Waar gaat Nederland heen met de minister-president?

In het Kamerdebat gisteren over de Provinciale Statenverkiezingen zaten in vak-K, naast Mark Rutte, ook de drie vicepremiers. Toen het tijd was voor de antwoordtermijn, sprak Rutte: Zoals ik al zei (...) aan het einde van de eerste termijn van de Kamer, is het kabinet voornemens dat ik de vragen beantwoord, omdat vicepremiers staatsrechtelijk natuurlijk alleen een rol hebben als ik er niet ben. Maar ik ben er, dus zij hebben hier geen rol. Er was een verzoek van de Kamer om ze erbij te hebben, dus daarom zijn ze erbij. Ze zijn er niet om ook nog wat te gaan zeggen. Dat is om goede staatsrechtelijke redenen. Voor het Montesquieu Instituut schreef  Mr. Rein Jan Hoekstra deze analyse over de rol van de minister-president. De minister-president is meer dan een primus inter pares. Hij heeft meer mogelijkheden om bij zwakke, tegenstribbelende of tekortschietende ministers te interveniëren dan premier Rutte voorstelt. ‘Minister-president kom uit uw schulp!’ In de recente maanden heb ik, of ik het wilde of niet, weer veel nagedacht over het ambt van minister-president en dan vooral de vervulling daarvan. De eerste gebeurtenis was het weglopen van het gehele kabinet uit de Tweede Kamer bij de Algemene Politieke Beschouwingen. De zogenaamde APB plegen al sinds jaar en dag het hoogtepunt te zijn van het parlementaire jaar. Het kabinet legt verantwoording af voor het naar zijn oordeel te voeren beleid, zoals neergelegd in de Troonrede en in de Rijksbegroting. Hoe verwerpelijk de verdachtmaking van Forum voor Democratie ook was naar minister Kaag toe, dit had niet mogen gebeuren. Het had voor de hand gelegen dat de minister-president de voorzitter van de Kamer had gevraagd of deze stoot onder de gordel door een fractievoorzitter door de beugel kon. Hij had vervolgens schorsing kunnen vragen van het debat in de Kamer voor nader beraad in het kabinet. Nu brak echter chaos uit en daarmee leed het aanzien van het kabinet en de Tweede Kamer schade. De tweede gebeurtenis is de inhoud van het rapport van de parlementaire enquêtecommissie gaswinning in Groningen. Opvallend in de bevindingen is het gebrek aan optreden van de voorzitter van de ministerraad. Had het niet voor de hand gelegen, nadat hij twee keer excuus had aangeboden voor de gang van zaken met name bij de versterking, dat hij het initiatief had genomen tot actief optreden van het kabinet om te komen tot bespoediging van de aanpak en de oplossing van de problemen. Om niet op één nacht ijs te schaatsen, ben ik even in de geschiedenis gedoken: hoe zit het ook alweer? 1. Drees Op 14 mei 1988 overleed Willem Drees, een van de meest markante naoorlogse politici en minister-president tussen 1948 en 1958. Het erfgoed van Drees was en is indrukwekkend. De christendemocraten kozen voor samenwerking met de sociaaldemocraten. Dit leidde tot de totstandkoming van brede basiskabinetten. De kracht van Drees lag in het bijeenhouden van die brede basis gedurende tien jaren. Zo schiep hij de voorwaarden voor het nemen van belangrijke maatregelen tijdens de periode van wederopbouw na de oorlog. Hij was geen man die tot de verbeelding sprak. Hij was een bestuurder met beginselen, maar zonder bevlogenheid. Hij had vertrouwen ook bij zijn tegenstanders, omdat hij presteerde en degelijk was. Hij ging na tien jaar weg toen de wederopbouw vrijwel voltooid was en er een einde kwam aan de brede basiskabinetten. Drees had een bescheiden opvatting van het ambt van minister-president. Aan het ambt van minister-president zijn geen bevoegdheden verbonden, behalve die van voorzitter van de ministerraad. De minister-president kan weinig of geen initiatieven nemen, aldus Drees; dit is aan de vakministers voorbehouden. Ondanks deze bescheiden opvatting van het ambt, wordt hij gezien als een groot minister-president. Omdat hij als voorzitter van de ministerraad mede dankzij zijn grote dossierkennis, gedurende de brede basiskabinetten, presteerde en het vertrouwen had, ook van zijn politieke tegenstanders en omdat hij ervoor zorgde dat de ministers presteerden. 2. Kuyper Een minister-president die een minder bescheiden opvatting had van het ambt was Abraham Kuyper. Hij trad op als primus. Hij werd voor vier jaren benoemd tot voorzitter van de ministerraad. In die tijd (1901-1905) een unicum. Voordien werd de voorzitter van de ministerraad regelmatig voor drie maanden benoemd. In een debat in 1902 met de Eerste Kamer licht de regering een en ander toe. Zij geeft toe dat het reglement van orde van de ministerraad als regel bepaalde dat het minister-presidentschap bij toerbeurt door de ministers werd vervuld. Maar in de praktijk zou het voorzitterschap van de ministerraad permanent zijn, omdat de betrokken ministers in de regel afzagen van het minister-presidentschap. Het premierschap van Kuyper stuitte op achterdocht. Sommigen zagen het als een stap achterwaarts, een bedreiging van de collectieve verantwoordelijkheid en een bedreiging van zijn zelfstandigheid ten opzichte van de koning. Het Vaderland schreef spottend dat het kabinet-Kuyper homogeen was in deze zin dat dr. Kuyper de homo en zijn ambtgenoten geen waren. Bij Koninklijk Besluit van 27 september 1905, nr. 59 wordt het zogenaamde premierschap afgeschaft; er wordt bepaald dat de raad uit zijn midden een voorzitter en ondervoorzitter kiest voor de tijd van één jaar. Aan de voorzitter van de raad werd zelfs het “recht” ontzegd namens alle ministers in de Kamer het woord te voeren bij de Algemene Politieke Beschouwingen. Elke minister individueel voerde voortaan het woord. Zeer nadrukkelijk sprak men in deze tijd van “tijdelijk” voorzitter van de Raad van Ministers. In 1922 wordt het gebruik van dit adjectief afgeschaft. Maar het gebruik van de aanduiding minister-president werd als controversieel gezien. 