Marcel Hulspas

268 Artikelen
11 Reacties
Achtergrond: Jay Huang (cc)
Foto: The Integer Club (cc)

Gods schaduw

RECENSIE - Plots lijkt er iets mis te gaan. Na honderd pagina’s over de voorouders en de jonge jaren van sultan Selim moet de lezer onverwacht 150 pagina’s tot zich nemen over Columbus, de val van Granada, de ontdekking van Amerika en ga zo maar door. Pas daarna, rond pagina 250, pakt Alan Mikhail de draad weer op en komt Selim ‘de Grimmige’ aan de macht. Wat Mikhail de lezer (klaarblijkelijk) duidelijk wil duidelijk maken is dat de ontdekking van Amerika niet los kan worden gezien van de strijd van de Europeanen tegen de islam. Hij zal uitleggen hoe dat écht zit.

Voor wie een beetje ingevoerd is in de geschiedenis van Europa rond 1500, is dat een open deur. Iedereen weet dat Columbus zijn gevaarlijke plan om naar het Westen te varen, om zo het oosten te bereiken, aan het Spaanse koningspaar Ferdinand en Isabella probeerde te verkopen door te stellen dat hij zo contact kon leggen met de tegenstanders van de islam in Oost-Azië, waardoor de aartsvijand van Spanje ingesloten zouden worden. Columbus werd daarbij, zo blijkt uit zijn overvloedige papieren, gedreven door zijn obsessie om in navolging van de Portugezen grote ontdekkingen te doen. Hij schreef over zeereizen, getuigenverklaringen, kaarten, astronomie – maar vrijwel geen woord over de islam. Maar volgens Mikhail was Columbus een echte moslimhater. Al in zijn inleiding noemt hij Columbus een matamoros, een ‘morendoder’, en voegt daaraan toe (p.12):

Quack?! De eeuwige alternatieve werkelijkheid

ACHTERGROND - Beste Jona,

Dat zijn heel veel vragen die je daar opwerpt. Laat ik in deze eerste reactie maar aansluiten bij het eerste punt dat je maakt. Pseudowetenschap is van alle tijden. Nu heeft iedereen het over de ‘coronawappies’, maar laten we niet vergeten dat schokkende gebeurtenissen altijd aanleiding geven tot het ontstaan van een alternatieve werkelijkheid. Om niet te ver terug te gaan: de moord op Kennedy in 1963 leidde tot een bloeiende samenzweringsindustrie, en na 9/11 gebeurde hetzelfde.

Internet vergroot het fenomeen, maar is niet de oorzaak. In een open samenleving valt daar niets tegen te beginnen, en dat hoeft ook niet, in de meeste gevallen. Of we laten het erbij. Zestig procent van de Amerikanen gelooft dat achter de moord op Kennedy een complot schuil ging; polls omtrent 9/11 tonen een vergelijkbare argwaan. Hier en daar roept iemand dat het vreselijk is, maar eigenlijk maakt niemand die zich daar (nog) echt druk over.

De schadelijke alternatieve werkelijkheid

De vraag is wanneer die ‘alternatieve werkelijkheid’ écht schadelijk is. In het geval van corona lijkt daar sprake van te zijn. De twijfel gezaaid door ‘Viruswaarheid’ (bijgestaan door de traditionele antivaxers) leek de bereidheid om zich te laten vaccineren aan te tasten – en dat terwijl een dergelijke campagne pas effectief kan zijn als de overgrote meerderheid daartoe bereid is. Ik heb echter het vermoeden dat de beweging gedurende de afgelopen maanden aan kracht heeft ingeboet. Inmiddels laten de peilingen zien dat die meerderheid waarschijnlijk wel zal worden gehaald. Nog maar zo’n acht procent zegt dat ze vaccinatie zeker zal weigeren. Dat is te overzien.

Foto: Hindrik Sijens (cc)

Van bouwval tot kathedraal

RECENSIE - Vrijheid van godsdienst. Het was een mooi ideaal, maar de Nederlandse revolutionairen die in 1795 aan de macht kwamen, ontdekten al snel dat zoiets veel voeten in de aarde had. Bij de staatsregeling van 1798 werd besloten de banden tussen de gereformeerde Kerk en de staat door te snijden. Kerkgemeenten moesten voortaan zelf hun broek ophouden, en waren dus ook verantwoordelijk voor het onderhoud van hun kerken.

