Ik zweef niet, ik dwarrel
Waarin de auteur tot de conclusie komt dat hij zich door niemand vertegenwoordigd voelt.
Ooit, ergens aan het begin van deze tot nu toe enorm gezellig eeuw, besloot ik om de rest van mijn leven D66 te stemmen als er landelijke verkiezingen waren. Leek me wel zo makkelijk. Een mens moet immers al zoveel keuzes maken in het leven.
Vervolgens ging D66 in zee met VVD en CDA (terwijl ze aan een vriend van mij, per mail, hadden bezworen, inclusief spuug door vingers, dat ze dat nooit zouden doen). Als straf besloot ik bij de gemeenteverkiezingen PvdA te stemmen. Ik had er spijt van zodra ik het stembiljet in de bus deed. Het voelde als verraad. Ik besloot toch weer voor D66 te gaan.
Maar toen werd Alexander Pechtold lijsttrekker in plaats van Lousewies van der Laan. En voor Pechtold koesterde ik meteen een flinke aversie, die ik eigenlijk nooit ben kwijtgeraakt. Waar die aversie precies in zit, weet ik niet. Hij heeft iets onoprechts. Hij geniet teveel van zijn eigen spitsvondigheden. Hoe hij de rol als Wilders-basher invulde, zinde me ook niet. Hij nam de handschoen iets te gretig op en voer er iets te wel bij. Zonder Wilders zat Pechtold inmiddels al lang weer met een hamertje schilderijtjes te slijten.
