Intersections – David Goldblatt
David Goldblatt (1930, Randfontein) is één van de pioniers van de Zuid-Afrikaanse fotografie. Vanaf 1948 begon hij de gevolgen van de apartheid te fotograferen, een systeem dat al eerder bestond, maar vanaf dat jaar officieel werd ingevoerd. Het woord werd als eerste gebruikt in een toespraak van Jan Smuts in 1919, de toenmalige premier van Zuid-Afrika, maar het werkelijke systeem werd ingevoerd door Hendrik Verwoerd (premier van 1958-1966), die het liever beschreef als goed nabuurschap nadat hij onder vuur lag door de internationale kritiek. Goede buren had hij echter weinig gemaakt; in 1960 werd hij beschoten en in 1966 werd hij doodgestoken door een klerk van Mozambikaanse afkomst.
Goldblatt die de chroniquer van de apartheid mag worden genoemd fotografeerde zijn onderwerpen altijd in zwart/wit. Deze voorkeur heeft echter niets te maken met het contrasterende effect dat Goldblatt in zijn foto’s naar voren wilde brengen, maar meer met een volgens hem gebrek aan techniek die bij het ontwikkelen van de kleurfoto’s kon worden toegepast. Pas eind jaren ’90 begon hij te experimenteren met kleur vanaf het moment dat de digitale fotografie in opkomst kwam. Intersections in Huis Marseille biedt een overzicht van deze nieuwe ingeslagen weg van Goldblatt. Middels deze zogenaamde kruispunten laat hij de tegenkrachten van waarden, ideeën, standpunten, plaatsen en mensen zien die de Zuid-Afrikaanse maatschappij vormen. Volgens Goldblatt heeft de gewelddadige geschiedenis van het land en de politieke en sociale structuur het landschap in de loop der jaren veranderd. Dit komt naar voren in het contrast tussen de zwarte thuislanden en de witte suburbs die gebouwd worden als dorpjes in Toscane, compleet afgezonderd en omheind tegen mogelijke gevaren van buitenaf.
Het Joods Historisch Museum in Amsterdam is na een grondige verbouwing sinds 23 februari heropend. Belangrijke pijler van deze verbouwing was het creëren van een nieuw prentenkabinet waar de tijdelijke exposities plaats kunnen vinden en het inrichten van een zaal waar de permanente nieuwe expositie Geschiedenis 1900-heden getoond wordt. Wonderlijke samenloop van omstandigheden is dat deze heropening ongepland samen valt met het 75 jarig bestaan van het museum en om dat jubileum te vieren, heeft men twee exposities samengesteld met werk van de Hongaars-Joodse fotografische grootheden Robert Capa en Eva Besnyö. Het werk van beide fotografen verschilt enorm, maar de keuze om ze naast elkaar te zetten is niet zo vreemd. Capa (1913-1954) en Besnyö (1910-2003) waren buurkinderen en groeiden samen op in Boedapest en het was op instigatie van Besnyö dat Capa er uiteindelijk definitief voor koos om fotograaf te worden door een baan bij het Berlijnse agentschap Dephot te accepteren. Besnyö kwam uiteindelijk in Nederland terecht, terwijl Capa een kosmopoliet werd die de wereld bereisde om de grote oorlogen vast te leggen voor het publiek.
Het Stedelijk Museum in Amsterdam heeft wat goed te maken; de tijd dat het museum bekend stond als de grote vooruitloper op het gebied van de moderne kunst is sinds het overlijden van oud Directeur Sandberg langzaam aan steeds kleiner geworden. Onder Gijs van Tuyl’s voorganger Rudi Fuchs was de vernieuwing ver te zoeken en leken aankopen van David Salle en Markus Lüpertz eerder voort te komen uit de persoonlijke voorkeur van de directeur dan een weergave te zijn van de tijdsgeest. Het Stedelijk trok zich de kritiek over het gevoerde beleid sterk aan en beloofde beterschap door meer aandacht te schenken aan nieuw talent.
