Waarom moderne natuurwetenschap onze kijk op de realiteit niet fundamenteel verandert

Hans Custers schreef een gastblog in reactie op de serie artikelen van Klokwerk over filosofie in de oudheid. De afgelopen tijd had ik een paar stevige discussies met Klokwerk, die vooral uitliepen op spraakverwarring. De blogs van Klokwerk gingen over de oertijd van de filosofie, maar de onbedwingbare neiging om in discussie te gaan werd bij mij getriggerd door paralellen die erin werden getrokken met het heden. Volgens Klokwerk zou de moderne natuurwetenschap onze huidige kijk op de realiteit, of onderdelen daarvan, op losse schroeven zetten. Ik denk dat daar op dit moment geen aanleiding voor is en dat het voorlopig dan ook niet zal gebeuren. Paralellen met het verleden kunnen best nuttig zijn. Daarom ga ik eerst ook ver terug in de tijd, naar een verhaal uit de tijd dat er nog niet of nauwelijks wetenschap bestond: het Bijbelse scheppingsverhaal. Het begint met de vrij achteloze melding dat God de hemel en aarde schiep. De hemel is dan nog leeg: een canvas waar de schepper later licht en donker en hemellichamen op schildert. En voor de aarde lijkt hetzelfde te gelden. De vaste, dode materie van rotsen, klei en zand heeft geen verdere aandacht nodig. Het is een vanzelfsprekendheid, die blijkbaar niet tot de verbeelding sprak van de schrijver van het verhaal. In vaste, levenloze materie zit geen mysterie. Zo hebben we het vrijwel altijd en overal in onze geschiedenis ervaren. Nu nog steeds. Metaforen over rotsen, of klei, of aarde gaan nooit over iets dat ongrijpbaar of onbegrijpbaar is; het tegendeel is eerder het geval. Het mysterie ophelderen Het mysterie zit in wat beweegt en verandert. Dat begint al bij water, dat soms uit de hemel valt, dat dagelijks stijgt en daalt aan de kust, en dat soms kan verdwijnen uit een rivier, of juist het land overspoelt. Lucht heeft weer wat meer mysterie: dat onzichtbare spul kan kou brengen, en verschroeiende hitte, en soms heeft het een vernietigende kracht. Andere fenomenen zijn nog mysterieuzer, zoals vuur en bliksem. En het grootste mysterie is het leven zelf, dat zich manifesteert in de vorm van materie, maar op een bepaald moment dat materiële omhulsel weer verlaat. Omdat de evolutie ons heeft opgezadeld met de neiging om dingen te willen begrijpen, gingen we proberen om al die mysteries op te helderen. Die pogingen leverden verhalen op. Verhalen die een korte route vormden naar een verklaring van iets dat niet werd begrepen. Dat soort verhalen rekenen we tegenwoordig tot de metafysica. Niet iedereen nam daar genoegen mee. Er waren zonderlingen die probeerden om de wereld te begrijpen via logica en bewijs uit waarnemingen of experimenten. En dat lukte soms ook nog. Het ging niet snel, maar er kwam een moment dat zo’n zonderling een metafysisch verhaal omver wist te kegelen met argumenten waar niks tegen in te brengen was. En later was er nog zo een. En nog een. Begin twintigste eeuw waren we zover dat geen enkel metafysisch verhaal nog stevig op zijn fundamenten stond. De wetenschappelijke methode was superieur gebleken aan al het andere dat was geprobeerd om de werkelijkheid te begrijpen. Onze kijk op de realiteit was ondertussen ingrijpend veranderd. Vooral de kijk op onszelf. Van de kroon op de schepping waren we gereduceerd tot een toevalligheidje op een minuscuul planeetje in het gigantische universum. Die deuk in ons collectieve ego werd gecompenseerd door alle goeds dat de wetenschap bracht. Het besef hoe intelligent we zijn als soort, bijvoorbeeld. En natuurlijk alle luxe waarin we leven. De diepere waarheid en Schrödingers kat Ondanks alle kennis die we nu hebben, blijkt er nog steeds behoefte te zijn aan andere verhalen. Over een diepere waarheid die mogelijk achter al die kennis zou kunnen liggen. Blijkbaar zit die behoefte ergens diep in ons. Het zijn vaak ook best mooie verhalen natuurlijk, die spannender en aansprekender zijn dan de droge en ingewikkelde wetenschap. Bovendien hebben ze het voordeel dat ze minder gebonden zijn aan logica en bewijs, waardoor het makkelijker is om er wat wensdenken in te stoppen. Al zou het ook best kunnen dat vooral het mysterie ons aan blijft trekken. Dat zou bijvoorbeeld verklaren waarom het verhaal van Schrödingers kat zo bekend is geworden. Een kat die tegelijk dood en levend