Tegelijkertijd echter klonk vanuit katholieke kring dat zij recht hadden op een groot aantal van de middeleeuwse fraaie kerken – die waren hen immers tijdens de Tachtigjarige Oorlog ontnomen. Katholieken hadden twee eeuwen lang genoegen moeten nemen met bedompte schuilkerkjes! Die eis klonk redelijk, maar het leverde een onoplosbaar probleem op want de in meerderheid protestantse bevolking voelde daar uiteraard niets voor. Het ‘restitutievraagstuk’ sleepte zich voort; Lodewijk Napoleon deed nog een poging een oplossing te vinden maar toen daar geen schot in zat hakte hij op 2 augustus 1808 de knoop definitief door: alle kerken werden eigendom van de daarin dienstdoende kerkelijke gemeente. Het was een grote overwinning voor de protestantse krachten.

Catharijneconvent

In één geval stuitte dat besluit op problemen. Dat betrof de Catharinakerk, in het hartje van Utrecht. Die was namelijk geen gemeentelijk bezit; ze hoorde toe aan de heren bestuurders van het Catharijneconvent. Dat was inmiddels allang geen klooster meer (net zoals de Catharina geen kloosterkerk meer was) maar was het stedelijke gasthuis. De overdracht had wat voeten in de aarde en de definitieve regeling kwam enigszins verlaat aan in Den Haag. Te laat. Lodewijk Napoleon was toen al door zijn broer aan de kant geschoven. De Bataafse Republiek was een deel van Frankrijk geworden en dus moesten de papieren naar Parijs. Of ze daar ooit op het juiste bureau zijn beland, is onbekend. Er kwam nooit antwoord. De regeling werd nooit goedgekeurd. De kerk bleef van het gasthuis.

Foto: Deutsche Fotothek‎, CC BY-SA 3.0 DE creativecommons.org licenses by-sa 3.0 de, via Wikimedia Commons

Wolfstijd

RECENSIE - ‘Zonder wrok of haat aan de dag te leggen, moet het gedrag van de Amerikanen kille vijandigheid en afkeuring uitdrukken. De Duitsers moet duidelijk worden gemaakt dat zij verantwoordelijk zijn voor de Tweede Wereldoorlog, en dat het hen niet vergeven dat ze andere volkeren onder hun heerschappij afschuwelijk hebben onderdrukt.’

Aldus een richtlijn voor Amerikaans militair personeel, even voor het einde van de oorlog. Verbroedering tussen de overwinnaars en de verslagen Duitsers moest te allen tijde voorkomen worden. Dat was de gulden regel. Een hand geven, snoep uitdelen, gezamenlijk feest vieren – het was allemaal verboden. Want álle Duitsers waren in principe schuldig aan de oorlog. Ze waren militaristisch en autoritair; ze hadden allemaal achter de Führer aangelopen en waren allemaal door het nazisysteem gehersenspoeld.

Ze hadden geen vriendelijk contact verdiend – en dat was misschien nog gevaarlijk ook. Wat dat betreft mochten de Russische soldaten veel meer. De Russische visie op Duitsers was gebaseerd op marxistische theorie. Die stelde dat het Duitse volk van arbeiders en boeren misleid was door de kapitalistische elite. Ze waren onderdrukt – en werden nu door de Russen bevrijd. Reden voor een gezamenlijk feestje!

Het geallieerde beeld van de Duitsers, gebaseerd op de pop psychology die ontstaan was rond de figuren van Hitler en ‘de Duitser’, hield zoals bekend niet lang stand. De Amerikaanse soldaten, die net hun strenge instructies hadden gehad, stonden stomverbaasd over de hartelijke ontvangst die hen overal ten deel viel (en dat terwijl men voor de Russische ‘bevrijders’ op de vlucht sloeg). Overal werden de Amerikanen als helden binnengehaald, en de samenwerking met ambtenaren en ondernemers liep van een leien dakje. Iedereen schakelde probleemloos over van hard werken voor de Führer naar hard werken voor de bezetter. Het Duitse volk had, zo leek het, een wonderbaarlijke transformatie ondergaan.

Foto: Kevin (cc)

Geef de burger-wetenschapper een taak!

