Mijn eerste werkdag
Mijn eerste werkdag begon op een maandagochtend in de zomer van 1966. Ik was nog geen dertien jaar, ik was overgegaan van de eerste naar de tweede klas van het middelbaar onderwijs en ik vond: nu geld verdienen, niet voor een te vieren vakantie, maar voor te kopen boeken. Ik had op jongere leeftijd al een centje bijverdiend in de plaatselijke Vivo-supermarkt, door ‘zakjes te vullen’ in het magazijn, maar dat was geen echt werk. (Vroeger werden op het adres van de Vivo-winkels grote zakken met bijvoorbeeld hagelslag of pinda’s, bruine suiker of broodkruim afgeleverd. Die spullen moesten dan afgewogen en in kleine zakjes worden gedaan.)
Het werk dat ik ging doen was bollen pellen, hoofdzakelijk tulpenbollen, maar later in de zomer kwamen daar ook de vervelende (want kleinere) crocusbolletjes bij. Ik deed dat werk in een schuur van een bloembolleneigenaar, waar nog tien of twaalf andere bollenpellers zaten. Je kreeg betaald per mand gepelde bollen, ik meen één gulden vijftig. Als je het werk een beetje beheerste, kon je acht manden per dag doen, dus zeg maar een tientje binnenhalen. Dat was een zeer mooi bedrag in 1966.
Ik kwam, op een ouderwetse keukenstoel, te zitten tussen twee dames van, denk ik nu, ongeveer 17 jaar. Toen dacht ik dat ze ruim over de dertig waren. Ik ging zitten terwijl ik ze beiden toeknikte, ongeveer zoals de Japanners elkaar toeknikken. Mijn groetknik heeft altijd iets ouderwets gehad, ik weet het, denkt u maar aan de sumo-worstelaars als ze de ring inkomen. Dus het was al gauw van ‘wie hebben we daar?’ en ik antwoordde op die vraag: ‘Ben J.M. Hoogeboom, aangenaam!’

