Hoe de conservatieven wonnen
RECENSIE - Het was een kwart eeuw geleden. Hans Janmaat zat nog in de Tweede Kamer, samen met twee collega-Centrumdemocraten. Ze werden met de nek aangekeken – nieuwe nazi’s waren het, volgens velen. Maar de sfeer was ook aan het omslaan.
Negen jaar daarvoor wist Janmaat maar ternauwernood ontkomen aan een gewelddadige overval door linkse activisten op een CD-partijbijeenkomst in Kedichem. Zijn secretaresse (later zijn vrouw) Wil Schuurman raakte zwaar gewond; het hotelletje op de dijk brandde af. De eerste, wrede reacties van ‘net goed’ maakten daarna al snel plaats voor een gevoel van schaamte. Zoiets hoorde toch niet in Nederland.
En met het besef dat ‘de strijd tegen neonazi’s’ ook te ver kon gaan, groeide het besef dat Janmaat al die jaren misschien toch, zij het op schrille toon, een belangrijk probleem had aangekaart. De immer groeiende groep immigranten in de grote steden.
Verguisd, maar toch…
Desondanks werd Janmaats roep om een immigratiestop weggezet als discriminatie, als nazisme. En dat mocht nooit meer. De Tweede Wereldoorlog was inmiddels uitgegroeid tot het morele ijkpunt van de Nederlandse samenleving. Dat schiep duidelijkheid. Wij waren ‘goed’. Janmaat was ‘fout’.
Hoogtepunt in dit collectieve heldendom was de uitbreiding in 1983 van artikel 1 van de grondwet, op voorstel van CPN-voorman Marcus Bakker. Discriminatie was voortaan verboden ‘op welke grond dan ook’. Bakker (eigenlijk zelf ook maar nét politiek paria af) kreeg voor zijn amendement de ganse politiek mee. De toekomst was immers aan de multiculturele samenleving. Maar na 1990 sloeg de twijfel toe. De oude stadswijken werden islamitische enclaves. De oude bewoners klaagden of verhuisden, en vroegen zich af waarom ze eigenlijk nog op de bestaande partijen stemden.
