De kalme bodem waaruit het Stedelijk put

Cultureel redacteur Het Stedelijk Museum in Amsterdam heeft wat goed te maken; de tijd dat het museum bekend stond als de grote vooruitloper op het gebied van de moderne kunst is sinds het overlijden van oud Directeur Sandberg langzaam aan steeds kleiner geworden. Onder Gijs van Tuyl’s voorganger Rudi Fuchs was de vernieuwing ver te zoeken en leken aankopen van David Salle en Markus Lüpertz eerder voort te komen uit de persoonlijke voorkeur van de directeur dan een weergave te zijn van de tijdsgeest. Het Stedelijk trok zich de kritiek over het gevoerde beleid sterk aan en beloofde beterschap door meer aandacht te schenken aan nieuw talent.

Onder de titel Onder de oppervlakte presenteert het Stedelijk nu het beleid van Gijs van Tuyl die sinds twee jaar de scepter zwaait in het museum. De aanwinsten in de jaren 2005 en 2006 worden getoond in een overzichtstentoonstelling waarbij de bezoeker zelfs een dvd kan bekijken waarop van Tuyl zijn aankopen toelicht. Hij geeft daarbij aan dat een museumdirecteur met geleide hartstocht het werk uitzoekt, in tegenstelling tot de verzamelaar die zijn emoties de vrije hand kan geven. Het resultaat is een tentoonstelling (en een beleid) waar weinig lef uit spreekt, maar die wel belangrijke vertolkers uit de kunstwereld laat zien, ook al bestaat die voor het grootste deel uit vijftigers.

Kentridge Weinig verrassend zijn daarbij de aankopen van Marlene Dumas (1953, Kaapstad) die sinds 1976 in Nederland woont. The Neighbour, The Believer en Young Men waren in 2006 al te zien in galerie Paul Andriesse en hierbij toont Dumas de hoofden van mediterrane mannen, vaak getooid met baarden en speelt zij met het gevoel dat ontstaat bij de kijker die die gezichten de laatste jaren steeds meer is gaan identificeren met terrorisme. De eerste twee tonen mannen met respectievelijk een sterke gelijkenis met Mohammed B en Mohammed Atta, waarna vervolgens twaalf gezichten worden getoond waarbij die gelijkenis afwezig is, maar waarbij het beeld misschien wel bepaald wordt door de twee voorafgaande?

Ronduit komisch en gedenkwaardig is 7 Fragments for Georges Méliès van William Kentridge (1955, Johannesburg). Kentridge is een alleskunner, hij is tekenaar, schilder, acteur en regisseur van films en poppentheater. In de zeven fragmenten brengt hij een ode aan Méliès (1861-1938), de Franse filmpionier die in het begin van de opkomst van de cinematografie veel experimenteerde met beelden om aan te tonen dat deze nieuwe kunstvorm veel meer mogelijkheden bood dan de traditionele toneelvorm. Hij goochelde met het beeldmateriaal door het te verknippen en achteruit te laten spelen, hetgeen men eigenlijk nu de eerste special effecten kan noemen. In zeven verschillende filmpjes zien we Kentridge de tekenaar/schilder in zijn atelier als onderwerp bijvoorbeeld een verscheurd en uitgewist zelfportret achterwaarts weer in elkaar zetten of op een ander moment lijkt zijn ware gestalte op te gaan in een tekening in exact hetzelfde perspectief. De tekeningen lijken een eigen leven te gaan leiden waar Kentridge nauwelijks meer controle op lijkt te kunnen uitoefenen. Het is een vorm van animatie die eveneens doet denken aan het werk van de surrealistische Tjechische filmmaker Jan Švankmajer (1938).

Verder zijn er werken te zien van andere, al gevestigde kunstenaars; Rineke Dijkstra (1959, Sittard) wordt al alom geprezen vanaf het moment dat zij doorbrak met haar serie Strandportretten waarop onzekere pubers uit verschillende landen op het strand poseren. Van Eberhard Havekost (1967, Dresden) is niet het interessantste werk aangekocht. Zijn rauwe haast magisch-realistische beelden kennen andere hoogtepunten dan Sender 1-2 en Hobby Industries die ook al eerder in het Stedelijk werden getoond. Philip-Lorca diCorcia (1951, Hartford, VS) wist te imponeren met zijn kille foto’s van paaldanseressen en daarvan heeft men Asia aangekocht, één van de ondersteboven hangende danseressen die zich in halsbrekende capriolen rondom de paal heeft geworsteld.

Het is de bedoeling dat het Stedelijk zich in de komende jaren gaat richten op de aanschaf van ensembles van kunstenaars. Wat dat betreft is men wel bezig met het opbouwen van een portfolio en het verzekeren van een continuïteit, maar begeeft van Tuyl zich eveneens in een rustig vaarwater. De vraag is of men zich daarmee weer een plek weet te verwerven op de internationale kunstagenda.

Onder de oppervlakte is nog tot 18 febr. te zien

Stedelijk Museum
Marlene Dumas
William Kentridge
Eberhard Havekost
Rineke Dijkstra

Reacties zijn uitgeschakeld