3. Colijn Nog in 1933 kreeg Colijn de vraag gesteld welke staatsrechtelijke betekenis moet worden gehecht aan het gebruik van deze term. Het antwoord van Colijn luidde – heel bescheiden, maar ook nu nog herkenbaar - dat de term “minister-president” slechts is te beschouwen als een door het spraakgebruik geijkte verkorting voor de aanduiding van de voorzitter van de Raad van Ministers. Met deze bescheiden opvatting kon de Kamer uit de voeten. Maar in 1936 zie je een kentering in het oordeel van de Kamer. Tot dan toe pleegde de voorzitter van de ministerraad ook het ministerschap te vervullen van een vakdepartement. Zoals Binnenlandse Zaken en Koloniën. De Kamer vroeg in 1936 aan Colijn, tevens minister van Koloniën en minister van Oorlog, of de leider van het kabinet, in het bijzonder in de huidige tijdsomstandigheden, door zijn arbeid als zodanig niet zo zwaar wordt belast dat hem onvoldoende gelegenheid blijft voor de leiding inzake met name de koloniale aangelegenheden. De Kamer vond eigenlijk dat de minister-president maar minister zonder portefeuille moest worden. Colijn had daar een andere opvatting over. Op 25 juni 1937 vroeg hij aan de Raad van State advies over de instelling van een klein departement van algemeen bestuur, dat de naam zal dragen van Ministerie van Algemene Zaken. Het nieuwe departement kwam er bij Koninklijk Besluit van 3 juli 1937. Interessant zijn de taken van de minister van Algemene Zaken, namelijk de zorg voor de zaken betreffende: a. de samenstelling van de hoofdstukken I (Huis der Koningin) en II (Hoge Colleges van Staat en Kabinet der Koningin) en het beheer van deze hoofdstukken; b. het voorzitterschap van de Eerste en Tweede Kamer der Staten Generaal; c. het vice-presidentschap en het lidmaatschap van de Raad van State en het lidmaatschap van de Algemene Rekenkamer; d. de behandeling van adelszaken en wapens van publiekrechtelijke lichamen; e. de ridderorden; f. de regeringspersdienst. 4. Schermerhorn In de Londense periode kwam er in plaats van Algemene Zaken een nieuw ministerie: het ministerie voor Algemene Oorlogsvoering van het Koninkrijk. Na de oorlog vormde Schermerhorn het ministerie om tot een politiek kabinet van de minister-president. Schermerhorn had een duidelijke visie op de rijksoverheid. Daarin paste een sterke minister-president. Deze moest niet alleen coördineren maar tevens leiding geven, stimuleren en zo nodig richting bepalen. Ongetwijfeld heeft deze opvatting bijgedragen aan het elan waarmee het puin van de oorlog is geruimd en het herstel op gang is gebracht. 5. Beel In juli 1946 wordt het ministerie voor Algemene Oorlogsvoering van het Koninkrijk opgeheven en daarmee ook het ministerie van Algemene Zaken. Beel trad op als minister-president en trad als zodanig ook op als minister van Binnenlandse Zaken. Hij deelde niet de opvatting van Schermerhorn over het premierschap. Hij benadrukte de individuele ministeriële verantwoordelijkheid. Ondanks deze opvatting werd het ministerie van Algemene Zaken weer ingesteld in 1947. De Indonesiëkwestie leidde tot zo’n belasting, dat het minister-presidentschap en ministerschap van Binnenlandse Zaken niet meer te combineren waren. De taak van het departement luidt sindsdien: “de zorg voor zaken betreffende het algemene regeringsbeleid van het koninkrijk, voor zover deze zorg niet bepaaldelijk wordt behartigd door één der andere departementen van algemeen bestuur.” Zoals gezegd kreeg de minister-president, als minister van Algemene Zaken in 1937 de verantwoordelijkheid toegekend voor het functioneren van de Hoge Colleges van Staat, waaronder Tweede en Eerste Kamer, en voor het functioneren van het koningschap. Voor zover de zorg voor deze instituten niet bepaaldelijk wordt behartigd door een der andere departementen, berust deze verantwoordelijkheid nog steeds bij de minister-president, minister van Algemene Zaken. 6. De wijziging van de Grondwet in 1983 In de jaren zestig kwam de discussie over de inhoud van de Grondwet op gang. De positie van de minister-president en de ministerraad kwamen daarbij onder het vergrootglas te liggen. De commissie Cals/Donner boog zich onder meer over de vraag of de minister-president direct moet worden verkozen. De commissie vond zich in het compromis van de gekozen formateur. Bij de uitwerking van de vele voorstellen van de commissie tot grondwetsherziening werd wel besloten dat de ministerraad en de minister-president als ambt en orgaan van de staat in de Grondwet werden opgenomen. De overweging, die hieraan ten grondslag lag was dat de ministerraad en de minister-president in de loop der jaren fundamentele elementen van ons staatsbestel zijn geworden. Art. 45 Grondwet 1983 luidt: 1. De ministers vormen tezamen de ministerraad. 2. De minister-president is voorzitter van de ministerraad. 