Hulspas weet het | Scheuren in de wetenschap (2)
COLUMN - Mijn column van twee weken geleden, waarin ik een kritische blik wierp in de scheurkalender van ‘de makers van New Scientist’ leverde een hoop reacties op. Natuurlijk van mensen die het met me eens waren, maar dat boeit niet echt. Er waren er ook die mij voor de voeten wierpen dat ik het als criticus toch wel héél makkelijk had. Het is een heel werk hoor, een kalender schrijven! (Ik benijd de tennisscheidsrechter die nooit uit zijn stoeltje komt maar desondanks met respect wordt behandeld.)
En dan waren er critici die zich afvroegen waarom ik zo zeurde. Een Nobelprijs van honderd jaar geleden voor een vergeten therapie – dat is toch juist leuk?! En tot slot waren er twee interessante reacties: ten eerste de uitdaging om een compleet andere wetenschappelijke scheurkalender te maken (Elmar, we gaan ervoor!) én er was een doffe plof op de deurmat: de scheurkalender van Quest. Daar moest ik dan ook maar eens de tanden in zetten. Hoofdredacteur Mark Traa is benieuwd!
Eerst even het papiertje, Mark. Een scheurkalender hoort gedrukt te zijn op krantenpapier. Inferieure kwaliteit, perfect aansluitend bij het efemere karakter van de dag die erop gedrukt staat. De Quest kalander is gedrukt op van dat gladde net-niet-chique-beddenwinkelfolderpapier. Het slipt tussen de vingers. Onaangenaam gevoel, Mark. En gevoel, daar gaat het om. Volgende keer een andere offerte, Mark.
In Amerika ligt dat anders. Een zeer groot deel van de zwarte bevolking – zeker van dat deel van de bevolking dat afstamt van slaven – spreekt een eigen Engels. In zijn nieuwe boek Talking Back, Talking Black noemt de Amerikaanse taalkundige
In plaats van uw tatoeage voor u te vertalen, kan Gzella u wél wat vertellen over het Aramees dus, liefst vierhonderd pagina’s lang is hij aan het woord over een taal waarvan u na afloop weet dat het geen taal, maar een hele taalfamilie is. Die taalfamilie heeft een lange geschiedenis. Die start rond het begin van het eerste millennium voor Chr. en loopt tot op heden door, beslaat dus zo’n drieduizend jaar. Gzella neemt u mee vanaf dat prille begin ergens in Syrië, schetst het beeld van een taal die begint als de taal van een aantal lokale, kleine Arameese stadsstaten, maar die zich al vrij snel weet los te zingen van zijn oorsprong en zich ontwikkelt tot een wereldtaal die gedurende de volgende drieduizend jaar in het hele Midden Oosten wordt gebruikt, terwijl de taal eigenlijk – en dat is behoorlijk uniek – geen “thuisland” meer heeft.


