Het H-woord en het niet bestaande probleem
Over zin en onzin van de hypotheekrenteaftrek werd in het verleden al veel gesproken. Een belangrijk punt is dat deze maximaal kan worden benut door aflossingsvrije hypotheken af te sluiten. Aflossingsvrij betekent daarbij niet dat de hypotheek nooit wordt afgelost, alleen dat de aflossing niet geleidelijk plaats vindt, maar in een keer voor 100% op het einde van de looptijd, na maximaal 30 jaar. Dan moet het geld er wel zijn. In tijden van dalende huizenprijzen ontstaan in dit verband nu extra risico’s en dat is vermoedelijk de reden dat hypotheken voortaan nog maar voor maximaal de helft aflossingsvrij mogen zijn.
Opvallend is dat zich nu ook De Nederlandse Bank (DNB) zich met dit fiscale vraagstuk bemoeit door een voorstel om nu ook de hypotheekrenteaftrek te verlagen. Dit voorstel laat echter vele vragen onbeantwoord. De voornaamste is waarom het volgens DNB niet goed genoeg is om naast een aflossingsvrije hypotheek voldoende geld bij te sparen om op het einde van de looptijd de hypotheek te kunnen aflossen. Niemand komt toch graag in de schuldsanering terecht en is dat niet als prikkel genoeg? Misschien, maar misschien ook niet. En de banken dan? Zorgen die niet zelf al voor voldoende zekerheid? Het nemen van risico’s en het beperken daarvan door zekerheden te vragen hoort bij banken toch tot de orde van de dag. Banken hebben nooit anders gedaan. Was het niet zelfs het probleem dat de banken op dit moment te weinig leningen verstrekken en niet teveel?