Groen liberalisme

Wat kunnen toekomstige generaties van ons eisen? En hoe kunnen we zulke eisen rechtvaardigen? Deze vragen spelen een centrale rol in groene politieke filosofie, onder het label intergenerationele rechtvaardigheid. Vaak wordt gesteld, bijvoorbeeld door de Leidse filosoof Marius de Geus, dat de liberale traditie onvoldoende in staat is om rekening te houden met eisen van toekomstige generaties. Immers liberalen richten zich met name op het beschermen van de rechten, in het bijzonder het recht op bezit, van toekomstige generaties. Vanuit dit perspectief zijn denkers als Locke en Mill een soort Tea-Party‘ers avant la lettre. Deze filosofen zouden geloven dat iedereen recht heeft op zijn rechtmatig verkregen bezit. Wat jij verdiend hebt, wat jezelf heb geproduceerd daarmee mag jij doen wat je zelf wilt, dat hoef je niet te delen. Dat staat geen herverdeling toe, ook niet tussen generaties.
Daarmee wordt een belangrijk element van theorie van Locke overgeslagen. Locke maakt een onderscheid tussen de rechtvaardigheid van het toe-eigenen van nieuwe grondstoffen en de rechtvaardigheid van het handelen in grondstoffen. En waar het inderdaad zo is dat alle vrijwillige handel in grondstoffen rechtvaardig is, stelt Locke een grens aan hoeveel mensen zich mogen toe-eigenen. In Locke’s tijd waren er grote continenten nog door ‘niemand’ bewoond (Locke trok zich niet zo veel aan van het bestaan van native Americans en aboriginals), en daar groeide allerlei vruchtbare natuur, lagen allerlei waardevolle grondstoffen in en vloeide allerlei zoet water door heen. Volgens Locke mocht iedereen die daar appels plukt, die daar erts opgraaft of daar water drinkt dat houden. Als hij zich aan een aantal simpele regels hield.