3. De ministerraad beraadslaagt en besluit over het algemeen regeringsbeleid en bevordert de eenheid van dat beleid. De verankering in de Grondwet schept verplichtingen met betrekking tot de verantwoordelijkheid van minister-president en ministerraad. 7. Reglement van orde van de ministerraad 1994 De verantwoordelijkheid van beide – minister-president en ministerraad – wordt vervolgens meer inhoud gegeven door het reglement van orde van de ministerraad. In het licht van de grondwetsherziening 1983 is in 1994 een nieuw reglement van orde tot stand gekomen. In dit reglement zijn belangrijke bepalingen vervat voor de taak van de minister-president. Ik noem de belangrijkste. In art. 7 is de agenderingsbevoegdheid neergelegd: “de minister-president kan indien een aangelegenheid door een minister die daarvoor in de eerste plaats verantwoordelijk is, niet in de raad aan de orde wordt gesteld, zelf zorg dragen voor de indiening van deze aangelegenheid bij de raad.” In art. 16 is de verantwoordelijkheid van de minister-president voor de samenhang in het regeringsbeleid neergelegd: “De minister-president ziet toe op de totstandkoming van een samenhangend regeringsbeleid.” Met deze bepalingen is de minister-president de status van slechts primus inter pares ontstegen. Zijn grondwettelijke positie legde daarvoor al de grondslag. Hij is bij uitstek de exponent geworden van de collegiale verantwoordelijkheid van de ministers. In materiële zin is hij de regeringsleider geworden, zoals ook zijn collega’s in de Europese Raad van regeringsleiders. 8. De minister-president meer dan primus inter pares Die rol wordt nog geaccentueerd door de verantwoordelijkheden, die hij draagt uit hoofde van het voorzitterschap van de ministerraad annex minister van Algemene Zaken. Ik noemde al zijn verantwoordelijkheid voor het aanzien van de nationale instituties, zoals het koningschap, de Tweede en Eerste Kamer en andere Hoge Colleges van Staat. Dit zijn verantwoordelijkheden die uit de Grondwet voortvloeien, dan wel uit de aard der zaak verbonden zijn aan het minister-presidentschap. Zo nodig kan de minister-president zaken die de nationale instituties raken agenderen in de ministerraad. Hij kan deze aangelegenheden ook aan de orde stellen in de Staten-Generaal en zo een debat initiëren in de Kamers. Niet onbelangrijk is dat de huidige en langst zittende minister-president veel meer dan zijn (verre) voorgangers het boegbeeld is van het kabinet. Hij formuleert de conclusies van in de ministerraad besproken onderwerpen, licht ze toe in persconferenties na afloop van de ministerraad en het daarop volgende televisie-interview. Hij drukt als het ware zijn stempel op het te voeren beleid en hij legt daarover verantwoording af. 9. Minister-president, kom uit uw schulp Belangrijke zaken, zoals de veiligheid van de kroonprinses, het aanzien van en respect voor onze nationale instituties, behoeven vaak een bredere aandacht dan alleen maar binnen het beperkte bereik van de behandeling van een begrotingsbehandeling. De minister-president heeft een belangrijke taak als hoeder van de staatkundige zeden en gewoonten. Ik besef dat deze taak in het reglement van orde geen uitdrukkelijke grondslag heeft. Maar deze taak kan onder omstandigheden nodig blijken. Ook wat dat betreft moet de minister-president de durf hebben uit zijn schulp te komen. Het bevorderen van parlementair debat over de stand van en de handhaving van de parlementaire zeden en gewoonten, kortom over de spelregels van de democratie, kan noodzakelijk zijn. Staatscommissies kunnen adviseren, maar het echte werk moet gebeuren binnen de betrokken instituties. Uit het bovenstaande moge duidelijk zijn geworden, dat de minister-president, gelet op de status van zijn ambt en de uitdrukkelijke bevoegdheden die het reglement van orde hem toekent, voldoende mogelijkheden heeft te interveniëren waar individuele ministers niet tot actie zijn gekomen. Ik wijs op de agenderingsbevoegdheid ex art.7 en op art. 16: het toezicht van de minister-president op de totstandkoming van een samenhangend regeringsbeleid. Aan samenhang heeft het ontbroken in het beleid ten aanzien van Groningen. Alleen al daarom was optreden van de minister-president geboden. In het verslag van zijn gehoor door de enquêtecommissie, legt de minister-president de nadruk op de totstandkoming van de eenheid van beleid en op de individuele verantwoordelijkheid van ministers. Art. 7 en art. 16 gaan verder dan dat. Zij bevatten geen aanwijzingsbevoegdheid van de minister-president, maar zij leggen wel een actieve verantwoordelijkheid van de minister-president vast voor het wel of niet ingrijpen in dossiers, die stagneren. De enquêtecommissie is diep ingegaan op de achtergronden van die stagnatie. Hoofdlijn is het gebrek aan afstemming van beleid departementaal en interdepartementaal, beïnvloed door de inrichting van het zogenaamde Gasgebouw. Een minister-president zoals Drees had zelfs met zijn bescheiden opvatting van het ambt dit niet over zijn kant laten gaan. Het nemen van verantwoordelijkheid vloeit voort uit het ambt zelf: de ministerraad, dus ook de individuele ministers, behoort te presteren, zorgvuldig en adequaat voor de betrokken burgers. Dit artikel verscheen eerder bij het Montesquieu Instituut. Mr. R.J. Hoekstra is oud-lid van de Raad van State. Eerder was hij secretaris-generaal van het Ministerie van Algemene Zaken, het 'ministerie' van de minister-president.