is; veel mysterieuzer kun je het niet krijgen. Dat Schrödinger dat verhaal niet bedacht als wetenschappelijk mysterie, maar juist als demystificatie is dan weer veel minder bekend. Natuurlijk is die kat niet in twee toestanden tegelijk. Schrödinger toonde de absurditeit aan van een te letterlijke interpretatie van een ‘meting’ of ‘waarneming’ in de kwantummechanica. Een overgrote meerderheid van de kwantumfysici is het daar tegenwoordig mee eens. Wat traditioneel een meting wordt genoemd, is een feite niet meer dan een interactie met iets dat groter is dan de kwantumschaal. Het is dus zeker niet zo dat vaag kwantumgedrag pas verdwijnt op het moment dat iemand dat bewust waarneemt. Wie naar mysterie zoekt als aanknopingspunt voor een verhaal, kan dat altijd wel ergens vinden in de buurt van de grens van wat we nog weten. Ergens voorbij die grens moet dan de diepere waarheid achter alle wetenschappelijke kennis liggen. En natuurlijk is er voorbij die grens ook alle ruimte voor speculaties en mystificaties. De natuurkunde van de afgelopen eeuw biedt de nodige aanknopingspunten: ruimte en tijd die flexibel zijn, deeltjes die ook golven zijn en omgekeerd, fundamentele onzekerheid en onvoorspelbaarheid. Je kan er alle kanten mee op en dat gebeurt dan ook. Er zijn zelfs nogal wat theoretisch natuurkundigen die daaraan meedoen. Ze denken dat de realiteit niet bestaat, maar een simulatie is. Of een holografische projectie. Dat een experiment bewijst dat informatie op kwantumniveau terug kan reizen in de tijd. Of dat kwantummechanica kan bewijzen dat de mens een vrije wil heeft. In het beste geval zijn zulke beweringen wilde speculaties en in het slechtste geval aantoonbare nonsens. Technologie De ontnuchterende realiteit is vooral dat die mysterieuze verschijnselen helemaal geen betekenis hebben voor hoe wij de realiteit beleven. De meeste mensen zullen wel weten dat GPS-satellieten hun klok af en toe een beetje bij moeten stellen vanwege de flexibele ruimtetijd, maar dichterbij onze belevingswereld komt de relativiteitstheorie niet. En de rare kwantumverschijnselen bestaan, een enkele uitzondering daargelaten, alleen op subatomair niveau. Er is geen enkele reden waarom ik mezelf, of mijn soortgenoten, of de wereld om me heen anders zou moeten zien als ik weet dat de deeltjes in de atomen in de moleculen in de cellen van mijn lichaam ook een golfkarakter hebben. Of dat het onzekerheidsprincipe van Heisenberg van toepassing is op die deeltjes. En dat een individueel deeltje onvoorspelbaar is heeft ook helemaal geen betekenis, omdat er miljarden van die deeltjes in elke kubieke millimeter van ons lichaam zitten. En van onze omgeving. Het gedrag van die deeltjes samen is prima voorspelbaar. Via de wetten van de klassieke natuurkunde. De wetenschap heeft in de loop van de eeuwen zeker veel invloed gehad op hoe we naar onszelf en onze omgeving kijken. Maar wel vooral via inzichten die heel eenvoudig te begrijpen zijn en die eerdere intuïties of (vaak religieus geïnspireerde) overtuigingen onderuit haalden. Over de evolutie bijvoorbeeld, of de leeftijd van de aarde, of onze plaats in het universum. Andere tegenintuïtieve inzichten – hoe licht en andere straling als golven door een lege ruimte bewegen bijvoorbeeld, of hoe de uitdijing van het heelal niet vertraagt maar versnelt – hadden niet of nauwelijks zo’n effect. Natuurlijk is onze blik op de realiteit de afgelopen eeuw flink veranderd en heeft natuurwetenschap daar alles mee te maken. Maar dan gaat het om toepassing van die wetenschap in technologie: radio, telefoon, tv, internet, satellieten, vliegtuigen, ruimtevaart. Het effect daarvan op onze belevingswereld is oneindig veel groter dan dat van de wetenschappelijke kennis zelf. Wie weet zorgt de kwantummechanica ooit voor een volgende technologische revolutie, die ons wereldbeeld op zijn kop zet. Of voor een spectaculaire doorbraak. Een bevestiging van theorieën over het multiversum bijvoorbeeld, waardoor we na het geo- en heliocentrisme ook het universiocentrisme overboord zouden moeten zetten. Maar zover is het zeker nog niet. En mocht het ooit wel gebeuren dan zal er nog steeds niks veranderen aan de aantrekkingskracht van mysterie, en onze neiging om daarover te filosoferen, te speculeren en te fantaseren. Niets zo onveranderlijk als de menselijke natuur.

