Jorn

216 Artikelen
1 Reacties
Achtergrond: Jay Huang (cc)
Foto: Eric Heupel (cc)

Oorverdovend goed Triggerfinger

TriggerfingerAfgelopen vrijdag was het weer een ouderwets avondje rocken in de Melkweg. En niet geheel toevallig had de avond een Belgisch tintje; de header waren de oudgedienden van Triggerfinger, voorafgegaan door het Belgisch/Nederlandse Drive Like Maria. Beide bands hadden al een keer hun opwachting gemaakt bij De wereld draait door en doorgaans is dan je kostje gekocht, maar blijkbaar toch niet helemaal, want uitverkocht was het wel, maar dan in de oude zaal, wat overigens nog steeds het fijnste zaaltje in de Melkweg is. Zanger Ruben Block van Triggerfinger refereerde aan dit optreden van een minuut in het programma en en passant bedankte hij ook nog Eric Corton van 3voor12 die zijn luisteraars warm heeft gemaakt voor deze band. Zelden heb ik zo’n dankbare band gezien want ze waren oprecht blij met deze volle zaal.

Maar goed, het begon dus allemaal met het stoner-trio/kwartet van Drive Like Maria, een band die de laatste tijd ook niet te klagen heeft over een gebrek aan media-aandacht. Wanneer zanger Bjorn Awouters achter de drums plaats neemt, zijn ze met z’n drieën en als hij zin heeft om gitaar te spelen doen ze het met z’n vieren. Het is een beetje merkwaardige constructie want zingend drummen staat niet bekend als het allermakkelijkste maar Awouters kwijt zich gedreven van zijn taak. Eerder dit jaar hadden ze al een bescheiden hitje met het nummer I’m on a train dat me tijdens het concert aangenaam verraste door de gitaarloopjes die erin voorkomen. Daarmee toonde gitariste Nitzan Hoffmann haar virtuositeit die helaas in al het rockgeweld niet altijd even goed uit de verf kwam. Het zompige dat zo kenmerkend is voor de stonermuziek was iets te ver doorgevoerd waardoor de nuances ondergesneeuwd raakten en dat is zonde. Deze nuances zijn overigens wel duidelijk hoorbaar op het debuutalbum Elmwood, dit jaar uitgekomen. Van mij hoeft dat overdreven rock & roll gedoe dat ze tentoon spreidt ook niet echt, zich uitend in frasen als “Are you ready for rock & roll” en het continue headbangen tijdens alle nummers. Het optreden wordt daardoor iets te veel een rock-cliché.

Foto: Eric Heupel (cc)

Shellac staat nog steeds als een huis

shellacHet was alweer zo’n tien, vijftien jaar geleden dat ik ze voor het laatst had gezien en daardoor ging ik lichtelijk gespannen naar het concert van mijn oude helden van Shellac die afgelopen donderdag in Paradiso stonden. Het gevaar van helden die op leeftijd beginnen te raken, is natuurlijk dat ze ondertussen van hun voetstuk beginnen te vallen of dat het enorm tegenvalt ten opzichte van de laatste keer dat je ze gezien hebt. Maar gelukkig heeft Shellac zijn dwarsheid altijd bewaard; de band is meer een hobby-project en concerten geven ze vooral om de dagelijkse sleur te doorbreken en andere steden te kunnen zien. In hun zeventienjarige bestaan hebben ze slechts vier albums en zeven singles/EP’s uitgebracht. Het is waarschijnlijk het geheim waardoor ze het zo lang met elkaar uit kunnen houden…