Foto: no one cares on Unsplash

Landbouwinnovaties overlaten aan de markt, moet en kan het anders?

We innoveren erop los om efficiënter voedsel te produceren. Maar vernieuwende technologieën zoals de genetische modificatie van gewassen hebben een keerzijde: grote commerciële boerenbedrijven profiteren en kleinere, arme boeren blijven achter. Hoe creëren we een voedselsysteem dat niet alleen duurzamer is maar óók eerlijker is?

Ontbossing, verlies van biodiversiteit door monocultuur, chemische vervuiling door pesticiden en klimaatverandering. De lijst met uitdagingen voor ons voedselsysteem lijkt oneindig. Tegelijkertijd heeft de wereld steeds meer monden te voeden. Hoe lossen we dat op? “Vrijwel iedereen is het erover eens dat innovatie een belangrijke bron is om deze uitdagingen aan te gaan,” benadrukt innovatiewetenschapper dr. Koen Beumer.

Zo zorgen robotisering en automatisering van de landbouw ervoor dat ons land inmiddels 24 uur per dag bewerkt kan worden. Genetische modificatie verbetert onze landbouwgewassen door ze bijvoorbeeld ziekteresistent te maken, en met vleesvervangers proberen we de vleesindustrie drastisch te verminderen. Maar deze voedselinnovaties hebben een keerzijde, vertelt Beumer. Ze worden voornamelijk ontwikkeld via het marktsysteem gericht op het Westen. “En dat werkt ongelijkheid in de hand.”

Een tekortschietende markt

Hoe werkt dat precies? Voor het ontwikkelen en verspreiden van deze landbouwinnovaties is het marktsysteem erg effectief gebleken. “De markt is een specifiek soort economie waarbij goederen en diensten worden uitgewisseld met het gebruik van geld”, legt Beumer uit. Voor het ontwikkelen van nieuwe landbouwinnovaties, is winstmaximalisatie hierdoor de belangrijkste drijfveer. Nieuwe technologieën moeten dus geld opleveren en dat zijn ze vooral als ze op grote schaal ingezet kunnen worden.