Foto: bron: livius.org

De sofisten 1: Wie waren de sofisten?

ACHTERGROND - In Griekenland rond 450 voor onze jaartelling kwam het beroep van ‘wijze’ vrij vaak voor. De wijzen trokken rond en hingen de goeroe uit, de kost verdienend met het geven van advies en onderwijs. We zouden ze vandaag de dag misschien ‘consultants’ hebben genoemd.

En zoals we net hebben gezien, was in Athene vanwege de democratisering van de samenleving behoefte ontstaan aan onderwijs in argumenteren. Veel van de rondtrekkende wijzen trokken dan ook naar deze stad en verbleven er voor langere tijd of zelfs permanent als onderwijzers en adviseurs.

Sofisten en filosofen

In die tijd, en overigens ook daarvoor, heetten alle filosofen sofisten. Oorspronkelijk betekende dat gewoon ‘wijzen’ of, iets speelser, ‘knappe koppen’. Pythagoras vond die titel echter wat aanmatigend, en gebruikte voor zichzelf liever de term ‘filosoof’: liefhebber van de wijsheid. Maar in de praktijk hadden zijn collega’s niet zo’n probleem met de titel sofist, en kwam het woord ‘filosoof’ pas later in zwang, toen latere filosofen het gingen gebruiken om zich af te zetten tegen de Atheense filosofen die we nu gaan bekijken. Zij heten ook in deze tijd nog ‘de sofisten’.

Deze sofisten hielden zich voornamelijk bezig met retorica: de kunst van het spreken. Sommigen van hen drongen zelfs door tot de hoogste kringen van de Atheense macht. Zij vormden geen groep of school met een centrale doctrine. Hun uiteenlopende denkbeelden werden juist versterkt doordat debatteren hun grote liefhebberij was, en ze daarom de verschillen juist opzochten.

Lezen: De BVD in de politiek, door Jos van Dijk

Tot het eind van de Koude Oorlog heeft de BVD de CPN in de gaten gehouden. Maar de dienst deed veel meer dan spioneren. Op basis van nieuw archiefmateriaal van de AIVD laat dit boek zien hoe de geheime dienst in de jaren vijftig en zestig het communisme in Nederland probeerde te ondermijnen. De BVD zette tot tweemaal toe personeel en financiële middelen in voor een concurrerende communistische partij. BVD-agenten hielpen actief mee met geld inzamelen voor de verkiezingscampagne. De regering liet deze operaties oogluikend toe. Het parlement wist van niets.

