Miko

42 Artikelen
6 Waanlinks
222 Reacties
Achtergrond: Jay Huang (cc)
Foto: De Universiteit Leiden heropende op 17 september 1945 - foto publiek domein copyright ok. Gecheckt 30-10-2022

‘Woke’? Het is juist belangrijk dat universiteiten diverser en inclusiever worden

Waarom wordt streven naar diversiteit en inclusie toch steeds met zoveel nadruk in het controversiële getrokken? Ik las het stuk over ‘wokeness’ op de universiteiten in het NRC met stijgende verbazing en irritatie. Dat wil zeggen: wat de studenten te berde brachten klonk allemaal heel vooruitstrevend, en deels herkenbaar. De verbazing trof de manier waarop sommige van mijn collega’s ergens nog steeds vast lijken te zitten in een soort intuïtieve koudwatervrees; de irritatie betrof de frequentie waarmee de woordelijke erkenning van de noodzaak van diversiteit en inclusie bij sommigen steeds maar weer gepaard moet gaan met angstige verwijzingen naar een mythisch ‘klein groepje’ dat mogelijk wel heel erg ver gaat in hun streven naar diversiteit en inclusie. De vrees voor een paar studenten aan de radicalere kant van het spectrum lijkt het zo soms te winnen van de urgentie om daadwerkelijk te veranderen. Dat is onterecht. Niet de splinter, maar de balk is het probleem.

De laatste jaren zag ik die balk, met name op het punt van etnische diversiteit, bij herhaling van nabij. Zo sprak ik eens met iemand over uitingen van academici op de sociale media, en pas achteraf realiseerde ik mij hoe iedereen wiens uitingen in dat gesprek omschreven waren als ‘provocatief’ of uitgesproken een kleurrijke migratieachtergrond had. Ik zag biculturele studenten zoeken naar onderwerpen die aansloten bij hun belevingswereld in een intellectuele traditie die hen steeds weer terug naar Europa duwt. Ik zag het ontstaan van een zeer ongemakkelijk gesprek toen een wetenschapper van kleur iets opmerkte over het gebruik van bepaalde etnische parameters in een onderzoek.

Foto: Tom Woodward (cc)

De waarheid, de wetenschap
en de mens

Van alle wetenschappelijke takken van sport is de studie van de mens veruit het meest complex. Deels is dat een probleem van praktische aard. Menselijk gedrag is vrijwel onmeetbaar, slecht modelleerbaar, vaak onbegrijpelijk buiten een specifieke context en in alle opzichten mateloos gevarieerd: het is voortdurend aan verandering onderhevig, en wat je op de ene plek dagelijks ziet, zul je op de andere tevergeefs zoeken. Wat nog komen moet is onvoorspelbaar, wat er is, is ongrijpbaar, en wat geweest is wordt in hoog tempo fragmentarisch—dat wat je morgen wil weten, blijkt gisteren per ongeluk te zijn weggegooid. Voordat je het menselijke goed en wel onder woorden hebt gebracht, is alles alweer anders. Πάντα χωρεῖ καὶ οὐδὲν μένει (*).

Tegelijkertijd is er een nog veel fundamenteler obstakel: is de mens eigenlijk wel in staat zichzelf te onderzoeken? Waar het in de exacte wetenschappen, en deels ook in de medische wetenschappen, nog enigszins mogelijk is om klinisch een probleem in kaart te brengen, verkruimelt de distantie wanneer de mens het menselijke onderzoekt. Dat is (volgens mij) vrijwel onvermijdelijk: we dwalen niet als onbeschreven bladen door de wereld die we bestuderen, maar worden gedreven en gestuurd door allerlei ideologische, culturele en religieuze preoccupaties—en de meest fundamentele preoccupaties hebben betrekking op wie we zijn, hoe we (samen)leven, waar we vandaan komen en waar het met de mens naartoe moet. Iedere wetenschapper die mensen onderzoekt – in het nu of in het verleden, vlak bij huis of heel ver weg – verhoudt zich tot zijn onderzoeksobject, en die verhouding is eigenlijk per definitie ideologisch gekleurd – of je je nou met Romeinse keizers bezighoudt, met leprozen in de middeleeuwen, of met sociale fragmentatie in het Europa van de vroege eenentwintigste eeuw. Dit geldt bovendien niet alleen de wetenschapper zelf, maar zeker óók zijn publiek.