Eigenlijk draait het bij Shellac vooral om zanger/gitarist Stevge Albini, zonder daarmee bassist Bob Weston en drummer Todd Trainer tekort te willen doen. Steve Albini heeft nu eenmaal een grote naam opgebouwd in de legendarische band Big Black die bekend stond om zijn snoeiharde geluid en scherpe teksten. Later deed hij dat nog even kort met Rapeman en vanaf 1992 in de huidige formatie met Shellac. In Shellac is hij wat milder van toon geworden en heeft de noise plaats gemaakt voor minimalistische rock zoals ze het zelf noemen. Vanaf begin jaren tachtig heeft hij zijn eigen albums ge-engineerd (hij heeft een hekel aan de term produceren) en later is hij dat ook voor andere bands gaan doen waaronder Nirvana, The Breeders, The Jesus Lizard en de Pixies. Anno nu is Albini een veelgevraagd engineer geworden dankzij de simpele benadering dat hij bands in een keer opneemt om zo het live-geluid zo dicht mogelijk te benaderen. De kennis die hij in het geluidswerk heeft opgedaan, heeft geleid tot een voorliefde voor een zeldzame Travis Bean gitaar, waarbij de halzen uit aluminium bestaan in plaats van hout en het geluid metalig wordt. De metalige loopjes/riffjes van Albini samen met de stugge drums van Trainer en de voortstuwende basloopjes van Weston zorgen al vanaf het begin voor het kenmerkende geluid van Shellac.

Foto: Eric Heupel (cc)

Jay Reatard heeft er de pest in

Jay Reatard Ik herinner me nog goed de twee concerten die zich oorverdovend hard in mijn geheugen hebben genesteld. Het eerste was ergens in 2002 bij Mogwai in Paradiso, dat haar muziek gelaagd opbouwt naar een climax waarbij een explosie van gitaargeweld ontstaat, vergelijkbaar met een tijger die geduldig wacht totdat ze kan aanvallen op haar prooi. Het andere concert, en dat vormt de opmaat naar waar ik het verder over wil hebben in dit stukje, was op eerste paasdag 2005 in een nauwelijks gevulde bovenzaal van Paradiso. Ik ging toen naar the Lost Sounds waarvan ik een paar singles had gehoord, maar waarvan ik eigenlijk niet wist wat ik kon verwachten. Er stond een batterij synthesizers op het podium en toen zangeres/toetseniste Alicja Trout een akkoord aansloeg om te testen of het apparaat aanstond, was de toon gezet. Krap een uur wavey space-muziek baande zich een weg in mijn oren en heeft daar nog ruim een dag huisgehouden. Het heeft ertoe geleid dat ik regelmatig aan mensen moet vragen of ze hun zin kunnen herhalen omdat ik domweg een stukje dover ben geworden.

Het verstand komt met de jaren en een gewaarschuwd man telt voor twee, zegt men wel eens en daarom ga ik al een tijdje gewapend met oordoppen naar dit soort concerten. The Lost Sounds zijn ondertussen ter ziele gegaan, maar gelukkig bestaat er dan zoiets als een solo-carrière waardoor oud-frontman Jay Lindsey, beter bekend als Jay Reatard, vorige week donderdag met zijn begeleidingsband the Boston Chinks wederom de bovenzaal van Paradiso aandeed. De zaal was beter gevuld maar niet uitverkocht en ik was getuige van een veertig minuten lang durende wervelwind van één van de energiekste live-acts van dit moment. De nummers werden aaneengeregen gespeeld alsof ze op tijd moesten zijn voor de enige trein die naar Groningen zou gaan, waar ze de volgende dag in Vera zouden spelen. Jay Reatard staat bekend als een lastig heerschap en hij had er vorige week vooral de pest in dat het publiek nogal mat reageerde en niet volledig opging in de muziek. Hij schold het publiek uit, stak zijn middelvingers naar ons op en gooide een waterfles de zaal in. Nogal puberaal gedrag, maar ja, als je er de pest in hebt, dan doe je wel eens domme dingen. En daarna was hij weer vertrokken.