OPINIE - Net als justitie en politie, zo zal ook de wetenschap moeten leren omgaan met het fenomeen van de burger die in zijn vrije tijd ‘onderzoek’ verricht. Hen de rug toekeren, draagt alleen maar bij aan het slechte imago van de wetenschap.

De wetenschap is door en door corrupt. Dat is de conclusie van Michiel C. de Jong, tegen het einde van zijn boek ‘De kermis, de slavenjacht en het einde van de wetenschap.’ Volgens De Jong is er sprake van (p. 250):

‘…grootschalig vooringenomen onderzoek. De vervalsing is diep doorgedrongen tot in de haarvaten van de universitaire organisaties. Op alle niveaus (…) blijken wetenschappers hun onderzoek uit te voeren vanuit ideologische postkoloniale standpunten. (…) De KNAW laat het afweten als ultieme hoeder van de kwaliteit en integriteit van de Nederlandse wetenschap. Zij is met onderzoeksinstituten als het Meertens Instituut, het IISG en het KITLV direct betrokken bij de wetenschappelijke misleiding.’

Dat zijn grote woorden. Maar ze klinken niet onbekend in de oren.

‘Viruswaarheid’ roept hetzelfde. Net als Willem Engel en consorten klopt ook De Jong al jaren tevergeefs op de poort van de ivoren toren der wetenschap. En die wetenschap weigert zijn werk serieus te nemen. De Jong ontdekte dat na publicatie van zijn eerdere boek ‘De komediant, de piraat en de geschiedvervalser’. Een boek over de oorsprong van Sinterklaas en Zwarte Piet. De Jong deed zijn uiterste best om daarvoor de aandacht te trekken maar kreeg overal de knip op de neus. Daar kun je boos om worden. Dan kun je zelfs vermoeden dat daar een complot achter schuilt. Een gevalletje ‘boze witte man’? Niks van aantrekken? Dat is te makkelijk. Zoals gezegd staat De Jong daar niet alleen te kloppen. Ever since het internet leven we in de tijd van de ‘burger-wetenschappers’ die schreeuwen om erkenning en die (wat veel belangrijker is) in toenemende mate het maatschappelijk imago van de wetenschap bepalen.

Foto: Abhi Sharma (cc)

In de schaduw van Sartre

RECENSIE - © Uitgeverij Ten Have boekomslag Simone de Beauvoi, auteur Uitgeverij Ten Have.Die zaterdag 19 april 1980 zochten duizenden een weg naar de begraafplaats van Montparnasse. Ze volgden de lijkwagen met daarin Jean Paul Sartre. Zijn lichaam werd vergezeld door vier vrouwen: zijn vriendinnen Arlette Elkaïm en Simone de Beauvoir, diens zuster Hélène en Simone’s vriendin Sylvie le Bon.

Eenmaal bij het graf vroeg Simone om een stoel. ‘Ze zag niets. Ze kon haar tranen niet bedwingen ondanks de valium en whisky die ze had genomen,’ schrijft Kate Kirkpatrick in haar biografie. De Beauvoir zou zich achteraf ook niets van de begrafenis herinneren.

Uiteindelijk zou ze haar intense verdriet verwerken met het schrijven van Het afscheid, een mix van beschrijvingen van het lichamelijk verval van Sartre (door de drank) en een aantal vraaggesprekken van vele jaren daarvoor. Haar harde ondervragingstactiek leidde ertoe dat het boek gemengde kritieken kreeg. De Beauvoir nam wraak op haar geestelijke vader, werd vaak gezegd. Le Point sprak van een mengsel van ‘eerbetoon en wrok’. Arlette sloeg terug in de krant Libération. Ze kleineerde de relatie tussen De Beauvoir en Sartre. Zij had hem veel beter gekend!

Alles, werkelijk alles wat Simone de Beauvoir heeft geschreven, gezegd, gedaan, werd op enig moment gekoppeld aan Jean Paul Sartre. En vervolgens geminimaliseerd. Haar filosofische romans waren verfraaide hervertellingen van haar relatie met Sartre en de andere leden van de kring om hen heen, ‘de familie’. Haar filosofie was een aftreksel van het denken van de grote Sartre. En zelfs haar voornaamste, of in ieder geval meest bekende werk, De tweede sekse, werd door velen beschouwd als een rechtvaardiging voor haar ‘schandalige’ levenswandel – met Sartre. Misschien is het dus geen wonder dat de lezer van deze biografie eerst door zo’n tweehonderd pagina’s  ‘familiegeschiedenis’ moet worstelen voordat haar denken wat uitgebreider aan bod komt. Maar geduld vereist het wel.

