Soccer Department

10 Artikelen
Achtergrond: Jay Huang (cc)

Bert is vooral erg prima

Van Marwijk is gewoon een logische trainer. Maar op het moment dat dit Nederlands Elftal een geniale ingeving nodig had, gaf hij niet thuis.

Het is een unieke ‘prestatie’. Drie nederlagen in het competitieve voetbal. Het was de Nederlanders nog nooit overkomen. Nu schijnt er van alles ‘een eerste keer’  te moeten zijn, maar hier zullen velen in dit geval anders over denken. Het was in ieder geval een goed beschamende vertoning. Toch kan het niet echt een verrassing zijn. Van Marwijk had zijn fouten namelijk al voor het toernooi gemaakt. Al is het de vraag of je hem die kan aanrekenen.

Goh, wat hebben we gelachen om die gekke Marco van Basten. Romano Denneboom, Dave van den Bergh, Nicky Hofs, Martijn Meerdink; ze mochten onder de Utrechter allemaal hun debuut maken. In hun verdere carrière is pijnlijk duidelijk geworden dat ze niet bepaald Oranje-waardig waren. Wat veel mensen echter vergeten is dat hij ook Boulahrouz van RKC liet doorbreken. En van Persie een kans gaf. Nog sterker: Maar liefst acht van de 23 internationals aanwezig in Polen en Oekraïne speelden hun eerste interland onder van Basten, terwijl zeven daarvan inmiddels meer dan 30 interlands hebben verzameld.

Van Marwijk pakt ze allemaal in

Naast weerman en sportcommentator is het de meest bekritiseerde baan van Nederland: bondscoach. Na een vlekkeloze WK-kwalificatie, een qua resultaat subliem eindtoernooi in Zuid-Afrika en een nette EK-kwalificatie is ‘onze Bert’ in 2012 voor het eerst onder vuur komen te liggen. De druk staat zogezegd op de ketel. En hoe.

Toegegeven, de resultaten van de laatste tijd waren teleurstellend. Alleen de geflatteerde 6-0 overwinning tegen de uitkaterende Noord-Ieren gaf vertrouwen op de juiste afloop. Maar nu we verloren hebben tegen de stugge en op momenten fortuinlijke Denen is het hek van de dam. De trage Van Bommel, de egoïstische Robben en de koppige Van Marwijk zijn mikpunt van kritiek. Met name onze bondscoach is het bokje en dat is niet terecht.

Bert kiest al jaren voor een aantal zekerheidjes: Stekelenburg in de goal, het duo Heitinga/Matthijsen achterin en Sneijder achter de spits zijn, naast zijn heilige systeem met twee ‘omgekeerde’ buitenspelers en twee controleurs voor de defensie, verworden tot zijn handelsmerk. Het is een fijn afgemeten pak dat Bert goed past en waarmee hij bijna wereldkampioen werd. Iedereen was lovend over de manier waarop hij rust binnen de groep bewaarde en tactisch consistent was.

Die twee ingrediënten voor succes spelen hem nu parten. Het rommelt binnen de groep en ook daarbuiten, met name vanwege het vasthouden aan eerder genoemde, in zijn ogen duurzame spelopvatting. Het is alsof het aloude vertrouwde pak niet meer past en bovendien volledig uit de mode is. Het moet hipper en frisser: ‘Weg met Van Bommel, Bouma en Robben’, is een vaak gehoorde kreet.

Deutschland über alles

Het is het grootste naoorlogse taboe wat we kennen: voor Duitsland zijn.

Het is iets wat in je prille puberteit ontstaat wanneer je merkt liever zuurkool dan stamppot te eten. Een paar jaar later smaakt een Bitburger je beter dan een Heineken en zoen je met ene Heidi. Je kunt meer nummers van Rammstein van a tot z meezingen dan van De Dijk en Doe Maar en je droomt van je favoriete auto: een dikke witte Mercedes met drie zwarte strepen die over het midden van de motorkap naar de kont lopen. Opeens weet je het. Je bent voor Duitsland.

Vriendjes vinden het maar vreemd dat je liever de Kicker leest dan het onvolprezen Voetbal International. Je vader begrijpt er niets van dat je Mario Basler drie klassen beter vindt dan ‘pitbull’ Edgar Davids. Ook het kunnen smullen van een feilloos uitgevoerde Schwalbe door een Duitse anti-held als Andy Möller kan bij weinigen op begrip rekenen.