Foto: Eric Heupel (cc)

De drang naar waarachtigheid bij Charley Toorop

Charley Toorop Het nieuwe televisiejaar begon meteen al goed met de documentaire Het nieuwe Rijksmuseum van Oeke Hoogendijk die op 1 en 2 januari werd uitgezonden. De docusoap (want zo kan men de documentaire beter noemen) geeft een ontluisterend beeld van een gebrek aan durf bij de bestuurders en het kenmerkende Nederlandse poldermodel dat ertoe heeft geleid dat het Rijksmuseum nu pas in 2013 haar collectie weer in een compleet gerenoveerd gebouw aan het publiek kan tonen. Dit tezamen met de berichtgeving dat de oplevering van het Stedelijk weer vertraagd is tot 2010, maakt de gemiddelde Amsterdamse cultuurliefhebber er niet vrolijker op. Nu kan ik daar, zoals menig columnist, ontzettend over gaan lopen mopperen, maar het geeft mij juist de mogelijkheid om de grenzen eens te verleggen en mijn vleugels naar andere steden uit te slaan. En zo kwam ik eindelijk weer eens terecht in het Boijmans van Beuningen waar de tentoonstelling Vooral geen principes van Charley Toorop (1891 – 1955) al enkele maanden te zien is.
Vooral geen principes is gebaseerd op het statement dat Toorop maakte tegenover Paul Citroen en dat inhield dat ze vooral door moest blijven werken zodat ze haar eigen opvattingen zou kunnen zuiveren. Deze instelling wordt misschien het best geïllustreerd bij binnenkomst waar twee enorme panelen met zelfportretten uit 1928 en 1946 zijn geplaatst. Toorop heeft vanaf 1922 veelvuldig zelfportretten gemaakt en vooral aan het eind van haar leven was zij vaak zelf het onderwerp van haar schilderijen. De portretten die ze heeft gemaakt zijn enerzijds ontstaan doordat ze als model makkelijk en goedkoop beschikbaar was en anderzijds was het een zoektocht naar identiteit tijdens de oorlogsjaren, een fenomeen dat we ook terugzien in het werk van Max Beckmann. Een schilder die zichzelf waarachtig weet te schilderen zonder een enkel vooroordeel, is misschien wel het best geslaagd volgens Toorop’s instelling.
Maar laten we bij het begin beginnen, omdat de bezoeker middels een mooie chronologische volgorde (dankzij samensteller Marja Bosma) langs het werk van Toorop wordt geleid. Het talent van Charley Toorop manifesteert zich al vrij vroeg, hetgeen niet zo gek is wanneer je de dochter bent van de grote symbolist Jan Toorop. In 1909 exposeert ze al tijdens een groepstentoonstelling in het Stedelijk Museum en haar eerste solotentoonstelling volgt in 1917 bij kunsthandel Gerbrands in Utrecht. Zoals zoveel jonge schilders laat ze zich beïnvloeden door de Franse expressionisten en kubisten. Ze maakt veel stillevens in lichte kleuren en ze schildert hoekige vormen of mensen zoals bijvoorbeeld in het werk Het gezin (1920).

Foto: Eric Heupel (cc)

Een vrijdagmiddag verhaaltje

Zinsbegoocheling Nietsvermoedend loop ik langs de schouwburg en loop daar ineens mijn oude buurjongen tegen het lijf. En hoewel hij op zo’n tweehonderd kilometer van Amsterdam woont, is dat niet eens zo vreemd, ware het niet dat hij in de hoedanigheid van een twaalfjarige voor mij verschijnt. Hij draagt een bal onder zijn linkerarm.
‘Kom je ook naar het stenen veldje’, vraagt hij als hij me ziet.
Ik kijk hem verbaasd aan.
‘Ehm, ken je mij?’, vraag ik stamelend.
‘Doe niet zo raar’, antwoordt hij waarbij hij me aankijkt alsof ik een flauwe grap maak. ‘Kom je nog of niet? De anderen komen ook.’
‘Waar is het stenen veldje dan?’
Mijn buurjongen zucht. ‘Ben je niet helemaal lekker of zo?’, zegt hij. ‘Achter de gymzaal van de MTS natuurlijk.’
‘Maar er is hier helemaal geen MTS, we zijn in Amsterdam hoor’, roep ik bijna uit.
‘Tuurlijk wel, hier de straat door, het parkeerterrein over en dan door het gat in het hek naar binnen kruipen. Hij wijst in de richting van de Leidse bosjes.
Bij mijn weten ligt daar geen parkeerterrein. Wie is er hier nu gek geworden, hij of ik? Waarschijnlijk ik, bedenk ik me. Ik ben aan het hallucineren of aan het dagdromen want dit kan gewoon niet. Ik doe mijn ogen dicht en schud een keer met mijn hoofd. Als ik ze weer open doe, staat hij er verdorie nog.
‘Ga weg’, schreeuw ik onbeholpen. Een paar omstanders houden stil en kijken me vreemd aan.
‘Nou nou nou’, zie je ze denken, ‘kan het niet wat rustiger tegen zo’n kind.’
Ik besluit maar om verder te lopen, dan gaat het vanzelf weg. Na twee minuten kan ik het niet laten om nog eens om te kijken. Ik zie mijn buurjongen nog steeds op de plek staan waar ik hem tegenkwam, enigszins beteuterd in mijn richting kijkend. Wanneer hij ziet dat ik resoluut verder loop, draait hij zich om en loopt in de richting waar volgens hem het stenen veldje ligt.