Quote du jour | verantwoordelijk onderwijs

QUOTE - Doorgaan op deze weg is daarom geen optie; er is verandering nodig, en het onderwijs moet daarin het voortouw nemen, betoogt Aldo van Duivenboden. “Wat mij betreft is de tijd aangebroken dat het onderwijs het juk van de brave volger van economie en arbeidsmarkt afwerpt en het voortouw neemt als aanjager van de transitie naar een duurzame en inclusieve wereld”, schrijft hij.

Ok, het heeft misschien een beetje ’60’s vibes (Kritiese Universiteit iemand?), maar Aldo van Duivenboden van de OnderwijsInnovatie Hub van Hogeschool Saxion heeft hier natuurlijk wel 100% gelijk. Hadden ze in de jaren 60 trouwens ook wel, dat je een beetje systeemkritiek best mag verwachten vanuit het hoger onderwijs en dat het uitblijven daarvan gelijk staat aan het dienen van de status quo. Maar dat terzijde.

Foto: Jim Surkamp (cc)

Wetenschapsdans

COLUMN - Ik heb even moeten nadenken over de bundel ‘wetenschapspoëzie’ En dat was kennis, zeg je dan die is samengesteld door de Vereniging voor Wetenschapscommunicatie en -journalistiek Nederland (VWN). Dat komt niet zozeer door de relatie tussen wetenschap en poëzie, want ik ben ervan overtuigd dat poëzie overal over kan gaan, en omgekeerd dat wetenschappelijk inzicht op allerlei manieren kan worden uitgedrukt.

Het raadsel betrof de relatie tussen (wetenschaps)communicatie en (wetenschaps)poëzie.

Ik begrijp natuurlijk dat de vereniging helemaal niet per se bedoelde om poëzie ineens tot het domein van de wetenschapscommunicatie te rekenen, ze noemen het genre zelf immers alleen maar wetenschapspoëzie. Maar de vraag is dan: hadden ze dat dan wel kunnen doen?

Briljante winnaar

Wetenschapscommunicatie gaat altijd over de inhoud. Je zorgt ervoor dat bepaalde inzichten of feiten of vragen worden overgedragen. Het is niet waar dat de vorm er niet toe doet, maar die vorm staat altijd ten dienste van het overdragen van de inhoud. Wetenschapscommunicatie die nadrukkelijk aandacht vraagt voor de eigen vorm, voor de virtuositeit van de maker, lijkt mij geen geschikte wetenschapscommunicatie.

Bij poëzie gaat het altijd minstens óók om de vorm, of dat nu rijm, ritme is of regelafbreking. Dingen worden anders gezegd dan in het dagelijks leven en dat leidt dusdanig af van de inhoud dat je je kunt afvragen of het wel een functie heeft. In het verleden is er natuurlijk didactische poëzie geschreven, maar toen had het rijm ook een functie, bijvoorbeeld om de inhoud makkelijker onthoudbaar te maken.

Foto: (bron: livius.org)

De eerste filosofen: slot

In het licht van de moderne wetenschap …

ACHTERGROND - De materialistische visie, waarin we uitgaan van een wereld die is opgebouwd uit vaste elementen, is voor de westerse mens vanzelfsprekend. We leren er op school over bij natuurkundeles. Deze visie is in onze cultuur diep geworteld. Wij beleven de wereld als opgebouwd uit vaste substantie, opgebouwd uit moleculen, atomen en elektronen.

Maar hoe vanzelfsprekend het denken in vaste substanties ook mag lijken, voor klassieke filosofen was het dat niet. Veel wijsgeren verwezen liever naar Herakleitos verwezen dan naar Parmenides. In de filosofie van Herakleitos spelen vaste substanties geen rol en zijn geestelijke concepten even reëel als tastbare zaken.