Foto: Alex Hoekerd (cc)

De ommuurde stad

RECENSIE - Geschiedenis van de stad Utrecht.

Op 8 juni 1345 verscheen graaf Willem IV van Holland voor de muren van Utrecht. Met een groot adellijk gevolg, en vergezeld door zo’n dertigduizend soldaten. Het was duidelijk. De stad was te ver gegaan. Utrecht moest buigen. Willem nam zijn intrek in een inderhaast verlaten klooster, net buiten de stadsmuren. De burgers van Utrecht keken uit over een zee van vaandels en tenten.

Zo’n twee eeuwen lang was Utrecht de onbetwiste ‘hoofdstad’ van de Noordelijke Nederlanden. Kerkelijk, bestuurlijk én commercieel centrum in één. Hier zetelde de aartsbisschop; vlak daarnaast stond het paleis van de keizer en even verderop (aan de overkant van de Oude Gracht) stonden de huizen van kooplieden die handel dreven van de Oostzee tot Parijs. Maar zo tegen 1345 was de domstad al bijna een eeuw een twistappel tussen de graven van Holland en die van Gelre. Sinds de aartsbisschop niet meer benoemd werd door de keizer maar door de paus (de uitslag van de beroemde ‘investituurstrijd’), moesten Utrecht het doen zonder de steun van de Duitse keizer. En daardoor was het ooit zo machtige bisdom langzaam maar zeker steeds machtelozer geworden, tot de stad simpelweg betwist gebied was midden tussen twee ambitieuze graafschappen, Holland en Gelre.

Foto: Gage Skidmore (cc)

Straks komt alles goed

RECENSIE - In haar baksteen van een boek, ‘Een geschiedenis van de Verenigde Staten’, probeert Julli Lepore de moed erin te houden.

‘Dergelijke mannen neigen altijd naar de kranten- en de amusementswereld. Ze combineren een morbide gepreoccupeerdheid met het publiek met een fabelachtige lage mening over de mentaliteit en het morele karakter van het publiek. Ze denken dat de politiek als communicatiemiddel, en zelfs de natie zelf, er allemaal is voor hun persoonlijk plezier.’

Dit gaat niet over Donald Trump. Dit zei Orson Welles in 1941 over de hoofdpersoon in zijn film Citizen Kane, het verhaal van de krantenmagnaat Kane die de wereld wil beheersen. Kane was, zoals iedereen weet, gebaseerd op een échte krantenmagnaat, William Randolph Hearst. Het plot van de film leek zó sterk op de Hearst-biografie Imperial Hearst, dat Welles een proces aan zijn broek kreeg wegens plagiaat. Welles ontkende het boek zelfs maar te kennen. Hearst, Kane, volgens hen was het gewoon een Amerikaans type. Hij had gelijk. Op dit moment wordt de Amerikaanse politiek gedomineerd door exact zo’n megalomaan.

Maar laat ik beginnen met te zeggen dat ‘Deze Waarheden. Een geschiedenis van de Verenigde Staten’, veel te dik is. De uitgever heeft op de stofomslag laten zetten: ‘Voor wie Amerika écht wil begrijpen’. Daarvoor moet de lezer ruim duizend bladzijden lezen. En bij auteur Jill Lepore is dat geen onverdeeld genoegen. Ze schrijft prima, helder, maar ‘dicht’. Ze wil niks ongezegd laten. De feiten en feitjes tuimelen over elkaar heen. Een boek voor de doorzetter, zeg maar. Maar wat wél geniaal is aan dit boek, is de timing.

Foto: Stijn Hazen (cc)

Jezus, de hoerenzoon

RECENSIE - Bij de vertaling en heruitgave van een eeuwenoud schotschrift

‘Toen de klokken van de kathedralen luidden voor het kerstfeest, en in de huizen van burgers de christelijke vreugde overheerste, haalde in het donkere getto de vervloekte jood het Toledot-boek tevoorschijn en, terwijl de gelovigen bogen voor de zoon van de maagd, las hij vol bittere hoon over mamser ben ha-nidda.’