Doe het veilig met NordVPN

Sargasso heeft privacy hoog in het vaandel staan. Nu we allemaal meer dingen online doen is een goede VPN-service belangrijk om je privacy te beschermen. Volgens techsite CNET is NordVPN de meest betrouwbare en veilige VPN-service. De app is makkelijk in gebruik en je kunt tot zes verbindingen tegelijk tot stand brengen. NordVPN kwam bij een speedtest als pijlsnel uit de bus en is dus ook geschikt als je wil gamen, Netflixen of downloaden.

Steun ons!

De redactie van Sargasso bestaat uit een club vrijwilligers. Naast zelf artikelen schrijven struinen we het internet af om interessante artikelen en nieuwswaardige inhoud met lezers te delen. We onderhouden zelf de site en houden als moderator een oogje op de discussies. Je kunt op Sargasso terecht voor artikelen over privacy, klimaat, biodiversiteit, duurzaamheid, politiek, buitenland, religie, economie, wetenschap en het leven van alle dag.

Om Sargasso in stand te houden hebben we wel wat geld nodig. Zodat we de site in de lucht kunnen houden, we af en toe kunnen vergaderen (en borrelen) en om nieuwe dingen te kunnen proberen.

Foto: marcovdz (cc)

Franse stakers geven niet op

Het protest tegen de verhoging van de pensioenleeftijd van 62 naar 64 jaar in Frankrijk leidde deze week al weer tot de tiende algemene stakingsdag van dit jaar. Het huisvuil wordt nu opgeruimd, maar de acties gaan als het aan de bonden ligt volgende week gewoon verder. Ondanks de uitnodiging van premier Elizabeth Borne aan de bonden voor een gesprek. De Franse regering heeft de woede van de demonstranten flink aangewakkerd door de pensioenwet buiten het parlement om door te drukken. Wat drijft de demonstranten om te blijven protesteren tegen langer werken terwijl in veel omringende landen de pensioenleeftijd al lang verhoogd is?

Klassenstrijd of psychodrama

Vergelijking van pensioenen in verschillende landen is lastig. De grote verschillen in pensioenstelsels maken het al jaren lastig om binnen de EU op dit punt tot harmonisatie te komen. In Frankrijk beargumenteert Macron de pensioenhervorming door te wijzen op de de algemene verhoging van de gemiddelde levensduur en de steeds hogere kosten voor de staatskas. De Fransen hebben daar vooralsnog geen boodschap aan. Ze vinden dat ze zelf al genoeg betalen. In Frankrijk is de pensioenbijdrage hoger dan het OESO-gemiddelde. En ze willen zo lang mogelijk genieten van een leven zonder werkverplichtingen. Sociologen merken op dat Fransen weinig plezier halen uit hun werk, door de relatief lange werkdagen, de sterk hiërarchische structuren waardoor mensen vaak weinig autonoom kunnen werken, en een sinds de Franse Revolutie ingebakken weerstand tegen autoriteit.

Foto: Juan Enrique Gilardi (cc)

Laat links BBB de hand reiken

COLUMN - Het stikstof-dossier lijkt Nederland in een impasse te brengen. Een wat onverwachte samenwerking kan het begin van een oplossing zijn.

Als Rutte erop uit was ons weer even te doen vergeten met wat voor problemen hij Nederland allemaal heeft opgezadeld dan is hij daar in geslaagd. Een scheefgegroeide woningmarkt, een disfunctionerende belastingdienst, een schreeuwend lerarentekort, maar natuurlijk vooral de behandeling van Groningers, van ouders in het toeslagenschandaal en van vluchtelingen. Maar al die onder zijn leiding veroorzaakte problemen worden nu aan het zicht onttrokken door het stikstof-dossier. En vooralsnog wijst niets erop dat Rutte bij machte is om ons daaruit te halen.

Over links of over rechts?

Over links, of over rechts. Daar ging het in de duidingen van de verkiezingen over. Maar misschien wel het beste antwoord op de vraag hoe we uit deze impasse komen is over links en over rechts.

Linkse partijen en de (kiezers van de) BBB hebben meer raakvlak dan je op het eerste gezicht zou denken. Want voor welke mensen verwacht je dat linkse partijen opkomen? Voor de kleine man of vrouw die niet word gehoord en die niet kan opboksen tegen de grote maatschappelijke en economische krachten waar hij of zij geen invloed op heeft? Als ik Josse de Voogd zo goed parafraseer dan zijn dat de mensen die ook aangetrokken worden door de BBB.

Lezen: Venus in het gras, door Christian Jongeneel

Op een vroege zomerochtend loopt de negentienjarige Simone naakt weg van haar vaders boerderij. Ze overtuigt een passerende automobiliste ervan om haar mee te nemen naar een afgelegen vakantiehuis in het zuiden van Frankrijk. Daar ontwikkelt zich een fragiele verstandhouding tussen de twee vrouwen.