Foto: Ding Yuin Shan (cc)

Bij de opstand tegen de ‘linkse elite’

Ik was nooit zo van de elite, vond ik. De elite, dat waren zij daar, in hun dikke zwarte auto’s, met hun dikke portemonnee en hun dikke vinger in de pap. Vroeger, in dat dorp van weleer, waren we al helemaal niet van de elite. De elite, dat was het CDA, en dat waren wij thuis beslist niet.

Wij, die van links, waren daar maar met weinig, en als er al eens iets in de lokale melk te brokkelen viel, dan was blijvend succes beslist niet vanzelfsprekend. Stapje vooruit, stapje terug, stapje opzij, en voor straf een concessie aan het CDA.

Ik had een onbezorgde jeugd in het middelste huurhuis in een rijtje van drie, maar groeide op in de wetenschap dat progressieve waarden die over mijn paplepel naar binnen gingen in de buitenwereld beslist geen gemeengoed waren. Niet in het Loon op Zand van Van Dun, niet in het Nederland van Lubbers, en al helemaal niet achter het Gordijn, of bezuiden de Mediterannée.

Ik vond het ook altijd maar raar, dat ze tegen onze gymnasiumklas maar bleven zeggen dat we de bloem der natie waren. Op zaterdag, in de kleedkamer, vonden ze dat hele Latijns vooral gelul – ik kon het niet eens praten! Op het veld werd gecommuniceerd in eenlettergrepige exclamaties, en op de training kreeg je gewoon een schop. Normaal doen, klootzak, en hier met die bal. Met progressieve praatjes over uitkeringen en vluchtelingen hoefde ik al helemaal niet aan te komen. Allemaal luilakken. Profiteurs en uitvreters. Geen plaats in de herberg. Het was 1992, en het land dat ik kende was rechts en conservatief. Ik niet.

Foto: summerbl4ck (cc)

Stropoppen over de multiculturele samenleving

OPINIE - Ik ben geen fervente tegenstander van de multiculturele samenleving – dat wist u vermoedelijk al. Wat u wellicht nog niet wist is dat ik eigenlijk ook niet echt een voorstander ben van de multiculturele samenleving. Misschien wel nooit geweest ook. Ik zou ook eigenlijk niet zo goed weten waar ik voor of tegen moet zijn – een samenleving is multicultureel of niet, en dat lijkt me in niet zozeer een ideaal, als wel een demografisch feit. Je kan dat mooi of lelijk vinden, maar het blijft eerst en vooral een feit. En over dat simpele feit heb ik niet zo’n sterke mening, eigenlijk. Het is zo.

Ik begreep ook niet waarom iedereen zo boos werd op Ella Vogelaar, toen ze tien jaar terug zei dat, op termijn, de islam deel van onze cultuur zou worden. Het leek me dat ze sprak over een simpele, op demografische gronden gebaseerde waarschijnlijkheid, niet over of zoiets wenselijk of onwenselijk was. Ik denk ook nog steeds dat ze gelijk heeft, trouwens, en ik denk dat het zogenaamde ‘islamdebat’ waar we nu al jaren middenin zitten een belangrijke eerste stap in die onvermijdelijke richting is. Maar dat terzijde.

Multiculturalistische wegkijkers? Nou…

Wat om die reden ronduit storend is zijn de onweersproken spookverhalen over zogenaamde ‘multiculturalisten’ die zouden menen ‘dat moslims gevrijwaard moeten blijven van kritiek omdat zij daarvan psychologische schade zouden ondervinden’. Misschien voel ik me te snel aangesproken door deze woorden van Machteld Zee uit het interview met Wierd Duk, maar in Nederlandse context gaat het bij ‘multiculturalisten’ bij uitstek over mensen van linksprogressieven huize – zoals ondergetekende (zie ook de subtiele hint van Ewout Klei in deze richting).