Het leven als fan van Die Mannschaft is niet bepaald eenvoudig. Alsof je als muziekliefhebber moet bekennen dat Zanger Rinus goede teksten schrijft. Het is iets waar je niet voor durft uit te komen.

Dikwijls wens je, als je alleen in je bed ligt te wenen, dat het anders was. Dat je zou juichen als Affelay een mooi doelpunt scoort of dat je het liefst naar De Kuip zou gaan om je favoriete team aan te moedigen. In plaats daarvan droom je van de Allianz Arena in München, waar je kippenvel krijgt van ‘Das Lied der Deutschen’ en je op je stoel staat als ‘Miro’ of ‘Poldi’ andermaal een treffer langs de Nederlandse keeper weten te werken. ‘Tòòòòòòòòòòrr!!’

Deen x matige prestatie + zelfvertrouwen = Bendtner

Bij Arsenal worden er tests gedaan om te kijken naar de mentale gesteldheid van de spelers. En ondanks dat er genoeg spelers met een aardig zelfvertrouwen hebben rondgelopen de afgelopen jaren, is er één man die met alle uitslagen spotte. Nicklas Bendtner, voormalig Deens wonderkind, haalde op de categorie ‘vertrouwen in eigen kunnen’ een score van tien. Op een schaal van negen. Toenmalig assistent-coach Pat Rice barstte in lachen uit bij het zien van de testscore.

Bij Arsenal hadden ze nog nooit zoiets gezien. De sportpsycholoog van de Londense club, Jacques Crevoisier, legde uit dat dat betekende dat ‘wanneer Bendtner een kans mist, hij daadwerkelijk denkt dat dat niet aan hem ligt. Je zou zeggen dat dat een probleem is en tot een bepaalde hoogte is dat ook zo. Maar je kan het ook zien als een verbazingwekkend vermogen om te herstellen van een tegenslag’.

Waar dit zelfvertrouwen op gestoeld is mag trouwens een raadsel genoemd worden. Ondanks dat de spits destijds het absolute toptalent van zijn generatie was, heeft hij nog weinig laten zien. In 234 wedstrijden op clubniveau scoorde hij slechts 66 keer, een gemiddelde van iets meer dan 1 op 4. In het Deense shirt gaat het iets beter; 18 doelpunten uit 48 wedstrijden is op internationaal niveau respectabel. Hiermee is hij overigens niet de topscorer van de selectie, dat is Dennis Rommedahl, die er drie meer in heeft geschopt.

Foto: Eric Heupel (cc)

Laten we de Duitsers niet beter maken dan ze zijn

Voor velen is de grote favoriet Duitsland. En op basis van de afgelopen zes jaar is dat niet verbazingwekkend. Met twee derde plaatsen op WK’s en een finaleplek op het afgelopen EK zat Duitsland er lekker kort bij. ‘Nederland moet maar blij zijn met een tweede plaats in de poule’, zo wordt er nu al geredeneerd. Gezien de poule met verder Portugal en Denemarken zou iedereen ervoor tekenen. Maar moeten we nou echt zo bang zijn voor die Duitsers?

Wat mij betreft niet. Natuurlijk hebben ze bakken vol kwaliteit en vooral de voorhoede lijkt erg indrukwekkend, maar de zwakheden zijn er wel degelijk. En duidelijk ook nog. Zo is Mario Gomez een goede afmaker, maar vaart hij vooral wel bij de verdedigende zwakheid van de tegenstander in plaats van dat hij drijft op zijn eigen kwaliteit. Het is geen speler die zelf zijn kansen forceert. Dat geldt ook voor Miroslav Klose, de spits die hem nog uit het elftal kan houden. De veteraan heeft in het Duitse shirt een onvoorstelbaar gemiddelde (63 goals in 116 interlands) en kan uit het niets een doelpunt maken, maar is daarbij wel afhankelijk van een fout van de tegenstander of goed voorbereidend werk van een medespeler.

Foto: Eric Heupel (cc)

Dirk Kuijt knuffelt alles, zolang het maar betaalt

Daar stond hij dan. Bij FC Utrecht op het veld, in het gezelschap met vedette Michael Mols.  Een blond, guitig ventje van achttien jaar die eigenlijk al verbaasd leek te zijn dat hij in het profvoetbal terecht was gekomen. Dirk Kuijt was de naam. Hij droomde ook nooit van profvoetballer worden. Dat had hij nooit verwacht. Nee, zijn droom was ‘kampioen worden met het eerste van Quick Boys’, zijn clubje uit Katwijk. Daar kwam hij vandaan en hij hoopte dat hij die droom ooit ook nog zou realiseren.

