude luister te herstellen. Ze hebben ook vele oude handschriften in facsimile uitgegeven.

In het jaar 754 draagt Pepijn de Korte, koning der Franken, Chrodegang (712-766) op om de liturgie en de begeleidende zang te hervormen. Chrodegang was bisschop van Metz en stichter van de abdij van Gorze (dorpje in de buurt van Metz). In die abdij ontstond de vroegste vorm van Gregoriaanse zang. Die vorm werd chant messin (Latijn: cantilena metensis) genoemd en moet ongeveer zo hebben geklonken. Voor het eerst werd er pas over Gregoriaanse zang gesproken rond het jaar 850. Toen werden er ook portretten van paus Gregorius I gemaakt met een duif op zijn schouder. Die duif zou de Heilige Geest zijn geweest, die hem de noten van het Gregoriaans influisterde. U weet nu dus dat dat onzin is.

Voordat die chant messin algemene invoering kreeg, werd er op vele, per landstreek verschillende wijzen gezongen: Gallicaans, Oud-Romeins, Beneventaans, Ambrosiaans etc. Dat veranderde toen Karel de Grote (742-814), koning der Franken en later keizer van het Romeinse Rijk, standaardisering in zijn rijk nastreefde, op werelds maar ook op religieus gebied. Het notenschrift voor het Gregoriaans bestond sinds de 9e eeuw uit neumen. Later kwamen er ‘kopjes’ op die neumen en nog weer later ontstond hieruit de mensurale notatie.

Componist-moordenaar

Carlo Gesualdo (1566-1613) was prins van Venosa en graaf van Conza (beide plaatsen liggen in de buurt van Napels), hij was dus een Italiaans edelman, hij bespeelde de luit, de gitaar en het clavecimbel, was een fantastisch goed componist en vermoordde enkele mensen (we weten niet hoeveel). Zijn oom was Carlo Borromeo, aartsbisschop te Milaan, zijn moeder was een nicht van paus Pius IV.

Eerst maar eens die moorden. In 1586 trouwde Carlo met Maria d’Avalos, een dochter van de markies van Pescara. Die had het al snel gezien met haar echtgenoot; ze begon een liefdesaffaire met Fabrizio Carafa, hertog van Andria. Toen Carlo dat doorkreeg, lang nadat die affaire bij iedereen al bekend was  (hij was steeds maar bezig met de muziek), deed hij het volgende. Op 16 oktober 1590 ging hij zogenaamd op jacht, met een paar van zijn bedienden. Dat gaf uiteraard Maria en Fabrizio vrij spel. Maar Carlo kwam terug met zijn bedienden, betrapte het liefdesstel in flagrante delicto, en vermoordde het stel op het bed waarop ze lagen. De moordpartij moet gruwelijk zijn geweest. Hij legde beiden voor de deur van het paleis te Napels waar een en ander plaatsvond, en hij vluchtte vervolgens naar zijn paleis in Venosa. Hij was als edelman niet bang voor justitiële vervolging, maar wel voor wraak.

In Monte Oliveti

De Olijfberg is een bergruggetje dat ten oosten van Jeruzalem ligt. Hoogte: ongeveer 800 meter. De joden geloven min of meer -omdat het in het Hebreeuwse bijbelboek Zacharia staat- dat God aan het einde der tijden op de Olijfberg zal beginnen met het tot leven wekken van alle gestorvenen. Dat vinden sommige joden zo prachtig dat ze zich op de Olijfberg laten begraven. Er zijn op die berg zo’n 150.000 graven.

Ook in het Nieuwe Testament komt de Olijfberg verschillende keren voor. Aan de voet van de berg ligt Gethsemane, waar Jezus aan de Romeinen werd uitgeleverd. Op Hemelvaartsdag, dat is een donderdag, veertig dagen na Pasen, vieren we dat Jezus op de Olijfberg, temidden van zijn apostelen, ‘Goodbye’ zei en opsteeg naar de hemel. Met een wolk etc., voor het effect, ik begrijp dat best. Zo’n man moet je niet begraven, zo’n man stijgt op. Hij weegt blijkbaar niets meer en als ik het zelf verzonnen had, zou ik ook die wolk genomen hebben.

Een en ander heeft tot mooie muziek geleid: stukken die door de eeuwen heen allemaal ‘In Monte Oliveti’ (Op de Olijfberg) heten en die ik verder zal afkorten tot IMO. Het eerste IMO dat ik u wil aanbevelen, is dat van Mikolaj Zielenski (ca. 1550-1615), de Poolse grootmeester van de vroege barok in het begin van de zeventiende eeuw. U moet eens letten op de manier waarop Zielenski het koor als het ware in tweeën deelt (de hoge en de lage stemmen) en op elkaar laat reageren.