Behalve dat de materialistische visie dus vaak filosofisch is aangevochten, komt deze overtuiging definitief op losse schroeven te staan door ontwikkelingen in de moderne wetenschap. Die heeft niet alleen verfijningen van materialistische modellen opgeleverd, maar kwam met natuurwetenschappelijke theorieën die de bodem onder het filosofisch materialisme leken weg te slaan: naarmate deeltjes kleiner bleken, gedroegen ze zich onlogischer. Massa is energie en vice versa. En zo voort.

Dit zijn zaken waar Parmenides, met zijn geloof in onveranderlijkheid en essenties, waarschijnlijk nooit rekening mee had kunnen houden. Puntje voor Herakleitos? Wellicht.

Doneer!

Sargasso is een laagdrempelig platform waarop mensen kunnen publiceren, reageren en discussiëren, vanuit de overtuiging dat bloggers en lezers elkaar aanvullen en versterken. Sargasso heeft een progressieve signatuur, maar is niet dogmatisch. We zijn onbeschaamd intellectueel en kosmopolitisch, maar tegelijkertijd hopeloos genuanceerd. Dat betekent dat we de wereld vanuit een bepaald perspectief bezien, maar openstaan voor andere zienswijzen.

In de rijke historie van Sargasso – een van de oudste blogs van Nederland – vind je onder meer de introductie van het liveblog in Nederland, het munten van de term reaguurder, het op de kaart zetten van datajournalistiek, de strijd voor meer transparantie in het openbaar bestuur (getuige de vele Wob-procedures die Sargasso gevoerd heeft) en de jaarlijkse uitreiking van de Gouden Hockeystick voor de klimaatontkenner van het jaar.

Foto: (bron: livius.org)

De eerste filosofen en het boeddhisme

ACHTERGROND - Tot in de negentiende eeuw was men er nog van overtuigd dat de filosofie pas ten tijde van Sokrates tot wasdom was gekomen. Tegenwoordig zien we dat anders. Nu worden de natuurfilosofen beschouwd als degenen die het fundament legden voor het Griekse denken. Daar valt veel voor te zeggen.

Reductionisme en materialisme

Al bij de natuurfilosofen komen we de eerste ontwikkelingstheorieën tegen, die het ontstaan van het heelal, de aarde en zijn levende wezens op een andere manier verklaren dan met behulp van mythen. Daarbij zien we herkenbare zaken ontstaan, zoals empirisme en reductionisme. Daarnaast introduceren de natuurfilosofen het idee van een onveranderlijk Zijn achter de verschijnselen.

Xenofanes liet in het midden wat dit dan was, en noemde het voor het gemak ‘God’. Voor Pythagoras waren de getallen het onveranderlijke Zijn achter de verschijnselen. Voor Herakleitos was de natuurwet of logos de hogere waarheid.

Een belangrijke botsing in die periode, waarvan de echo’s nog lang zouden nadreunen, is die tussen Parmenides en Herakleitos. Zij lijken in veel opzichten lijnrecht tegenover elkaar te staan. Parmenides stelt dat beweging en verandering illusies zijn, terwijl Herakleitos zegt dat verandering hét kenmerk is van de werkelijkheid: alles stroomt. Meer verschil is toch niet denkbaar?

Foto: Foto Giammarco op Unsplash.

Zijn denken en communiceren hetzelfde?

Een van de vele discussies die de taalwetenschap al eeuwen splijt is die van de functie van taal. Dat de mens taal heeft, kost op zijn minst moeite – moeite om de taal te leren, moeite om de hersenen te pijnigen bij het zoeken van woorden, het plaatsen van die woorden in zinnen enzovoort. Waarom doen we dat?

