Hulspas weet het | Dronken geklets bij de buren
COLUMN - Er is weer een exoplaneet ontdekt. Dat wil zeggen, het sterretje Ross 128 wobbelt een beetje in zijn baan, en volgens de astronomen die dat hebben gemeten, moet dat komen door de zwaartekracht van een planeetje pakweg zo groot als de aarde. En een berekening op een lege envelop leert dan dat de temperatuur ergens rond het vriespunt kan schommelen. Kan.
Want dat is van veel factoren afhankelijk die we niet kennen, en niet kunnen meten. Ross staat op elf lichtjaar afstand. Onnoemelijk ver, maar nog nét dichtbij genoeg om met de wobbel-methode iets te detecteren. De zoveelste exoplaneet, zou je zeggen, maar dankzij grenzeloos optimisme werd de wobbel wereldnieuws. Een wonder. Een doorbraak. Hoe je dat doet? Door naar de wereldschokkende conclusies toe te redeneren. Zo schreef het NRC Handelsblad op haar site:
De planeet, die de aanduiding Ross 128 b heeft gekregen, is waarschijnlijk niet veel groter dan onze aarde en er heersen gematigde temperaturen. (…) Dankzij het koele karakter van zijn moederster moet de oppervlaktetemperatuur van Ross 128 b ergens tussen de -60 en +20 graden Celsius liggen. Daarmee behoort hij tot de ‘gematigde’ planeten, al moet nog blijken of het er warm genoeg is voor water in vloeibare toestand. Een belangrijke factor daarbij is het al dan niet aanwezig zijn van een dampkring. Wat die dampkring betreft zijn de vooruitzichten niet ongunstig. In vergelijking met andere rode dwergsterren gedraagt Ross 128 zich heel rustig. Dit betekent dat zijn nabije planeet niet vaak blootstaat aan grote uitbarstingen die een eventueel aanwezige dampkring zouden aantasten.
Dröge beantwoordt de vraag door de rol van Snouck Hurgronje te contextualiseren. De Leidse wetenschapper staat in de traditie van de participerende observatie, zoals die eind negentiende eeuw populair was onder cultureel antropologen. Hierbij probeerde de onderzoeker als het ware één te worden met het onderzochte volk. Snouck Hurgronje
Lange behandelt ook de ontwikkeling van het beeld van een onfeilbare, onaantastbare profeet in het licht van het feit dat de vroege islam – en ook de koran – geen enkele moeite lijkt te hebben gehad met een profeet die zo af en toe een fout maakte. Hoe moslimgeleerden bijvoorbeeld om gingen met het verhaal van de duivelsverzen, vertoont een duidelijke ontwikkeling: aanvankelijk geloofden ze vrijwel allemaal dat het om een historisch voorval ging, tegenwoordig prevaleert onder moslims de overtuiging dat het een verzonnen verhaal is.
In Amerika ligt dat anders. Een zeer groot deel van de zwarte bevolking – zeker van dat deel van de bevolking dat afstamt van slaven – spreekt een eigen Engels. In zijn nieuwe boek Talking Back, Talking Black noemt de Amerikaanse taalkundige
In plaats van uw tatoeage voor u te vertalen, kan Gzella u wél wat vertellen over het Aramees dus, liefst vierhonderd pagina’s lang is hij aan het woord over een taal waarvan u na afloop weet dat het geen taal, maar een hele taalfamilie is. Die taalfamilie heeft een lange geschiedenis. Die start rond het begin van het eerste millennium voor Chr. en loopt tot op heden door, beslaat dus zo’n drieduizend jaar. Gzella neemt u mee vanaf dat prille begin ergens in Syrië, schetst het beeld van een taal die begint als de taal van een aantal lokale, kleine Arameese stadsstaten, maar die zich al vrij snel weet los te zingen van zijn oorsprong en zich ontwikkelt tot een wereldtaal die gedurende de volgende drieduizend jaar in het hele Midden Oosten wordt gebruikt, terwijl de taal eigenlijk – en dat is behoorlijk uniek – geen “thuisland” meer heeft.