Albicastro

Als je aan een historicus zou vragen: ‘Wat was nu de krankzinnigste oorlog die we in Europa hebben gehad?’, dan is de kans groot dat hij zou zeggen: ‘De Spaanse Successieoorlog van 1701-1714.’ Tienduizenden zijn er gesneuveld, en waarom? Omdat een paar hoge heren onderling ruzieden over een erfopvolging, ergens. Daarom. Het was overigens voor het laatst dat de Lage Landen een rol van betekenis speelden in Europa. Bij de Vrede van Utrecht in 1713 kregen we er de vesting Venlo bij, en daar hebben we, zoals u weet, nog veel plezier van gehad. Engeland kreeg er Gibraltar, Newfoundland en een stuk van Canada bij. De Zuidelijke Nederlanden gingen over van Spaanse handen naar Oostenrijkse.

Aan deze idioterie deed vanaf 1708 ook mee de heer Johann Heinrich von Weissenburg, hij werd ritmeester (een kapiteinsfunctie) bij de cavallerie in het Nederlandse leger. Hij bleef ook officier bij het leger na die oorlog, in elk geval tot 1730. Na dat jaar hebben we geen teken van leven meer van hem.

Vermoedelijk in 1660 werd hij geboren in Bieswangen, een vlekje in Beieren, vlakbij Weissenburg. Hij nam orgel- en compositielessen, vermoedelijk in Ulm, en vertrok in 1686 naar Leiden, waar hij musicus magistrae (muziekleraar) werd aan de universiteit, hoewel ook dat betwijfelbaar is: zijn naam komt niet voor in de Leidse archieven. Vier jaar later heeft hij deze functie opgegeven. Wat we wél zeker weten is dat zijn pseudoniem luidde: Giovanni Henrico Albicastro. Onder die naam komt hij voor in de google-lijst van Nederlandse componisten.

Pasternak

In 1912 liep de Russische dichter Samuil Marshak (1887-1964) voor het eerst door Londen. Hij vraagt aan iemand op straat: ‘Please, what is time?’ Waarop de aangesprokene hem zegt: ‘That’s a philosophical question. Why ask me?’

Ik noem dit heerlijke voorbeeld niet om propaganda te maken voor de invoering van het Esperanto op het middelbaar schoolniveau, noch om u (ook u!) nog eens te wijzen op uw gebrekkige kennis van de Engelse of Russische taal, die bijvoorbeeld geen lidwoorden kent of een woord voor ‘pols’. (Dat laatste heb ik, zodra ik het hoorde, vreemd gevonden. Wat zegt ge als ge uw pols gebroken of verzwikt hebt tegen de dokter?) Ik noemde het voorbeeld om duidelijk te maken dat de mens over één taal beschikt waarmee hij met iedereen kan communiceren: de muziek. Ik bedoel niet het spreken over crescendo of arpeggio’s, ik bedoel ten eerste de muziek an sich, de opeenvolging van klanken, en ten tweede bedoel ik het notenschrift. Oké, dat moet je je even aanleren, maar dat is zo gebeurd. Als je het notenschrift eenmaal kent, en je weet waar de C zit op de piano of de fluit of de viool, dan kun je in principe alle muziek spelen, van waar ook ter wereld.

Roslavets

Van Nikolai Roslavets (1881-1944) hoorde ik drie jaar geleden, samen met Alexander Mosolov, voor het eerst in een tijdschrift. Ik weet niet meer welk tijdschrift, misschien is zulke vergeetachtigheid een kwestie van leeftijd, maar dertig jaar geleden kon ik me ook al niet herinneren in welk tijdschrift of welke krant ik een bepaald stuk had gelezen. Reden waarom ik die stukken ook uitknipte, en die stukken stapels gingen vormen, die uiteindelijk tien jaar geleden met de oudpapierman zijn meegegaan.

Ik wist al wel van de verschrikkingen voor sommige componisten en musici in het Rijk der Arrebeiders, vooral in de jaren dertig en veertig, door het boek met de herinneringen van Dmitri Sjostakovitsj. Hij noemt de namen van Roslavets en Mosolov in dat boek niet, veiligheidshalve ongetwijfeld, want hij moet ze gekend hebben. Nog in de jaren zeventig was het not done in de Sovjet Unie om bijvoorbeeld te zeggen: ‘Roslavets was een groot componist.’ Als je dat deed, kon je verwachten dat zijn eerbiedwaardige collegae massaal uitriepen: ‘Zijn composities zijn zo slecht, ze zijn het papier nog niet waard waarop ze zijn opgeschreven!’ Exact hetzelfde dus wat ze over Sjostakovitsj en over Mosolov hadden geroepen.