Er zijn twee belangrijke kampen: taal is om in te denken, en taal is om te communiceren. De eerste school heeft evident het probleem dat we veel taal niet binnen in ons hoofd laten omgaan, maar dat we ook onze tong en lippen bewegen (of onze handen, in het geval van gebarentaal). De tweede school heeft het probleem dat er is aangetoond dat de structuur van taal minstens voor een deel lijkt te bepalen hoe we denken (zie bijvoorbeeld hier).

De Oostenrijkse taalkundige Martina Wiltschko komt nu in het tijdschrift Glossa met een mogelijke oplossing: taal is er zowel voor taal als voor denken.

Dat klinkt op het eerste oor wat flauw: de ene groep zegt A, de andere zegt B, en jij komt en zegt ‘het is allebei een beetje waar’. Maar Wiltschko biedt interessante argumenten. Ze laat bijvoorbeeld zien dat er in een zin vaak twee elementen zitten: elementen die een gedachte uitdrukken en elementen die gaan over de interactie met de gesprekspartner:

Doe het veilig met NordVPN

Sargasso heeft privacy hoog in het vaandel staan. Nu we allemaal meer dingen online doen is een goede VPN-service belangrijk om je privacy te beschermen. Volgens techsite CNET is NordVPN de meest betrouwbare en veilige VPN-service. De app is makkelijk in gebruik en je kunt tot zes verbindingen tegelijk tot stand brengen. NordVPN kwam bij een speedtest als pijlsnel uit de bus en is dus ook geschikt als je wil gamen, Netflixen of downloaden.

Steun ons!

De redactie van Sargasso bestaat uit een club vrijwilligers. Naast zelf artikelen schrijven struinen we het internet af om interessante artikelen en nieuwswaardige inhoud met lezers te delen. We onderhouden zelf de site en houden als moderator een oogje op de discussies. Je kunt op Sargasso terecht voor artikelen over privacy, klimaat, biodiversiteit, duurzaamheid, politiek, buitenland, religie, economie, wetenschap en het leven van alle dag.

Om Sargasso in stand te houden hebben we wel wat geld nodig. Zodat we de site in de lucht kunnen houden, we af en toe kunnen vergaderen (en borrelen) en om nieuwe dingen te kunnen proberen.

Foto: Margolum Smargol (cc)

De voortgezette olifant van bachelor/master

Voor het eerst sinds tijden heb ik weer eens een Twitter-draadje gemaakt. Aanleiding is dit artikel van Maurice Limmen, de voorzitter van de Vereniging Hogescholen. De mensen die het in de oorspronkelijke vorm willen lezen kunnen hierboven klikken, hier volgt een wat meer prozaïsche versie. Het artikel van Limmen gaat in grote lijnen over het onderscheid wo/hbo, en dat hoewel gelijkwaardig (te) veel studenten kiezen voor wo en het hbo op sommige plekken krimpt, wat schadelijke gevolgen heeft.

Waarom ik hier iets over wil zeggen, is omdat in dit artikel, hoeveel zinnigs er verder ook in staat, vakkundig een olifant wordt vermeden als het gaat over het onderscheid tussen uni en hbo. En ik wil het hebben over die olifant: het voortgezet onderwijs.

We gaan terug naar voor de invoering van het bachelor/master-stelsel, net na de wisseling van het millennium. Het was toen vrij eenduidig. Een hbo-opleiding duurde 4 jaar, een wo-opleiding 4, 5 of 6 jaar. Het hbo daar kon je terecht na de havo, en de universiteit na het vwo. Dat vwo was (veel) moeilijker dan de havo én duurde een jaar langer. De universiteit was moeilijker (het niveau was ‘hoger’). Al heb ik een hekel aan het normatieve ‘hoger/lager’ verhaal, ik gebruik de termen hier toch maar even voor de duidelijkheid.