Bij FC Utrecht ontwikkelde de technisch beperkte, maar immer hardwerkende spits zich stormachtig. Snel werd hij een publiekslieveling. Hij had het dan ook goed naar zijn zin en nam zich voor niemand zomaar te vertrekken. ‘Enkel voor het buitenland of een club uit de top drie’, zo beloofde hij. Naar de rest hoefde hij niet, daar was FC Utrecht een te mooie club voor.  Die top drie-club kwam er in Feyenoord. Na een beetje gedonder over de transfersom ging Dirk Kuijt voor één miljoen euro naar Rotterdam. Wie had dat gedacht.  Ook hier werd hij al snel door het publiek in de armen gesloten. Kuijt voelde zich thuis en begon te scoren als nooit tevoren. Deze scoringsdrift werd beloond met de interesse van de Engelse topclub Liverpool. Voor maar liefst achttien miljoen werd hij door de Reds weggekocht. Kuijt beloofde de Feyenoord-fans terug te keren. Want Feyenoord, dat was zijn club.

Voetbal is meer dan Huntelaar of Van Persie

Voetbal is een teamsport, maar toch is er altijd de obsessie met individuen. De fascinatie omtrent figuren als Christiano Ronaldo en Lionel Messi is een perfect voorbeeld. Als een team beide zou hebben, wat voor monsterachtige prestaties zouden er dan wel niet geleverd kunnen worden? Dat zaken niet zo simpel werken en dat een voetbalteam meer is dan een som van haar beste spelers is echter vaak genoeg bewezen. Van Marwijk zal wellicht een van zijn sterren moeten opofferen om meer uit het team te halen. Bij deze een stevige tactische bespiegeling.

Zie de Galacticos van Real Madrid. Rond 2003 stonden daar wereldspelers als Owen, Beckham en met Zidane, Ronaldo en Figo de beste voetballers ter wereld van de afgelopen drie jaar onder contract. Toch werden zij tot 2007 geen kampioen. Tegen die tijd waren al deze spelers, op Beckham na, allen alweer gevlogen. Hoe kan het dat deze verzameling van topvoetballers zichzelf nooit met een titel of Champions League heeft beloond? Het vertrek van Makelélé in 2003 wordt als één van de belangrijkste redenen gezien. Maar wat de situatie misschien nog wel beter illustreert is het gebruik van de spelers.Owen was bij Liverpool zo goed omdat hij Gerrard achter zich had. Beckham was bij Manchester United als rechtermiddenvelder een klassieke ruit gewend, met een solide rechtsback (Gary Neville) achter zich. Zidane speelde bij Juventus met Deschamps, vervolgens Davids en later bij Real Madrid met Makelele op het middenveld. Ronaldo en Figo waren door hun leeftijd wat van hun ‘touch’ kwijt, maar de Braziliaan leed ook enigszins onder de gebrekkige samenwerking met Spaans spitsenfenomeen Raúl en Figo moest plots strijden om een plaats met de eerder genoemde Beckham, waarbij de Engelsman vaak ook nog maar naar het midden werd geschoven. Een positie die hij bij lange na niet zo goed beheerste als die van flankspeler. De verdere onderlinge strubbelingen van de mannen met de grote ego’s hielpen ook niet bepaald mee.

Mijmeren over Messi

Messi.

Geen discussie. Messi is de best(e) voetballende tweevoeter ever.

Wat maakt hem zo goed, zo uniek?

Allereerst omdat hij juist nu weet te excelleren. Het huidige voetbal is zoveel professioneler, sneller, taktischer dan in de tijden van de Pelé’s, Cruijff’s, Maradona’s. Dat hij dik boven het topniveau uitsteekt, is een wonder, onaards. Je gelooft vaak niet dat het kan. Kind of magic.

Zijn fysiek stelt niets voor. Een schriel mannetje, een straatjochiekoppie. Van zijn spierbundels moet hij niet hebben. Zijn lichaam wijst eerder in de richting van een luie krantenbezorger. Dat hij zo zelden geblesseerd raakt – met al die aanslagen op zijn kappende pootjes- is een godswonder.

Wat ik zo mooi vind aan dit voetbalwonder zijn niet zozeer zijn technische vaardigheden. Die zijn ongelooflijk: de precisie, het tempo dat hij aan een bal meegeeft, het juiste effect, de balbehandeling, de touch. Allemaal even briljant.

Nee, het interessants vind ik zijn sluipmoordenaarsgedrag. De schijnbaar slapende python, de loerende steekmug, de kat voor de sprong.

