serie

Filosofie van de Oudheid

Foto: daisy.images (cc)

De eerste filosofen (3:) Thales van Milete en Anaximenes

Tijd der onwetendheid

ACHTERGROND - In de archaïsche periode was de wereld voor de Grieken nog grotendeels onontdekt. Hun wereld bestond uit weinig meer dan het Middellandse Zee-gebied. Geografische kennis ontbrak. Men had wel enige weet van wat er in het Nabije Oosten en Egypte aan de gang was. Richting het noorden leefden volgens de Grieken alleen barbaarse volken.

Naar wat zich boven hun hoofden, in de lucht en de hemel afspeelde, konden de Grieken bovendien alleen maar raden. En wat er zich onder hun voeten bevond? Geen idee. Ook hadden ze maar weinig instrumenten om zaken op micro- of macroniveau te onderzoeken.

Zij wisten dus eigenlijk bijna niets van de wereld zoals wij die nu kennen. Niets over de vorm van de aarde, van het leven daarop, en niets over de samenstelling.

Je zou kunnen denken dat dit frustrerend is. In de tijd waarover we nu spreken werd dit gebrek aan kennis kennelijk zo frustrerend, dat in de Griekse koloniën een grote wetenschappelijke nieuwsgierigheid ontstond. De eerste echte filosoof die wij kennen, was gelijk ook de eerste echte wetenschapper.

Thales van Milete

De allereerste Griekse denker die filosoof genoemd wordt is Thales van Milete. Hij leefde in de zevende en zesde eeuw voor onze jaartelling en aanschouwde het levenslicht zo’n vijftig jaar voor Pythagoras en Xenofanes. Zoals zijn naam al aangeeft, kwam hij uit Milete, een machtige Griekse stad aan de westkust van het huidige Turkije.

Foto: daisy.images (cc)

De eerste filosofen (2): Pythagoras

ACHTERGROND - Pythagoras. We kennen hem allemaal nog wel van zijn welbekende stelling, waarmee we de lengte van de zijden van een rechthoekige driehoek kunnen berekenen. Op basis van de lengte van twee zijden, berekent Pythagoras’ stelling de lengte van zijde nummer drie. Best handig in bijvoorbeeld de bouwkunde. Maar wie was deze man?

Wie was Pythagoras?

Pythagoras leefde net als Xenofanes in de zesde eeuw voor onze jaartelling. Over zijn leven doen de wildste verhalen de ronde. Hij is hoogstwaarschijnlijk geboren op Samos, en heeft vervolgens flink wat van de wereld gezien. Zo zou hij een flink deel van het Middellandse Zeegebied hebben verkend, en ook Perzië en Egypte hebben bezocht. Volgens sommige bronnen is hij zelfs tot in India gekomen. Maar hij zou ook geboren zijn met een gouden dijbeen, zijn tijd hebben verdreven met het verrichten van wonderen, en bovendien goddelijk zijn. We hoeven niet alles te geloven.

Wat we van Pythagoras weten is beperkt. De grap is dat we niet eens met zekerheid kunnen zeggen of Pythagoras zelf zijn bekende stelling wel heeft bedacht, of dat die op het conto van een van zijn volgelingen kan worden gezet. Binnen zijn beweging was het namelijk heel normaal dat iedere briljante vondst aan de meester zelf werd toegeschreven. Dus wellicht heeft Pythagoras zitten pronken met andermans veren.

Foto: daisy.images (cc)

De eerste filosofen (1): Xenofanes

ACHTERGROND - Als mensen worden geconfronteerd met verschillende soorten geloven en gebruiken, ligt het voor de hand dat zij stil gaan staan bij het nut van en de redenen achter die gebruiken. De eerste filosofen waren dan ook vaak reizigers: vluchtelingen en rondtrekkende handelaars, die veel van de toenmalige wereld hadden gezien.

Xenofanes: de eerste empirist

Eén van de vroegste reizende filosofen was Xenofanes. Hij leefde vijf eeuwen voor onze jaartelling en werd geboren in een Griekse stad aan de westkust van het huidige Turkije. Hij vluchtte voor Perzisch oorlogsgeweld naar een Griekse kolonie op Sicilië en leefde vervolgens in verschillende Griekse handelssteden in zuidelijk Italië. Zodoende kreeg hij veel van de verschillende Griekse culturen te zien.

Xenofanes stak openlijk de draak met de Griekse kijk op religie. Hij maakte zich er vrolijk over dat de goden er net zo uitzagen als mensen: met een stem, een gestalte, met menselijke kleding en werktuigen. Sterker nog: ieder volk geloofde dat de goden eruit zagen als zijzelf. Zo hadden de Ethiopische volken zwarte goden met stompe neuzen, en de volken uit het noorden hadden weer goden met blauwe ogen en rood haar. Dat vond Xenofanes reuze komisch. Als ossen, paarden en leeuwen handen bezaten en kunstwerken konden scheppen, grapte hij, zouden ze waarschijnlijk goden verzinnen die eruit zien als ossen en paarden en leeuwen.