Foto: Eric Heupel (cc)

De stompzinnigste musical ooit

Musical Ik geef het eerlijk toe; ik heb helemaal niets met musicals. Voor mij is een musical een moderne opera, of misschien meer een operette waar een dunne verhaallijn plaats heeft gemaakt plat vermaak. Maar blijkbaar is er een markt voor en daarvoor kan ik Joop van den Ende respecteren. Hij heeft pionierswerk verricht op dat vlak en veel energie gestoken om het genre onder een groot publiek populair te maken. Maar dan nog, sta ik af en toe te kijken waar men een musical van weet te maken. Tarzan, Doe Maar, de Fabeltjeskrant en wat dies meer zij, verzint men om de mensen naar de theaters te trekken (overigens niet allemaal van van den Ende). Het is populair winstbejag door begrippen uit oude tijden om te vormen naar hedendaagse maatstaven en zodoende op jeugdsentimenten in te spelen. En daarom vraag ik u als lezer; welke nieuwe stompzinnige musical verwacht u binnenkort op de planken?

Foto: Eric Heupel (cc)

The Ting Tings schieten tekort

The Ting Tings Het ging snel met the Ting Tings in 2008. Na een aantal succesvolle optredens op Eurosonic, London Calling en Lowlands is het duo uitgegroeid tot een fenomeen en wist het afgelopen zondag een uitverkochte Melkweg Max te vullen. Dat zijn 1.500 man in één zaal en wie had dat verwacht aan het begin van het jaar. Maar zoals het vaker gaat, kan het hard gaan met Engelse debutanten en ben je in een mum van tijd een grote speler en dat wil nog wel eens zijn tol eisen.

The Ting Tings maken, naar eigen zeggen punk-pop met Katie White op zang/gitaar en Jules de Martino op drums/zang en daarnaast loopt nog een batterij aan effecten met samples mee om het geheel te omlijsten. Dat leverde al de succesvolle singles Great DJ, That’s not my name en de huidige Shut up and let me go van het debuutalbum We started nothing op. Het zijn stuk voor stuk meezingers met pakkende teksten en beats, dus het is ook niet zo gek dat ze zo snel gegroeid zijn. En dat Katie echt goed kan zingen, bewijst ze in Traffic Light dat tegelijkertijd als vreemde eend in het repertoire geldt.

Foto: Eric Heupel (cc)

De opvolgers in de socialistisch-realistische kunst

Neo Rauch - Das alte Lied In het Rijksmuseum in Amsterdam is sinds zaterdag circus Hirst neergestreken. De kunstenaar die van de dood of de vergankelijkheid een kunstje heeft gemaakt heeft zijn met 8601 ingelegde diamanten schedel For the love of God meegenomen en toont tegelijkertijd zestien schilderijen uit de collectie van het Rijks. Met vijftien man mag je 2,5e minuut het doodshoofd bewonderen om vervolgens weer plaats te maken voor de volgende groep. Het zal dringen geblazen zijn want na zes weken vertrekt Hirst weer naar de volgende stad op zijn tournee door Europa.

