Ikke allochtoon
We moeten eens af van de termen allochtoon-autochtoon, schrijft de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling in een vandaag gepubliceerd advies. Het is inderdaad gek dat we zo lang vast houden aan dit rare onderscheid, want het verbloemt meer dan het verheldert.
Tien jaar geleden werd ik na een aantal sollicitatierondes en een assessment aangenomen als leerling journalist bij het Utrechts Nieuwsblad. Ik kwam in een trainee-groepje terecht van academici die van regionale dagbladuitgever Wegener een tweejarige opleiding kregen, in combinatie met een baan. Uiteraard kwam aan het begin van de training de CEO Jan Houwert langs om het nieuwe vlees te keuren. De HR-meneer liep handenwringend door het zaaltje. ,,Meneer Houwert,” piepte hij van genot, ,,het is ook deze keer gelukt een aantal allochtonen te vinden.” Blijkbaar had hij het over mij. Blij waren ze er maar mee. En ze kregen ook nog eens een bonus van het Rijk om achterstandsgroepen te helpen of zoiets.
Officieel ben ik allochtoon. Griekse vader – inmiddels Nederlands, Hollandse moeder. Ik eet wat vaker Grieks dan de gemiddelde Nederlander, maar daar houdt ’t wel zo’n beetje op. Zoals ik zijn er velen in Nederland. Een of twee ouders die in het buitenland geboren zijn. Een wat oppervlakkige relatie met het ‘land van herkomst’, waarbij vooral de goede dingen levend worden gehouden (eten, gastvrijheid, cultuur). Sommigen voelen zich op en top Nederlands (zoals ik). Anderen voelen zich minder Nederlands, maar wel weer Amsterdammer, Rotterdammer, of Maastrichtenaar. Het is allemaal te cliché om hier uitgebreid op verder te gaan.