Foto: (bron: livius.org)

De eerste filosofen (9): Empedokles

Empedokles: het multitalent van Sicilië

ACHTERGROND - In de vijfde eeuw voor onze jaartelling leefde de in de Griekse kolonie Akragas op Sicilië geboren filosoof Empedokles. Hij was bedreven in de dichtkunst en gold als autoriteit op het gebied van religie en magie. Hij bemoeide zich ook met staatszaken en was in zijn tijd een vermaard geneesheer. In die hoedanigheid zou hij zelfs iemand uit de dood weer tot leven hebben gebracht.

Maar ook was hij een wetenschapper. Hij had begrepen dat de wind en moerassen ziekten konden veroorzaken, zeker in combinatie met elkaar, en had dankzij dat inzicht veel succes met het bestrijden van epidemieën. Al met al dus een type dat van vele markten thuis was, die Empedokles. Hij trad bovendien op als goeroe.

Bescheidenheid was hem echter vreemd. Empedokles was ervan overtuigd dat hij een godheid was, of kon worden. Hierdoor kwam hij op het idee dat hij zou moeten sterven door zichzelf in de Etna te werpen: dan bleef er geen stoffelijk overschot over dat hem zou vermenselijken. Het verhaal gaat echter dat de vulkaan na de sprong een sandaal zou hebben uitgespuwd, om te bewijzen dat zelfs Empedokles een mens van vlees en bloed was. Ze konden wel mooie verhalen vertellen, die Grieken.

Lezen: Bedrieglijk echt, door Jona Lendering

Bedrieglijk echt gaat over papyrologie en dan vooral over de wedloop tussen wetenschappers en vervalsers. De aanleiding tot het schrijven van het boekje is het Evangelie van de Vrouw van Jezus, dat opdook in het najaar van 2012 en waarvan al na drie weken vaststond dat het een vervalsing was. Ik heb toen aangegeven dat het vreemd was dat de onderzoekster, toen eenmaal duidelijk was dat deze tekst met geen mogelijkheid antiek kon zijn, beweerde dat het lab uitsluitsel kon geven.

Foto: Sargasso achtergrond wereldbol

Ras, gender en het centrale dogma van de taalkunde

Boekomslag Dat mag je ook al niet meer zeggen © Onze Taal

Er woedt een belangrijke maatschappelijke discussie over taal waarover je maar weinig taalkundigen hoort in het publieke domein: de discussie over hoe we allerlei identiteiten benoemen – discussie over wit tegenover blank, over slaafgemaakte, over non-binair taalgebruik, enzovoort: over de vraag in hoeverre de taal moet worden aangepast aan een veranderende sociale werkelijkheid.

Een reden waarom je er zo weinig taalkundigen over hoort, heeft volgens mij te maken met wat ik beschouw als het centrale dogma van de taalwetenschap, iets waarover vrijwel alle taalkundigen het, ondanks enorme verschillen op allerlei gebied, eens zijn:

Het centrale dogma van de taalwetenschap. Taal is een natuurlijk fenomeen. Ze verandert voortdurend, maar het is niet mogelijk om haar te veranderen.

Het centrale dogma gaat in tegen de manier waarop de meeste niet-taalkundigen taal zien: als een cultuurproduct, een instrument dat we hebben gemaakt, en dat je als liefhebber van de traditie liever niet maar als pragmaticus liever wel verandert. Volgens het centrale dogma zijn huidige pogingen om bijvoorbeeld genderneutrale taal in te voeren, vrijwel zeker tot discussie gedoemd. En veel meer dan dat valt er volgens dat dogma dan ook niet over te zeggen.

De taalwetenschap heeft overigens ook veel te danken aan het centrale dogma. Het is de grondslag van het relatieve succes van het vak in de afgelopen twee eeuwen – de visie dat je taal kunt zien als iets dat op de een of andere manier onderhevig is aan natuurwetten heeft tot veel resultaten geleid. De menselijke wil met al zijn grilligheid heeft er niet zoveel mee te maken. Het is trouwens ook echt lastig om voorbeelden aan te wijzen waar de taal veranderd is omdat de taalgebruikers dat beter vonden, vooral als je meeneemt dat soms autoriteiten natuurlijk invloed kunnen hebben op hoe mensen in het openbare leven spreken, maar dat de meeste taal in kleine kring of de beslotenheid van het eigen huis wordt gebruikt.

