OPINIE - Toen ik onlangs wat positieve opmerkingen over Europa schreef, kreeg ik woedende reacties: men wilde niet uit de comfortabele anti-EU houding gehaald worden. Dat puzzelt.
Wie de verkiezingen volgt om inzicht te krijgen in fundamentele kwesties, blijft met gespitste oren in een kramp achter. Politici zijn niet helder: ze normeren werkloosheid, ze treden uit de EU, ze willen de integratie remmen, ze willen de gulden terug, ze willen meer geld voor ouderen en minder vluchtelingen. Voorspelbaar…
Maar welke EU men wil, welke verhouding van de Europese organen men wil tot de nationale staten, daarover horen we bijna niets. De grote vraag is: waarom niet? Zijn er verklaringen? Ik probeer er maar eens enkele.
Europa is onvoldoende gefundeerd op de wensen van de bevolkingen
Dat is eigenlijk niet zo verrassend. Na 1945 lag Europa in puin, iedereen die de oorlog had overleefd poogde een nieuw bestaan op te bouwen op de naoorlogse puinhopen. Het ‘dit-nooit-weer’ gevoel was er wel, maar de vertaling in internationale politiek werd alleen door enkele visionaire ambtenaren vorm gegeven in EGKS en EEG. De politieke integratie kon niet, dus de samenwerking werd economisch van aard. Charles de Gaulle stoorde het proces aanzienlijk. Daarom kon het oordeel van bevolkingen ook op afstand worden gehouden.