Let op de momenten voor Messi de bal krijgt. Een slome duikelaar is hij. Hij lijkt te denken: doen jullie maar, ik effe niet. Zijn lichaam straalt ongeinteresseerdheid uit. Sjokken doet hij, niet echt vrijlopen, niet flink de stap erin, geen sprintje naar achter, voren, opzij. De anderen lopen vrij, hij niet. Hij loopt niet vrij. Door de collega’s staat hij gewoon vrij. Dat krijg je als je de spil van het spel bent. De as in een draaiend wiel.

‘Merde! Nous avons oublié les Bleus!’

Allons enfants de la patrie, le jour de gloire est arrivé’- La Marseillaise, Claude Joseph Rouget de Lisle, 1792.

Dat laatste is altijd de vraag. Het Franse volkslied begint in de veronderstelling dat een dag van glorie is aangebroken, maar net zo vaak ging het Franse nationale elftal een dag van tragiek tegemoet. Drama kan ze niet ontzegd worden. Denk aan 1993: De Fransen waren zo goed als geplaatst voor het WK ’94 in de Verenigde Staten. Zij hoefden enkel één punt te behalen uit twee thuiswedstrijden. Tegen Israël werd een 2-1 voorsprong in de laatste tien minuten een 2-3 nederlaag en tegen directe concurrent Bulgarije werd in de 90ste minuut met 1-2 verloren. Weg WK.

In 1996, op het EK in Engeland, werden ze geveld door penalty’s. Op het WK 1998 in eigen land glorieerden ze, met Zidane in een heldenrol, maar  daar gingen wel een rode kaart voor de vedette (tegen Saudi Arabië), een verlenging (Paraguay), een penaltyreeks (Italië) en een ongekend productieve dag van een verdediger die nog nooit had gescoord voor zijn land en dat nooit meer zou doen (Thuram, 2 keer in een 2-1 overwinning op Kroatië) aan vooraf.

In 2000 viel de halve finale tegen Portugal op. De penalty voor Frankrijk in de verlenging zorgde voor veel ophef en resulteerde bij de Portugezen na het toernooi in lange schorsingen. De finale mocht er ook zijn: Na een 1-0 achterstand in de 55ste minuut maakte Wiltord in de allerlaatste minuut gelijk. Een kleine 13 minuten later besliste David Trezeguet de wedstrijd met een golden goal.

Onze droomdefensie heeft ons 182 jaar geleden verlaten

Vanaf heden publiceren we geregeld voetbalcolumns van onze collega’s van Soccer Department. Neem er eens een kijkje. Vandaag geeft Michiel Jongsma een goede reden om België binnen te vallen.

1830 is zo’n jaar wat je voor een EK als dit gaat haten. In dat jaar maakten de Belgen zich los van het Verenigde koninkrijk der Nederlanden. Dat we een gebied verloren wat als bijnaam ‘Europe’s Battleground’ had vanwege de vele veldslagen die er zijn gestreden is niet erg. Bovendien verstonden we die Walen toch al niet al te best en sturen de Vlamingen de écht leuke Belgen toch wel met regelmaat deze kant op. Wat overblijft is een land waar wij, zelfs in tijden dat het bij ons wat minder gaat, om kunnen lachen. Dat gedoe met Fortis, de bijna twee jaar durende kabinetsformatie, zo bont maakten ABN Amro en onze regering het niet eens! Ook de plaagstootjes (Belgenmoppen) en andere pesterijtjes (de Schelde uitbaggeren? Ho maar!) dragen eraan bij dat wij de afgelopen 182 jaar het nodig plezier hebben gehad de afscheiding van onze zuiderburen.

Maar zoals ik al zei: voor een EK als dit liggen dingen anders. Want voetbal is belangrijk. En niets is mooier dan succes bij voetbal. En daar hadden we die Belgen wel goed kunnen gebruiken. Want wat we voorin aan extra kwaliteit hebben, wordt weer mooi gedecimeerd door het gebrek achterin. Dat terwijl er bij de Belgen met Vertonghen, Vermaelen en Kompany drie Europese topverdedigers rondlopen, net op posities waar wij wel wat kunnen gebruiken. Ziet u het al voor zich? Vermaelen, Vertonghen, Kompany en van der Wiel? Daarvoor De Jong en van Bommel, hoewel Witsel en Fellaini ook aardige opties mogen zijn. Speelden eerder bij Standard Luik, slechts  vijftien kilometer van de grens. We hebben die lijnen toch verkeerd getrokken destijds.