Aldus de Duitse auteur Erich Bisschoff in 1896, bij zijn vertaling van de Toledot, de geschiedenis van de mamser ben ha-nidda, de bastaardzoon geboren tijdens nidda, wat wil zeggen dat zijn moeder ook nog eens onrein was (ongesteld tijdens de conceptie). Een grotere schande was ondenkbaar. En deze mamser waar de joden tijdens Kerstnacht stiekem over lazen… was Jezus Christus.

Bisschoffs duistere aantijging dat de joden met Kerst massaal een boekje lazen waarin Jezus werd zwartgemaakt weerspiegelt natuurlijk de oude antisemitische mythe dat de joden in het geheim voortdurend bezig waren het christendom te ondermijnen. Ze vervloekten de christenen, ontvoerden christelijke kinderen om hun bloed te drinken, en lazen dus met Kerst allemaal de Toledot. In feite gaat het hier om een marginale tekst (of verzameling teksten). Oeroud, dat wel, en in vele versies bewaard gebleven (Bisschoff vertaalde een Jiddische versie) maar verder nauwelijks bekend, ook niet in joodse kring. En toch ontplofte menige christen van verontwaardiging wanneer hij een exemplaar van deze tekst in handen kreeg (en kon lezen). Luther bijvoorbeeld las de Teoledot en schreef daarna een fel antisemitisch pamflet, Vom Schem Hamphoras (1543), waarin de joden afgeschilderd worden als duivelsgebroed dat uitgeroeid moet worden. (De Nazi’s hebben nog hun best gedaan deze tekst op te nemen in het schoolcurriculum.)

Foto: Maurits Knook (cc)

Zo nabij en toch zo vreemd

RECENSIE - Katholieken in Nederland en België leefden in de 19e eeuw in twee verschillende werelden, laat Roberto Dagnino zien in zijn proefschrift uit 2015.

Allemaal katholiek, allemaal Nederlandstalig. Het Roomse Nederland en de Vlaamse regio hebben veel gemeen. Maar de cultuurdragers uit beide streken kwamen zelden tot samenwerken. Men bleef liever onder elkaar.

De leden van het ‘Gilde van Sint-Thomas en Sint-Lucas’, opgericht in 1863, spraken af om jaarlijks bijeen te komen voor een leerzame, meerdaagse excursie, op zoek naar ‘christelijke kunst’. Die kunst moest ontdekt, onderzocht én gepromoot. Wat christelijke kunst was, daarover bestond nauwelijks meningsverschil. Christelijke kunst, dat was de gotiek van de 13e tot 16e eeuw. De late middeleeuwen waren de bloeiperiode geweest van West-Vlaanderen en van het rooms-katholicisme. Het was, zo geloofden de Gildeleden stellig, een tijd geweest van welvaart en van geniale kunstenaars zoals de gebroeders van Eyk, maar ook van harmonie en een innig geloofsleven. Allemaal zaken waaraan de goddeloze negentiende eeuw een voorbeeld kon nemen. En dus trokken de katholieke kunstkenners eropuit, op zoek naar de sporen van deze superieure christelijke kunst.

Een scherpe grens

Alleen, Nederland, net over de grens, bleek door de jaren heen steeds weer onbereikbaar. En dat terwijl Noord- en Zuid-Nederland in die late middeleeuwen (onder bestuur van de Bourgondiërs) één waren geweest. Het Gilde telde ook actieve Nederlandse leden, zeker in het begin, en de eerste excursie, in 1863, ging naar de werkplaats van de Nederlandse architect Pierre Cuypers in Maastricht, die op dat moment bezig was met de restauratie van het schilderwerk van de Sint-Servaas. Het was een geslaagd bezoek, zeker, maar gedurende de jaren daarna bleef men in Vlaanderen, of een enkele keer in Duitsland of werd het de Wereldtentoonstelling in Londen. Maar Nederland… Volgens een van de leden was daar sinds de Beeldenstorm eigenlijk niks interessants meer te vinden. Maar waar het om draaide dat Nederland te zeer ‘buitenland’ was. De grens tussen Nederland en België, bij de oprichting van het Gilde net dertig jaar oud, was te scherp geworden.