Naar aanleding van deze tentoonstelling wordt er in de media veel gediscussieerd over het kunstenaarschap van Hirst; is hij een uitgekiende zakenman of is hetgeen dat hij maakt werkelijk briljant? Het is een discussie die een paar kilometer verderop niet gevoerd hoeft te worden. In het Cobra museum in Amstelveen is namelijk voor het eerst in Nederland een overzichtstentoonstelling van Die Neue Leipziger Schule te zien, één van de belangrijkste kunstgroeperingen van dit moment. Op de Hochschule für grafik und buchkunst (HGB) in Leipzig staat de ambacht en de kunstnijverheid hoog in het vaandel, in tegenstelling tot andere kunstacademies waar men vanaf de jaren zeventig de nadruk op conceptuele kunst legt. Het huidige succes van Die Neue Leipziger Schule is het resultaat van de eigenzinnige opvatting van de HGB.

Foto: Eric Heupel (cc)

De honger op de huid gefilmd

Hunger Het komt niet vaak voor dat een film me vanaf het begin bij mijn nekvel grijpt en me meteen het verhaal in sleept. Bij de meeste films is er sprake van een opbouw of dienen de karakters eerst geïntroduceerd te worden alvorens men het verhaal kan vertellen. De laatste keer dat ik dat ervoer was bij The diving bell and the butterfly (eerder hier beschreven) en dat is eigenlijk nog niet zo heel lang geleden. Bij het zien van Hunger, gebeurde hetzelfde; het verschil bij beide films zit echter in het perspectief; bij de eerste bekijk je het verhaal vanuit het hoofdpersonage terwijl je bij de tweede als een onwillige getuige kijkt naar een lichaam in verval van een man die weigert te eten. Opmerkelijk is dat beide films door kunstenaars werden gemaakt; de eerste door Julian Schnabel (New York, 1951), de tweede door Steve McQueen (Londen, 1969). Vanuit hun achtergrond benaderen zij het filmen op een net iets andere manier en dat levert een verrassend resultaat op.

Hunger draait voor het grootste deel over de hongerstaking van Bobby Sands in de Maze gevangenis in Engeland. In 1981 eiste hij als leider van een groep gevangenen erkenning als politieke gevangene, iets dat door Margaret Thatcher fel werd bestreden. De hongerstaking was het toppunt van een opstand die al vanaf 1976 was ingezet, beginnend met het ‘dekenprotest’ waarbij de gevangenen weigerden dezelfde kleding als criminelen te dragen en daarvoor in de plaats zich slechts omhulden met een deken. Toen bleek dat dat niet werkte, stapte men in 1978 over op het ‘vuilprotest’ waarbij men uitwerpselen uitsmeerde over de gevangenismuren. Maar ook dat werkte niet en je kunt je afvragen wie men het meeste trof met deze actie. De hongerstaking was het ultieme pressiemiddel omdat je daarmee inspeelt op het gevoel van medemenselijkheid. Bobby Sands overleefde deze niet en stierf na 66 dagen. Samen met hem stierven nog negen andere gevangenen. Na tien doden werden de eisen van de gevangenen ingewilligd, maar erkend als politieke gevangenen werden ze niet.

Foto: Eric Heupel (cc)

Een culturele enclave in Amsterdam

Schilderij J.M. Coenenstraat - Hans Gerritzen Het is een merkwaardig mooi stukje Amsterdam; gelegen in Oud-Zuid, geheel in de traditie van de Amsterdamse School, goed onderhouden panden en nu de weelderige klimop herfstig rood en geel kleurt, krijgt de buurt een haast sprookjesachtige lading. Het gaat om het stuk dat gesitueerd is rondom het Roelof Hartplein met als bekendste huis Het Nieuwe Huis dat in 1928 werd gebouwd als huisvesting voor ongehuwden en waar de schrijver-schrijver Jan Arends in 1974 over het balkon sprong. De Harmoniehof werd in 2006 door het Parool, na het Begijnenhof, uitgeroepen tot op één na mooiste straat van Amsterdam en vormde het decor van de in 2006 met de AKO-literatuurprijs bekroonde roman de Bekoring van Hans Münstermann.

