Maand vijfendertig
Lieve Jules,
Ik zat op het toilet, toen ineens de deur op een kier ging die net breed genoeg was voor jouw hoofdje. Je bekeek me enkele tellen van top tot teen, tot je besefte dat je aanwezigheid een rechtvaardiging behoefde.
‘Pappa.’
‘Ja.’
‘Jij bent toch lie-hief?’
Ik gaf toe dat ik lief was.
Vanwege je leeftijd nam ik het je niet kwalijk dat je liefde als dekmantel gebruikte voor voyeurisme. Maar ik zeg je alvast: die truc heeft zijn langste tijd gehad. Er bestaat een slag vrouwen dat wangedrag op grote schaal witwast door het als liefde in de boeken op te nemen. Zo had ik ooit een vriendin die bij voorkeur midden in de nacht aan de relatie wilde werken. Wat zij liefde noemde, noem ik nu een gebrek aan medicatie. Op het moment zelf noemde ik het niets. Toen voelde ik vooral schaamte voor het feit dat ik zo weinig van haar hield dat ik haar nooit wakker maakte voor een goed gesprek.
Afijn.
Ook aan Vera en je moeder vraag je of ze lief zijn. Vaak is het een soort controlevraag. Je hebt veronderstellingen over hoe de wereld in elkaar zit, maar je houdt rekening met het feit dat je er naast kunt zitten. Ik kan je daar geen ongelijk in geven. Gisteren waren we op een verjaardag en toen wilde je zus je nog omruilen voor het kindje dat net een jaar was geworden.
Een verwante vraag is: ‘Pappa, jij bent toch niet boos?’ Die krijg ik iets vaker dan goed is voor mijn zelfbeeld als ouder. Ik zucht en ik steun, het valt niet te ontkennen. Ik zou je willen uitleggen dat het geen verwijt is. Maar oefen ik al een jaar of twintig op die uitleg en vooralsnog heeft niemand zich echt laten overtuigen. Mijn hoop is dat je aan het gezucht gehecht raakt, zoals bestuurders van elektrische auto’s gehecht blijken te zijn aan het lawaai van de benzinemotor. Je kunt van mensen houden vanwege hun gebreken. Juist daarom.
Een kort berichtje van het soort waaraan we gewend zouden moeten raken: een 




Ja, je hebt makkelijk praten, hoor ik u roepen. En hoe komen we dan van dit probleem af, volgt daar op.