Foto: Sargasso achtergrond wereldbol

Kunduz en de standvastigheid van Jolande Sap

Je kan tegen die missie in Kunduz zijn, je kan ervoor zijn, of je kan het niet weten. Ik hoor zelf tot de (schijnbaar vrij kleine) groep mensen voor wie die missie niet de grootste urgentie ter wereld heeft, maar die eigenlijk ook weer niet zoveel problemen heeft met de doelstellingen en inrichting van het avontuur. Ik heb weinig bezwaar tegen het opleiden van een paar honderd toekomstige agenten, en als je dat in een oorlogsgebied doet kun je maar beter goed beslagen ten ijs komen. Tegelijk: ik was niet de straat op gegaan als die missie niet door was gegaan. Misschien ben ik gematigd voorstander, misschien ook niet. Ik weet het eigenlijk niet eens. Dat zijn keiharde grijstinten, inderdaad. Ja, dat kan nog in Nederland, in 2011, ook al vinden we van elkaar dat we altijd alles heel stellig moeten weten en daar vervolgens heel hard van alles over moeten roepen. Nuance is immers voor mietjes.

Nu wil het toeval dat ik lid ben van die ene partij waar dit hele Kunduz-verhaal om schijnt te draaien. Die partij waarvan de kamerfractie, na veel vijven en zessen uiteindelijk tóch besloot vóór de missie te stemmen terwijl veel leden en kiezers daar helegaar niet om zaten te springen. Die partij die op het partijcongres na nog meer vijven en zessen instemde met de door de fractie gekozen koers – edoch zulks allerminst unaniem. Kunduz maakt dat GroenLinks onder het vergrootglas ligt, en dat is begrijpelijk en terecht: je steekt je nek uit en recht de rug, en neemt een controversiëel besluit dat voor de buitenwacht goeddeels onverwacht lijkt. Dan komt het gedonder vanzelf. Van alle kanten. Van mensen die gestemd hebben op partijen die tegen de missie zijn (met name de grote broers op links), en van mensen die gestemd hebben op partijen die voor de missie zijn maar op de beslissende tegenstem van GroenLinks hadden gerekend.

Foto: Sargasso achtergrond wereldbol

Het precedent Buruma

Dus: een politicus beschuldigt een aanstaand rechter van het hebben van een hem niet welgevallige politieke mening, en vervolgens zegt de aanstaand rechter publiekelijk het lidmaatschap van zijn politieke partij op, want wat moeten die paar mensen die op de politicus gestemd hebben anders wel niet denken? Het is totale waanzin. De tyrannie van de schreeuwende minderheid is dus blijkbaar al zo diep geworteld dat het niet meer ondenkbaar is je politieke overtuiging aan de wilgen te hangen om je publieke functie maar te kunnen uitoefenen zonder dat de hatende hordes aan je stoelpoten zagen. Het is behaagzieke zelfcensuur – alles voor Henk en Ingrid, mijn politieke overtuigingen en principes voorop.

Het is zinloos. Je kan de man wel uit de partij halen, maar de partij niet uit de man, zeker niet voor Henk en Ingrid. Als Buruma écht gelooft dat Henk en zijn ega hierin trappen, dan schat hij ze totaal verkeerd in. Voor hen blijft hij Buruma, de salonsocialist, de linkse lul die er, je bent mediaprofessor of niet, als de kippen bij was om Wilders vanuit zijn ivoren toren met Mussolini te vergelijken. Sterker: ze zullen met graagte het etiket ‘draaikont’ van stal halen: nu hij een mooi baantje kan krijgen, zegt hij snel zijn lidmaatschap op. Henk en Ingrid haten de PvdA, maar ze hebben een nog veel grotere hekel aan baantjesjagers die hun principes verloochenen – en onterecht of niet, dát is hoe zij Buruma zullen inschatten. En als ze dat niet zelf doen, doen anderen dat wel voor hen.