De aanleg van de wijk paste in Berlages plan Zuid van 1917 waarbij een grote uitbreiding tussen de Amstel en de Schinkel moest worden gerealiseerd. Voor de bouw werden architecten van de Amsterdamse School benaderd; B. van den Nieuwen Amstel ontwierp onder andere Het Nieuwe Huis, J.C. van Epen de Harmoniehof en ook J.F. Staal heeft een aantal woningen gebouwd. De sierlijke bouwstijl was een reactie op Berlages bouwstijl die volgens een nieuwe generatie architecten te monumentaal was. En dat terwijl Berlage in feite de grondlegger van de Amsterdamse school is geweest. De straatwand moest een kunstwerk worden, één geheel vormen en voorzien worden van in het oog springende details.

Foto: Eric Heupel (cc)

Het rijzen en vallen van Boris Godoenov

Boris Godoenov Rondom een gouden stoel van vier meter hoog zingt een honderdkoppig koor dat het volk vertolkt Boris Godoenov toe, de man die volgens hen de vermoorde tsarevitsj Dmitri Ivanovitsj moet opvolgen. Het is zo’n beetje de opening van Moesorgski’s opera (naar Poesjkin’s drama uit 1831) die de Nederlandse Opera op dit moment opvoert in het Muziektheater in Amsterdam onder regie van Willy Decker en muzikale leiding door Alexander Lazarev. Het stuk is opgebouwd uit vier delen met zeven scènes en toont de opkomst en de val van de tsaar in de periode 1598 tot 1605.

Godoenov werkt zich tijdens het bewind van Ivan de Verschrikkelijke (1547 – 1584) op tot edelman en wordt zelfs benoemd tot Bojaar, de invloedrijke feodale Russische aristocratie. Wanneer de jonge tsarevitsj Dmitri wordt vermoord, bevindt Godoenov zich in een klooster waar hij zich beraadt op de aanvaarding van het ambt, ingegeven door de smeekgezangen van het volk. In 1598 gaat hij echter overstag en laat zich tot tsaar kronen. Al snel maken sombere voorgevoelens zich van hem meester. Godoenov wordt naarmate het stuk vordert steeds wanhopiger en sterft uiteindelijk doordat hij wordt achtervolgd door de demonen uit zijn verleden.

Foto: Eric Heupel (cc)

Caos Calmo

Caos Calmo De Italiaanse film Caos Calmo begint met een reddingsactie van twee vrouwen van de verdrinkingsdood door de broers Pietro en Carlo Paladini. Laatstgenoemde ergert zich op de terugweg over de lafheid van de echtgenoten die niet de zee in durfden vanwege de sterke stroming en het gebrek aan dankbaarheid bij de slachtoffers. Bij terugkomst bij het vakantiehuis blijkt de vrouw van Pietro te zijn overleden, waarschijnlijk door een beroerte. De held wordt meteen geconfronteerd met een situatie die hij onmachtig is; het verwerken van het verlies van zijn vrouw en het oppakken van zijn leven en dat van zijn tienjarige dochter Claudia.

Het verhaal van deze film is gebaseerd op de gelijknamige roman van Sandro Veronesi uit 2005, bekroond met de de prestigieuze Strega prijs voor Italiaanse literatuur. Evenals het boek is het thema weliswaar zwaar, maar de uitwerking allerminst. De bewerking door regisseur Antonio Luigi Grimaldi (de laatste jaren vooral bezig voor televisie) is evenals het boek niet loodzwaar, maar eigenlijk vrij luchtig van toon. Pietro wordt na het overlijden van zijn vrouw ijzig kalm en besluit een tijdje niet naar zijn werk bij een succesvol mediabedrijf te gaan maar post te vatten in het parkje voor de school van zijn dochter.

Volgende