Wat een fijne roman is Venus in het gras! Nog nooit kon ik zoveel scènes tijdens het lezen bijna ruiken: de Franse tuin vol kruiden, de schapen in de stal, het versgemaaide gras. – Ionica Smeets, voorzitter Libris Literatuurprijs 2020.

Foto: BoerBurgerBeweging, CC BY-SA 4.0 , via BoerBurgerBeweging, CC BY-SA 4.0 , via Wikimedia Commons.

‘Lientje’ contra TINA

COLUMN - van Prof.Dr. Joop van den Berg

De kop boven dit verhaal suggereert een gevecht van twee vrouwen, maar het ligt iets anders. Met ‘Lientje’ wordt Caroline van der Plas bedoeld, die in de wandeling de koosnaam Lientje heeft gekregen. TINA is helemaal geen vrouw maar de afkorting van een begrip dat onder Margaret Thatcher in het Verenigd Koninkrijk in zwang raakte: ‘There Is No Alternative’. Maar die TINA heeft overal school gemaakt.

Waar BBB met zoveel succes tegen is opgekomen, is de houding van kabinet en coalitie die de suggestie wekt dat voor zijn beleid, niet alleen op het terrein van de vermindering van stikstof, geen alternatief bestaat. Het is de houding van de vader die vermanend spreekt: doe nu maar wat je gezegd wordt. Het zijn vooral de provincies die deze bevelen moeten opvolgen, maar zonder de zekerheid dat wat zij aan voorwerk verrichten ook door het kabinet wordt gehonoreerd. De houding is die van TINA, maar de werkelijkheid is dat althans het ministerie van Landbouw nog absoluut niet weet wat er moet gebeuren. Uit peilingen blijkt dat kiezers dat ook wel door hebben. Het hoofdprobleem is, zo vinden zij, de geringe kwaliteit van de meeste ministers.

Er is nog een tweede reactie die in deze Statenverkiezingen zichtbaar is geworden en die minstens van zulk gewicht is als de grote winst van BBB: de volledige versplintering van de provinciale parlementen. (De cijfers daarover dank ik aan de Limburgse oud-gedeputeerde Joost van den Akker, die het vorige week allemaal snel uitploos.) Het aantal partijen met één zetel in de diverse Staten is toegenomen van 24 tot 36. Het totale aantal in Staten verkozen partijen is gestegen van 148 tot 173. De groei van BBB heeft de versplintering dus niet in de weg gestaan. Zo hebben Friesland (totaal 43 zetels) en Zeeland (totaal 39 zetels) elk zes fracties met één zetel. Mede als gevolg daarvan heeft straks de Eerste Kamer op een totaal van 75 zetels 16 fracties, waarvan 3 met één zetel. Ook dat is een vorm van weerstand tegen TINA, maar wel een nogal vruchteloze.

Foto: Flickr CC BY-NC 2.0 by Rasande Tyskar rethink capitalism Corona times Hamburg

‘Hoeveel machtsongelijkheid willen we toelaten?’

door Duane van Diest en Noa Harmsen, eerder verschenen in het themanummer van idee-magazine (tijdschrift voor het sociaal-liberalisme) over Liberalisme in crisis (oktober 2022)

Het denken van de Duitse politiek filosoof Lisa Herzog bevindt zich op het snijvlak van politieke theorie en economie. Ze noemt het bovendien de ‘activistische kant van haar werk om gaten te slaan in de economische aannames van mensen’.[1] Voor Idee spreken we haar over de vraag of het liberalisme in crisis is. In ons gesprek wijst Herzog op een blinde vlek van liberalen vandaag: macht. ‘Ik denk dat het liberalisme zich meer moet gaan focussen op het beschermen van onze vrijheden tegen private machten.’

Dat het liberalisme momenteel onder vuur ligt, herkent Herzog wel. ‘Ik merk dat het in sommige academische kringen best lastig is om vast te houden aan een idee van liberalisme dat armoede en klimaatrechtvaardigheid serieus neemt’, vertelt ze. ‘Je wordt er al gauw van verdacht eigendomsrechten en de rechten van grote bedrijven belangrijker te vinden. Maar in mijn perspectief hebben die rechten weinig te maken met de vrijheden van alle mensen als burgers, wat ik opvat als de kern van het liberalisme.’

Net als in haar werk, blijft Herzog het liberalisme tijdens ons gesprek steevast verdedigen, maar dan wel als een breed begrip. ‘Sommige mensen definiëren liberalisme als het vrij zijn van overheidsbemoeienis. In dat begrip gaat liberalisme hand in hand met een focus op de markt. Dat is een te smalle opvatting’, zegt Herzog. ‘Ik begrijp het liberalisme liever als een politieke traditie waarin een reeks rijke en complexe vrijheden voor alle leden van een maatschappij centraal staat, die mensen in staat stelt om een autonoom leven te leiden.’ Ze noemt het liberalisme dan ook een ‘aspirerend’ concept: iets om naar te streven, maar dat nooit volledig kan worden bereikt. ‘Dergelijke concepten worden vaak geloofd in crisis te zijn, omdat niet wordt bereikt wat we willen bereiken. Het volgt hetzelfde patroon als bijvoorbeeld het debat over de crisis van de democratie.’