Foto: Sargasso achtergrond wereldbol

Quote van de Dag: Chinezen in de knel in Libië

[qvdd]

“We hope after a return to stability in Libya, Libya will continue to protect the interests and rights of Chinese investors and we hope to continue investment and economic co-operation.”

De woorden van Wen Zhongliang, plaatsvervangend onderknuppel van het Chinese ministerie van Economische zaken. China importeert drie procent van de eigen olieconsumptie uit Libië. Het land onthield zich, in de VN, van stemming over de NAVO-luchtsteun, en veroordeelde vervolgens de NAVO-acties in niet mis te verstane bewoordingen. De woorden van Wen Zhongliang lijken een reactie op wat een woordvoerder van de rebellenoliemaatschappij Agoco zei – namelijk dat Agoco geen enkel probleem heeft met de westerse olieboeren, maar politiek nog wel een appeltje te schillen heeft met landen als Rusland, China en Brazilië. China heeft dus, ordinair, op het verkeerde paard gewed, en probeert nu te redden wat er te redden valt. Het zal vast met een sisser aflopen, maar de uitspraak is wel illustratief voor het geopolitieke schaakspel dat achter de revolutie plaatsvindt.

Foto: Sargasso achtergrond wereldbol

Rummikubben

Terwijl wij, de Nederlanders, over elkaar heen buitelen in gekissebis over een in het rond schietende christelijke haatconservatief, over de woorden van een van zijn Grote Roergangers en hoe gevaarlijk ze al dan niet zijn, over het getortel van een politica zes jaar terug in de Afghaanse woestijn, en de voorzichtige danspassen van een Premier op Dance Valley, stort het hele kaartenhuis langzaam in elkaar. Terwijl wij vrolijk zitten te rummikubben aan tafel, wankelen de muren, en komt het stuc van het plafond naar beneden. We zouden ons daar druk over kunnen maken. We zouden kunnen nadenken over de stutten die we moeten plaatsen. We zouden emmers kunnen pakken om het lekkende water op te vangen. We zouden het bouwbedrijf kunnen bellen. Maar ja. We zitten te rummikubben. En als je rummikubt, kub je rummi. Dat huis, dat blijft nog wel even staan. Staat al eeuwen, hoor. Is gewoon de leeftijd, en de wind. Komt goed. 

Niet dat ik echt snap wat er aan de hand is. Sterker: ik krijg stellig het vermoeden dat vrijwel niemand helemaal precies doorgrondt hoe het zit. En van die paar mensen die het wellicht echt helemaal snappen, weet dan weer niemand hoe ons, de nitwits, zover te krijgen dat we snappen wat er aan de hand is, wat er zou moeten gebeuren, en waarom dat per se zo is – ook al omdat er tallozen zijn die het denken te snappen en met even veel overtuiging een totaal ander verhaal vertellen. Ons financiële systeem is zo ingewikkeld dat voor de leek zelfs de verhalen erover nauwelijks nog te volgen zijn. Vrijwel niemand is in staat te doorzien wie van de deskundologen u doelbewust een oor aannaait, wie u met de allerbeste bedoelingen het verkeerde pad op stuurt, en wie nou uiteindelijk plannen aandraagt die zoden aan de dijk zetten. Zelfs als je er vanuit zou gaan dat er maar één weg is die naar de uitgang leidt in plaats van zevenentwintig, ben ik niet in staat uit te maken welke weg de juiste is. Kan ik dus ook werkelijk niks zinnigs over zeggen. Kan ik dus beter blijven rummikubben.

Foto: Sargasso achtergrond wereldbol

Komkommer eten met Mariko P.