Foto: Eric Heupel (cc)

Een waanwijze lasterbende

COLUMN - © UItgeverij Specturm boekomslag Waanwijze lasterbende van Geertje DekkersIedereen had ervan gehoord. Heel de geleerde wereld stond ervan versteld. Op een juliavond in 1692 waren in Lyon een wijnhandelaar en zijn vrouw vermoord. Om de daders op te sporen, werd een beroep gedaan op Jacques Aymar, een beroemde wichelroedeloper. Aymar had al vaker geroepen dat hij met zijn gevorkte tak niet alleen water en edele metalen kon opsporen, maar ook misdadigers.

En zie, eenmaal op de plaats delict aangekomen, wees zijn wichelroede feilloos aan waar de lijken hadden gelegen. En daarna ging Aymar de straat op, achter zijn wichelroede aan, op zoek naar de daders.

De wichelroede neigde zus, neigde zo; Aymar moest vele kilometers reizen voordat hij een dader kon aanwijzen – een man die toevallig net gearresteerd was voor diefstal en die prompt bekende dat hij een van de moordenaars was. En verder ging de speurtocht, door stad en land. Maar helaas, Aymar kwam uit in een haven en constateerde da de andere twee daders het land waren ontvlucht.

Dit overtuigende bewijs voor de werkzaamheid van de wichelroede werd in wetenschappelijke kring met groot enthousiasme ontvangen. De Franse filosoof Pierre Le Lorrain zocht Aymar op, deed een paar experimenten en verklaarde dat diens gave ‘echt’ was. Minstens zo overtuigd was de Nederlander Balthasar Bekker, een vermaard en fel tegenstander van alles wat met bijgeloof (en het geloof in hekserij) te maken had. Dat blijkt overduidelijk uit zijn reeks De betooverde weereld (1691-1693). Maar in een van de latere deeltjes uit deze serie verkondigt Bekker zijn geloof in de gave van Aymar.

Foto: Abhi Sharma (cc)

Beschaafd genieten

RECENSIE - © Uitgeverij IJzer boekomslag Muziek beleven in het negentiende-eeuwse Nederland van Jeroen van GesselOp 22 april 1870 beleefde Bachs Mattheus Passie zijn Nederlandse première, in Rotterdam. Een inhaalslag. De beroemde ‘herontdekking’ van het werk door Felix Mendelssohn was ruim veertig jaar verleden tijd, maar dat werd nu goedgemaakt.

De fine fleur van het Nederlandse muziekleven was aanwezig. De Amsterdamse première van de Passie was vier jaar later en is vooral de geschiedenis in gegaan omdat (aldus het verhaal) een deel van het publiek nog tijdens het slotkoor (‘Wir setzen uns…’) opstond en de uitgang opzocht. Waarop dirigent Johannes Verhulst zich omdraaide en verontwaardigd riep: ‘Mensen, wat doen jullie nou, nou lopen jullie weg bij het mooiste koor dat ooit geschreven is!’

Waar gebeurd? Het zou kunnen, schrijft Jeroen van Gessel.

Maar dan vertrok het publiek waarschijnlijk niet uit verveling maar om de laatste tram of trein nog te kunnen halen: ‘Zelfs een hartstochtelijk muziekliefhebber als Van Santen Kolff schrijft regelmatig dat hij de voorstelling voortijdig verliet.’ Een ander, Fredrik van de Poll, verliet om dezelfde reden vroegtijdig een uitvoering van Lohengrin. Muziek was mooi, maar thuiskomen was mooier.

Bovenstaande anekdote wordt vaak gebruikt om aan te tonen dat de negentiende-eeuwse Nederlander (of Amsterdammer) een cultuurbarbaar was en dat het muziekleven in Nederland daarom zo weinig voorstelde. Van Gessel toont in zijn ‘Muziek beleven in het negentiende-eeuwse Nederland’ in elk geval aan dat een al te vurige passie voor muziek niet op prijs werd gesteld. Musiceren was een goede zaak, maar dagelijks naar de opera gaan of al te veel praten over deze of gene componist of knappe sopraan – dat deden ze maar in Londen, Parijs of Wenen. Niet hier. Men (de betere burgerstand en alles daarboven) ging regelmatig naar een concert of operavoorstelling maar dat was dan op de eerste plaats een sociale activiteit. Het ging om zien en gezien worden. Wat er op de lessenaars stond, kwam op de tweede plaats.

Volgende