Foto: Sargasso achtergrond wereldbol

Hoe meer mensen een taal leren, hoe makkelijker die taal wordt

Wordt een taal gemakkelijker wanneer veel mensen haar leren? Daarover woedt al enige tijd discussie in taalkundige kringen. Aan de ene kant hebben mensen een bijna instinctieve afkeer van de gedachte dat je talen überhaupt op een schaal zou kunnen plaatsen van eenvoudig naar complex. Dat idee is in het verleden ook wel misbruikt om racistische gedachten te ondersteunen: simpele talen worden gesproken door simpele mensen. Bovendien is het idee van relatieve eenvoud in tegenspraak met wat we vinden: kinderen over de hele wereld doen er in grote lijnen even snel over om hun moedertaal te leren.

Aan de andere kant is het ook weer niet zo’n gekke gedachte dat een taal op een bepaalde schaal eenvoudiger wordt als buitenstaanders haar leren. Het is óók een ervaringsfeit dat veel naamvallen of ingewikkelde werkwoordvervoeging een taal moeilijker maakt als vreemdeling. Hier zit dus misschien een verschil tussen een taal leren als je moedertaal (L1 heet dat dan) of als vreemde taal (L2). Misschien zijn volwassenen minder goed in het leren van die eigenaardige kronkels die kinderen moeiteloos oppikken. Als er nu in een gemeenschap veel L2-sprekers komen, dan groeien nieuwe generaties L1-sprekers op terwijl ze veel ‘fouten’ horen. Die fouten maken het lastiger om dan het goede systeem alsnog op te pikken – je krijgt teveel tegenstrijdige informatie als kind. Op die manier zouden talen dus in ieder geval in sommige opzichten (zoals vervoeging en verbuiging) wel degelijk eenvoudiger kunnen worden. Verschillen tussen talen liggen dan niet aan de aangeboren intelligentie van de sprekers, maar aan de openheid van de samenleving.

Foto: (c) Livius.org

De eerste filosofen (6): Parmenides

ACHTERGROND - Even een waarschuwing: we zijn nu toegekomen aan misschien wel de moeilijkste denker uit de Oudheid. We gaan proberen te begrijpen wat metafysica is, en wat transcendente metafysica is. Veel mensen worden al gillend gek als ze die woorden horen. Misschien niet voor niets. Maar we gaan proberen het te begrijpen.

Het zijn kan niet veranderen

Aan het eind van die inmiddels bekende zesde eeuw voor onze jaartelling leefde in de stad Elea, niet ver van het huidige Napels, de filosoof Parmenides. Waarschijnlijk was Parmenides een leerling van Xenofanes, de filosoof die we eerder zagen die zoveel lol had om de Griekse goden. Parmenides kwam echter met een geheel eigen filosofie, die hij uitschreef in één lang gedicht. In dit gedicht beschrijft hij hoe ‘een godin’ hem onderwijst wat ‘de waarheid’ nu eigenlijk is.

Parmenides’ gedicht bleek een ware hersenbreker, waarvan de interpretatie anno nu nog eens extra lastig is omdat er slechts fragmenten van bewaard zijn gebleven. Het uitgangspunt is echter duidelijk: verandering is in werkelijkheid niet mogelijk. Iets dat is, kan volgens Parmenides niet zomaar veranderen in iets anders. En iets dat er niet is, is volgens Parmenides ook een onmogelijkheid. We kunnen niet eens aan ‘niets’ denken. Als we eraan denken, is het immers al iets. Om kennis te krijgen van de werkelijkheid, is het daarom volgens Parmenides een doodlopende weg om het niets als uitgangspunt te nemen.

Vorige Volgende