Foto’s uit het politiearchief 1965-1985
De Duitse fotograaf August Sander (1876-1964) stelde zich vanaf 1915 één doel voor ogen; het in beeld brengen van de sociale lagen zoals die zich in zijn tijd manifesteerden. Hiertoe onderscheidde hij de volgende, volgens hem belangrijkste groepen mensen; de boeren, de handwerklieden, de vrouwen, de standen, de kunstenaars, de mensen in de grote steden en de laatste mensen. Hij ging daartoe veelal op zoek naar mensen uit de buurt van zijn woonplaats Keulen. Grofweg zijn de foto’s die worden getoond tijdens de tentoonstelling Mensen van de 20e eeuw in Foam Amsterdam op te delen in een drietal periodes; medio jaren dertig, vlak na de Tweede Wereldoorlog en medio jaren vijftig. Het is een omvangrijk project geworden waarbij Sander de tijd nam om ‘zijn mensen’ te fotograferen. Zonder enige vooringenomenheid en met liefde voor het geportretteerde, worden de foto’s van Sander gepresenteerd. Het project geeft daarmee een belangrijk sociologisch, historisch en inzichtelijk beeld van een tijdsspanne van dertig jaar in de vorige eeuw.
In elke categorie zijn de beoefenaars van bepaalde functies zeer gesoigneerd en is het duidelijk dat men zijn/haar waardigheid vaak ontleende uit het beroep. Hierbij heeft Sander echter wel een kans gemist bij twee van de zeven categorieën; de afbeeldingen van de boeren zijn voornamelijk gericht op de zogenaamde herenboeren, een groep die maar ten dele representatief is voor het geheel. Slechts een enkele foto toont het diep doorgroefde gezicht van het zware leven op het platteland. De vrouwen zijn veelal gefotografeerd aan de zijde van mannen die belangrijke functies bekleedden. Alleen de foto van de secretaresse bij een radiostation toont een zelfbewuste vrouw als een soort van suffragette zoals die in die tijd in opkomst waren.
Iedereen moet kunnen eten, gas en licht hebben en stromend water. En er moet financiële ruimte zijn voor minimale pleziertjes. “Een bloemetje hoort erbij.” – Minister Klompé tijdens de invoering van de Algemene Bijstandswet in 1965.
De veranderingen die de afschaffing van de apartheid in Zuid-Afrika (sinds 1994) teweeg heeft gebracht, zijn misschien het best te illustreren aan de hand van het verhaal van mijnheer Mkhize; twee keer eerder werd deze donkere man van omstreeks 50 jaar oud gefotografeerd in zijn leven; de eerste keer was tijdens de apartheid voor zijn paspoort zodat hij gevolgd kon worden door de regering, de tweede keer was voor zijn identiteitsbewijs voor de eerste democratische verkiezingen in 1994. De derde keer is hij gefotografeerd door het vanuit Londen opererende Zuid-afrikaanse duo Broomberg (1970) en Chanarin (1971) en dat is misschien wel de meest oprechte foto van de man. Broomberg en Chanarin zijn niet alleen geïnteresseerd in het portret, maar veel meer in het verhaal achter de persoon. Aan de hand van Mr Mkhize’s portrait (2004) laten de fotografen zien dat de afschaffing van de apartheid natuurlijk noodzakelijk was, maar dat deze aanzienlijke sociale veranderingen met zich mee heeft gebracht waardoor een deel van de bevolking de boot lijkt te hebben gemist. Eenzelfde soort sociale ontwikkeling zien we in de voormalige Oostbloklanden waar de introductie van de markteconomie tot een shock heeft geleid waardoor delen van de bevolking achter zijn gebleven.
Simon Carmiggelt schreef ooit dat het hem frustreerde dat hij zijn dromen altijd vergat. Zijn nachtelijke reizen bevatten volgens hem zoveel filosofische inzichten dat het een doodzonde zou zijn deze aan de mensheid te onthouden. Om dit euvel te bestrijden legde hij pen en papier op zijn nachtkastje en dwong hij zichzelf te waken wanneer er weer één van die scherpzinnigheden zich aan de binnenkant van zijn oogleden presenteerde. Het lukte Carmiggelt een volzin te produceren tijdens zijn halfslaap, maar toen hij ’s ochtends vol spanning deze nalas, vond hij tot zijn grote verbazing de merkwaardige zin “Eekhoorntje op lange weg”. Dit resultaat stelde hem dusdanig teleur dat hij daarna nooit meer iets van zijn dromen aan het papier heeft toevertrouwd.
Art Olive presenteerde van 14 t/m 17 september voor de zesde keer de Art Olive Jong Talent. Deze verzameling werken van dertig net afgestudeerde kunstenaars uit het hele land was te zien in hun eigen galerie op het Westergasfabriekterrein in Amsterdam. Art Olive is ooit begonnen als online galerie en is daarmee een belangrijke speler op kunstgebied geworden. Met de vaste openstelling elke zondag begint de galerie zich ook aardig offline te roeren.