Roslavets was 20 jaar ouder dan Mosolov, maar ze hadden beiden hun hoogtijdagen in de jaren twintig. Vanaf 1930 werd Roslavets’ muziek onderdrukt (hij werd uit de Componistenbond gezet, zijn muziek mocht nergens meer gespeeld worden etc.), Roslavets verhuisde, zoals zoveel componisten, naar een buitengebied, waar de band van het communisme iets minder knelde (hij ging naar Tashkent, Uzbekistan), hij kreeg in 1939 een hartaanval en nog één in 1944 en toen was hij dood. Direct na zijn dood gingen een aantal van zijn proletarische collegae zijn flatje in, om manuscripten en partituren te vinden en vervolgens te vernietigen, maar die waren voor het grootste deel in veiligheid gebracht.

Foto: Eric Heupel (cc)

Frank Martin

Op de naam Frank Martin (uitspreken niet op z’n Amerikaans maar op z’n Frans s.v.p.) werd ik opmerkzaam gemaakt door een van de mensen die reageerden op mijn stukje over Mosolov. Ik kende die naam niet, ik zocht zijn naam op, vond een Agnus Dei van hem dat me zeer beviel – en zo begonnen twee heerlijke dagen van luisteren naar zijn muziek. Ik herinnerde me vaag een paar van zijn stukken, die ik op de radio gehoord moet hebben.

Op zijn tachtigste verjaardag (hij leefde van 1890-1974) werd hij geïnterviewd en zei hij ongeveer: ‘Ik maak gebruik van de twaalftoons techniek die is uitgevonden door Schönberg, maar die techniek gebruik ik niet om de tonaliteit te vernielen.’ Zoals Schönberg deed, bedoelde hij te zeggen. Een componist zegt, zoals elk mens, soms dingen die hij beter niet had kunnen zeggen. ‘Ik probeer de tonaliteit in het atonale te behouden.’ Wat zulke praat waard is, weet ik niet. Gelukkig had ik al veel van zijn stukken beluisterd en prachtig gevonden, want ik weet niet of ik met hem verder gegaan zou zijn als ik dat interview als eerste had beluisterd.

Frank Martin was een Zwitser, die na 1946 een jaar of twintig in Nederland woonde, maar ik heb nooit gehoord van enig contact met een Nederlandse componist of musicus. Aan het eind van de jaren zestig begon hij zich te interesseren voor de popmuziek en schreef hij Poèmes de la mort voor drie mannenstemmen en drie elektrische gitaren. Niet erg geslaagd, hoor ik u denken. Nee, dat vind ik ook. Laten we de gitaararrangementen voortaan maar overlaten aan de popmusici. Maar hij heeft ook deze Petite symphonie concertante geschreven (in 1945) met de vreemde combinatie van harp, piano, clavecimbel (!) en orkest, en dat is een stuk dat me in de jaren zeventig al aangenaam verraste, zonder dat ik de naam van de componist wist.

Meneer Hageman

– Naam?

– Hoogeboom. Vier o’s, geen n.

– Voornamen?

– Engelbertus Johannes Maria.

– Geboortedatum?

– 24 september 1953.

– Even nakijken of dat klopt… Ja, dat klopt! Meneer Hageman…

– Hoogeboom.

– Neemt u me niet kwalijk. Wij van Sargasso. Bieden u aan. Na precies vier maanden van stukjes. Dat zijn er dus tweeënzestig geweest. En daarom bieden wij u aan. Een vast contract voor het maken van deze stukjes!

– Dat is fijn, meneer!

– Maar!

– Maar wat, meneer?

– Uw onderwerpkeuze!

– Wat is daar mis mee, meneer? Ik kan alleen schrijven over de dingen die me interesseren. Ik heb bijvoorbeeld een paar zeer goede, bijna vergeten componisten uit het interbellum naar voren gehaald. Arapov, Abeliovitsj, Mosolov. Abeliovitsj was mijn grootste vondst, maar Mosolov was de beste componist. En over die dingen schrijf ik als consument, ik ben geen musicus, laat staan een componist. Laat staan een muziektheoreticus. Dus als ik een stuk mooi vind, dan schrijf ik dat dat stuk mooi is. Zoals ik ook sommige schilderijen mooi vind, en andere juist helemaal niet mooi.