Doneer!

Sargasso is een laagdrempelig platform waarop mensen kunnen publiceren, reageren en discussiëren, vanuit de overtuiging dat bloggers en lezers elkaar aanvullen en versterken. Sargasso heeft een progressieve signatuur, maar is niet dogmatisch. We zijn onbeschaamd intellectueel en kosmopolitisch, maar tegelijkertijd hopeloos genuanceerd. Dat betekent dat we de wereld vanuit een bepaald perspectief bezien, maar openstaan voor andere zienswijzen.

In de rijke historie van Sargasso – een van de oudste blogs van Nederland – vind je onder meer de introductie van het liveblog in Nederland, het munten van de term reaguurder, het op de kaart zetten van datajournalistiek, de strijd voor meer transparantie in het openbaar bestuur (getuige de vele Wob-procedures die Sargasso gevoerd heeft) en de jaarlijkse uitreiking van de Gouden Hockeystick voor de klimaatontkenner van het jaar.

Lezen: Bedrieglijk echt, door Jona Lendering

Bedrieglijk echt gaat over papyrologie en dan vooral over de wedloop tussen wetenschappers en vervalsers. De aanleiding tot het schrijven van het boekje is het Evangelie van de Vrouw van Jezus, dat opdook in het najaar van 2012 en waarvan al na drie weken vaststond dat het een vervalsing was. Ik heb toen aangegeven dat het vreemd was dat de onderzoekster, toen eenmaal duidelijk was dat deze tekst met geen mogelijkheid antiek kon zijn, beweerde dat het lab uitsluitsel kon geven.

Foto: jasbcor (cc)

Oorlogspropaganda van de Nederlandse regering

Deze week wordt met gemengde gevoelens teruggekeken op de oorlog in Irak die de VS twintig jaar geleden begonnen. Om die oorlog in maart 2003 te legitimeren en mogelijk te maken, werd door de VS een massieve propagandacampagne opgetuigd. Deze was gericht tegen de eigen bevolking, die met misleiding en bedrog tot steun aan een illegale oorlog werd gemanipuleerd. Twintig jaar na dato zijn de Amerikaanse leugens genoegzaam bekend; minder aandacht is uitgegaan naar propagandagebruik door de Nederlandse regering. Jip van Dort blikt terug.

De Amerikaanse desinformatie was georganiseerd rond twee thema’s: massavernietigingswapens (MVW) en banden met de jihadistische organisatie Al Qaida, die verantwoordelijk was voor de aanslagen op 11 september 2001. Vanwege het bezit van chemische, biologische en mogelijk zelfs nucleaire wapens en de bereidheid om deze te delen met aanslagplegers werd Irak opgevoerd als een grote en acute dreiging, voor de gehele wereld. Daar moest snel iets aan gedaan worden, was de boodschap, maandenlang. Meerdere studies geven enig zicht op de omvang van deze propaganda.

Een rapport uit het Amerikaanse Huis van Afgevaardigden concludeerde in maart 2004 dat vijf sleutelfiguren, waaronder president Bush en een aantal ministers, zeker 237 misleidende verklaringen de wereld in hadden gestuurd. De Amerikaanse president stelde bijvoorbeeld dat Irak pogingen ondernam om uranium uit Afrika te importeren, dat nodig is om kernwapens te maken. Vicepresident Cheney stelde dat Irak een gevestigde relatie met Al Qaida had.1

Foto: Flickr CC BY-NC 2.0 by Rasande Tyskar rethink capitalism Corona times Hamburg

Vrijheid en markten in balans

van Willem Schramade, eerder verschenen in het themanummer van idee-magazine (tijdschrift voor het sociaal-liberalisme) over marktmacht (april 2021)

De term ‘vrije markt’ suggereert een simpele relatie tussen markten en vrijheden: vrijere markten zorgen voor meer vrijheid. Maar zo simpel is het niet. Markten faciliteren vrijheid slechts tot op bepaalde hoogte. Ze moeten goed gestructureerd worden om effectief te zijn. Markten zijn dus geen doel op zich, maar een middel om vrijheid te realiseren. Maar hoe zorg je ervoor dat het middel goed functioneert? Daar zijn zes richtlijnen voor te benoemen.