Vaak lees je in de media van die wat zurige commentaren over politici die moeten ‘scoren’ en dus ‘om het minste of geringste’ lange lijsten met kamervragen uitpoepen en spoeddebatten bijeen ronselen. Niet dat journalisten daar nou werkelijk zo’n enorm probleem mee hebben – het vult de kolommen en bulletins, zorgt dat de persen blijven draaien en als er ook nog even een mooi persbericht bij geleverd wordt of wat vlugge quotes in de wandelgangen, is het een kwestie van control C, control V, even (prrrrrr) door de mixer halen, kekke kop erboven en klaar is Klara. Je stukken schrijven zichzelf. Scheelt tijd, mankracht en geld. Reuze handig dus, al met al. En reuze leuk. Maar dan breken die onvermijdelijke zomermaanden aan, en stopt de Haagse autorandom news generator. Af en toe scheert er een proefballon door de lucht. Hier en daar smeult een binnenbrandje. Een enkeling vergeet een miljard of vijftig op de boekhouding. Doch verder is de lucht blauw, het gras groen, en is er in Den Haag geen hol te doen.

En de journalist? De journalist wrijft de pareltjes zomerzweet van zijn voorhoofd, en neemt nog een hap komkommer. En typt. Want er komt dan wel geen nieuws binnen, maar er moet wel degelijk nieuws uit. Het zijn vaak de journalisten, meer nog dan de politici, die moeten scoren. En – in het geval van de dodebomenbodes – graag met iets dat het een beetje leuk doet in de schappen. Het is vakantie. Niet te moeilijk, wel smeuïig. De komkommertijd is ideaal voor een schandaaltje . Liefst een beetje privé, dat leest lekker weg op het strand. Het strand is immers geen plek voor zware discussies over Echt Belangrijke Zaken.

Foto: Sargasso achtergrond wereldbol

De Portretrechten van Anders Behring Breivik

Het meest confronterend vind ik dus die foto’s die overal opduiken. Er zijn een paar varianten, maar de keurige-trui-variant lijkt het, gek genoeg, vooralsnog te winnen. In deze variant kijkt de massamoordenaar het publiek met licht naar links gebogen hoofd aan, de haren keurig gekamd, een paar plukjes haar op de kin, en iets dat op een haast verlegen grijns lijkt. De torso is licht gedraaid. Over een oranje blouse draagt de marxistenkiller een donkerblauwe, haast zwarte trui met de krokodil van de firma Lacoste iets boven de linker tepel. De witte achtergrond suggereert een haast professionele portretfoto. Een fatsoenlijke knaap, zou je zeggen. Een keurige jongen. Een acht voor wiskunde, een zeven voor economie. Nine to five burobaan met behoorlijke financiële compensatie. Keurig samenwonend met zijn vriendin. De ideale schoonzoon. Eens in het jaar nog dronken met de oude studievrienden. Nu nog wel, want binnenkort komen de kinderen, en dan is het afgelopen met de pret. Misschien een beetje conservatief, maar verder vooral onopvallend.

De waanzin heeft een verontrustend vertrouwd gezicht, en dat gezicht lacht de wereld vriendelijk en beleefd toe. Het kwaad ziet eruit als dertien in dozijn. Ik word daar koud van. Ik realiseer me dat ik geen truien van Lacoste heb, en ik bedenk me prompt dat het feit dat ik me dat zo ongeveer automatisch realiseer tamelijk bizar is. Maar misschien ben ik wel niet de enige.
Aan de ene kant is de confrontatie met de banaliteit van het kwaad misschien wel goed. Het kwaad zit ergens misschien ook wel in ons allemaal. Natuurlijk zit er een steekje los in die man, maar het blijft een mens die door zijn eigen menselijke tekortkomingen tot onmenselijke daden komt. U en ik hadden ook tot zo’n machinegeweermonster kunnen verworden – door de psychische aanleg waarmee we op de wereld kwamen, door de loop der dingen, door het ideologische gif dat we besloten tot ons te nemen. Het is slechts niet zo gelopen, omdat we als andere mensen op de wereld kwamen, en ons niet in die richting hebben ontwikkeld. Huiveringwekkend vind ik dat.

Volgende