– Hmm. Maar wat meer duiding zou toch, meneer Hageman…

Mosolov

Het kon wel eens zijn dat dit mijn laatste muziekstukje gaat worden. Ik had nog een tip gekregen over Entartete Musik, waarvoor dank, maar daar zitten geen componisten tussen die ik zou willen aanbevelen omdat ze al door duizenden anderen zijn aanbevolen. Ik kénde al die lui ook al, en dan verwacht ik dat u, lezer, ze ook wel zult kennen. Ik heb ook nog gedacht over Lyatoshinsky, wiens naam ik een week geleden ook nog nooit had gehoord en die best aardige muziek gemaakt heeft. Maar niets opzienbarends. Niets dat schrééuwt om aandacht, behalve misschien zijn Ballade, gespeeld door Boris Demenko. Nou ja, ik vind eigenlijk alleen de eerste helft van die ballade mooi, de tweede helft vind ik dat het ontspoort.

Maar ik heb gevonden: Alexander Mosolov (1900-1973). Een geweldige componist, dat wil zeggen van 1923-1929. Hij was natuurlijk lid van de Sovjet Componistenbond, want je wou in die jaren dat je werken ook werden uitgevoerd, dus was je daar lid van. Anders werd je opgepakt: dan was je geen componist maar een hooligan. Dan bedierf je het voor de arbeidersmassa en kreeg je een nekschot of artikel 58 aan je broek.

Mosolov heeft in de zes jaren die ik net noemde zoveel prachtige, innovatieve dingen geschreven – het is bijna onmogelijk om eruit te kiezen. Laat ik maar beginnen met zijn Strijkkwartet no.1 uit 1926 (het AndanteAdagioScherzo en de Finale), een stuk waarop ik onmiddellijk verliefd geworden ben. Het is wel één van de hoogtepunten van de 20ste-eeuwse kamermuziek.

Be nice…

Een paar maanden geleden las ik de Tien Geboden voor Atheïsten, om het zo maar te zeggen, en daar zaten dingen bij zoals: Don’t believe in any GodDon’t worship anything (het was van een Amerikaanse site) en ook zat er dit gebod bij: Be nice to everybody. Wees vriendelijk tegen iedereen. Ik zou daarvan willen maken: Be nice to nearly everybody. Ik leg het uit.

Ik ben een atheïst, geen hippie, ik houd niet van iedereen. Lang niet van iedereen. Er zijn mensen die ik haat, of laten we zeggen, aan wier optreden ik een grote hekel heb of heb gehad. Voorbeelden te over en ook wereldwijd bekend: Stalin, Hitler, Mao, Goebbels, Vader Abraham, Picasso, André Rieu, Muzio Clementi, Boeren die Vrouwen Zoeken op de Publieke Zenders (een programma dat ik nog nooit gezien heb, maar het moet een verschrikking zijn), de gemiddelde recensent in Nederland (die je steeds teveel of te weinig vertelt over een boek, waardoor je nooit de aandrang hebt dat boek ook te gaan kopen), Volendammers, Venloënaren, verzekeringsadviseurs wier derivaten inmiddels wel ‘aan de waslijn van de verbeelding hangen’, het soort dichters dat zulke regels maakt (ik bedoel, van die waslijn van de verbeelding), reaguurders van het afschuwwekkende soort dat je om niets vertelt dat ‘we ons om een mega-eruptie van de Vesuvius voorlopig geen zorgen hoeven te maken’, reaguurders die je zomaar, om niets, vertellen: ‘Wat is dit voor poep?’ en die dus hun domheid tentoonspreiden (want ik schijt niet, ik schrijf) en ook hun opgeblazenheid – ‘dát zal ik ze eens laten weten!’ – en hun enorme gevoel voor humor, want poep!, jaha! (ik zou zeggen, joch, haal je rechtermiddelvinger eens uit je anonieme bilspleet), Andy Warhol, Mark Rutte wanneer hij weer zo verschrikkelijk gaat staan lachen: het is echt geen gezicht, Mark, of Job Cohen die zei dat hij precies op tijd was vertrokken, Jolande Sapsop die het nodig vond om op een avond dat haar partij meer dan gehalveerd was, te vertellen dat het populisme óók was teruggedrongen en dat dat haar vrolijk stemde (hoeveel meer stompzinnige opmerkingen mag iemand bij GroenLinks maken, voordat hem of haar wordt verteld: opstappen nu!, trek de stekker eruit!), de gezamenlijke presidenten van de V.S., van Johnson totaan minimaal Obama, die er ook weinig van terecht brengt. Van Kennedy kun je tenminste nog beweren dat de Hubble telescoop uiteindelijk uit zijn beleid is voortgekomen (?).

Volgende