Wat Marx en de neoliberalen met elkaar gemeen hebben

In het neoliberale denken leiden minder markt en meer overheid automatisch tot minder vrijheid en efficiency. Het adagio is: overheid, ga aan de kant, dan komt alles goed. Zo zijn in naam van de vrijheid veel waardevolle instituties afgebroken, waaronder ook burgerlijke zelforganisatie buiten overheid en markt om – met alle schade van dien. Karl Marx zag hetzelfde lineaire verband maar dan omgekeerd: hoe meer markt, hoe meer ongelijkheid en onvrijheid. De in zijn naam uitgevoerde experimenten zijn dramatisch slecht afgelopen, met extreme vormen van staatsingrijpen. Kortom, beide visies hebben een grote blinde vlek voor de door hen gewenste situatie, maar zien scherp de gevaren van de ongewenste tegenovergestelde situatie.

Lezen: De BVD in de politiek, door Jos van Dijk

Tot het eind van de Koude Oorlog heeft de BVD de CPN in de gaten gehouden. Maar de dienst deed veel meer dan spioneren. Op basis van nieuw archiefmateriaal van de AIVD laat dit boek zien hoe de geheime dienst in de jaren vijftig en zestig het communisme in Nederland probeerde te ondermijnen. De BVD zette tot tweemaal toe personeel en financiële middelen in voor een concurrerende communistische partij. BVD-agenten hielpen actief mee met geld inzamelen voor de verkiezingscampagne. De regering liet deze operaties oogluikend toe. Het parlement wist van niets.

Foto: Sjoerd Luidinga (cc)

Doorpakken met stikstofreductie

ANALYSE - Het belangrijkste signaal van de afgelopen verkiezingen is dat de kiezer een hekel heeft aan onduidelijkheid en getreuzel

Na de afgelopen verkiezingen horen we velen beweren dat het nu gepast zou zijn pas op de plaats te maken met het stikstofbeleid voor de landbouw. Dat is echter precies de verkeerde conclusie.

Uitgesproken voor- en tegenstanders van stikstofreductie in de landbouw hebben zich in de eerste kamer volkomen gelijkwaardig verdeeld. Tegenover de 16 zetels in de eerste kamer voor BBB, die graag het beleid wil afzwakken, staan er bijna evenveel van GroenLinks en de PvdA, voor wie het allemaal niet snel genoeg gaat. Tegenover de 4 zetels van Wilders, die zijn hakken in het zand wil zetten, staat met hetzelfde aantal zetels de partij voor de Dieren, die het liefst de bio-industrie morgen helemaal wil afschaffen. En de SGP, die vooral niets wil veranderen, heeft één zetel minder dan Volt, die ook op dit dossier vooral juist veel en snel wil veranderen.

De zetels van Ja21, die geen verandering wil, staan qua aantal weer gelijk aan die van de SP, die de megastallen wil sluiten. En dan hebben we nog 50+ en de onafhankelijken, die beide over het hele stikstofvraagstuk zo vaag mogelijk verkiezen te doen. Kortom, uitgesproken voor- en tegenstanders van harde maatregelen in het stikstofdebat staan er na deze verkiezingen links en rechts van het kabinet precies even sterk voor.

Foto: Kasia (cc)

Machtswisseling in Polen nog ver weg

Paus Franciscus is ernstig in verlegenheid gebracht door een boek van de Nederlandse correspondent van Trouw Ekke Overbeek over zijn voorganger Johannes Paulus II. Het boek laat zien dat de voormalige paus, toen hij kardinaal was in Krakau, wist dat priesters onder zijn gezag kinderen misbruikten. Hij bezorgde hen andere functies, waarin ze in sommige gevallen nieuwe slachtoffers maakten. De aartsbisschop van Krakau, Marek Jedraszewski vergelijkt de onthullingen in het boek met de moordaanslag op de paus in 1981. Regeringspartij PiS kwam na de uitzending van een tv-documentaire waarin slachtoffers van het misbruik aan het woord kwamen direct in het geweer ter verdediging van hun Poolse paus. Premier Morawiecki liet een filmpje vervaardigen waarin hij zijn bewondering uit voor kardinaal Woytila. ‘Vandaag woedt niet alleen een oorlog voorbij onze oostgrens’, zegt de premier, terwijl op de achtergrond beelden te zien zijn van Johannes Paulus die mensenmenigten zegent. ‘Helaas zijn er kringen die proberen om in Polen niet een militaire, maar een oorlog om de beschaving te ontketenen.’ Horen we iets dergelijks niet ook wat verder naar het oosten?

Franciscus laat een ander geluid horen. Hij veroordeelt zijn voorganger niet direct, maar wijst op de context van de tijd. ‘In die periode werd alles nog in de doofpot gestopt.’ Maar, zo zegt de paus in hetzelfde gesprek, de katholieke kerk heeft wat hem betreft haar les geleerd. Sinds de misbruikschandalen in Boston, die in 2002 openbaar werden, heeft de kerk volgens de paus een nieuwe houding aangenomen bij misbruikgevallen. ‘De koe wordt bij de horens gevat.’

Vorige Volgende