Jan BL

7 Artikelen
Achtergrond: Jay Huang (cc)

Gekker dan gek op natuurkunde

Walter Lewin heeft een dik boek geschreven over de natuurkunde. Of, dik, eh … Het is slechts 370 pagina’s, maar het papier is dik, en het is ruim gezet: zo’n 350 woorden per pagina. En een aantal verhalen staan er wel twee of drie keer in. Maar het resultaat is dat het als boek heel wat lijkt en dat het toch meevalt: er is goed door te komen en het wordt nergens te moeilijk. Het boek is dan wel van een echte hoogleraar van MIT, maar is bedoeld voor een breed publiek. Leken die er nog niets van snappen, jongeren die er nog niets van weten, ouderen die het niet zo goed hebben bijgehouden, lezers die de KIJK en de Quest al uit hebben, voor iedereen worden wel wat goed verteerbare hapjes gepresenteerd. Het wordt allemaal uitgebreid geïllustreerd in “Gek op natuurkunde” en het wordt smeuïg verteld. Zoals Matthijs van Nieuwkerk zei: “Zo’n college willen we allemaal wel.”

Lewin presenteert zichzelf dan ook als de allerbeste natuurkunde-professor ter wereld. De wereld, die immers toch wel door draait, spreekt dat niet graag tegen, net zo min als dat de wereld gniffelt over de enorme aandacht die wordt besteed aan het vertrek van Robbert Dijkgraaf naar Princeton. Wat is hier aan de hand? De laatste tijd lijken sommige wetenschappen, in het bijzonder de natuurkunde, te lijden aan ijdelheid en zelfingenomenheid. Ze zitten zich daar dan op de borst te trommelen als een stelletje trotse gorilla’s. Dat maakt veel indruk. Of is dat misschien bewust gestuurd beleid? Om er voor te zorgen dat er meer studenten komen naar de bètastudies, of om meer subsidies te kunnen vergaren? Mij overtuigt het in elk geval niet. Ik heb wel veel respect en sympathie voor de beroemde natuurkundigen uit vorige eeuwen, maar die van vandaag lopen vaak rond met het air van “wij zijn toch slimmer dan jullie”. Ik erger me eraan dat zij dat dan niet eens goed proberen te verbergen, maar er juist ongegeneerd mee koketteren.

Geld en recht: egoïsme en altruïsme in Europa

De financiële sector heeft de laatste decennia Europa niet veel goeds gebracht. Zalm, Rutte en De Jager maken zich met hun normatieve houding over begrotingstekorten niet alleen thuis ongeliefd, maar worden in heel Europa boos aangekeken. Andere grote spelers in de financiële wereld, die in Europa sinds het begin van de EU voornamelijk hun eigen belangen nastreefden, hebben Europa inmiddels tot op de rand van de afgrond gebracht. Hoe anders is het gelopen met wat tegelijkertijd door juristen in Straatsburg werd opgebouwd. Zij hebben in Europa een systeem voor de verdediging van de mensenrechten opgebouwd waar we blij mee mogen zijn. De juristen dachten niet aan zichzelf, maar bewaakten de belangen van derden. Altruïsme is toch een sterkere kracht dan eigenbelang, ook in het daarbij aanvankelijk erg tegenstribbelend Nederland.

Hoe reilen en zeilen economie en recht in Europa? Zijn de juristen, de politici, de lobbyisten en de bankiers één pot nat, allemaal handen op één buik? Wat willen ze, voor wie regelen ze dat, en waarom? Kunnen we de Europese Unie, de euro, de Europese Monetaire Unie, de mensenrechten, het Europees Verdrag voor de Rechten van de mens (EVRM) en het Europese Hof voor de rechten van de Mens (EHRM) op één hoop gooien? Of ligt het genuanceerder?

 

De financiële sector

Remunicipalisation – twee stappen vooruit in het ontwikkelingswerk

Inleiding

Zoals Baron Von Munchhausen zich aan zijn eigen haren uit het moeras trok, zo wordt er al jaren door ontwikkelingswerkers en locale bevolking in allerlei landen en situaties gewerkt aan een nieuwe vorm voor de economie. In het Engels wordt dit soort werk omschreven als “remunicipalisation of community service providers”. Het gaat vooral om een vorm van arbeidsorganisatie waarin het dienen van het algemeen belang het belangrijkste richtsnoer is. Soms heet het zelfhulp, soms microkrediet, soms scholing en organisatie, soms dekolonisatie, soms emancipatie of empowerment, soms reorganisatie, soms counterparting of soms democratisering.

Deze moeilijk onder één noemer te vatten praktijken trekken de aandacht van onderzoekers. De wetenschappers en filosofen die het zien gebeuren kunnen het nog niet precies pakken, maar als ze goed gaan kijken blijkt het toch waar: er ontstaan reële alternatieven voor de westerse economonopoliae. Het begint zich af te tekenen hoe een nieuwe economie eruit zal moeten zien.

Twee boeken

Het Transnational Institute (TNI) en het Municipal Services Project (MSP) en het hebben onlangs op 22 maart 2012 twee boeken gepresenteerd waarin hun onderzoekers minutieus verslag doen van talloze situaties van over de hele wereld, waarin vooral aanvankelijk mislukkende private initiatieven (veelal een of andere vorm van community service provider of nutsbedrijf) toch met succes uit het moeras werden getrokken en succesvol werden teruggegeven aan de echte stakeholders, de municipality.

Hoe oud is de scheikunde?

Wat geeft onze eeuw vorm? Het alom tegenwoordige issue de laatste tijd is denk ik wel de informatietechnologie (IT), een speciale vorm van de elektrotechniek, wat weer een tak is van de natuurkunde. Iedereen weet daar wel wat van, van de geschiedenis van de IT.

Zoals… Honderdvijfentwintig jaar geleden werden de radiogolven ontdekt, door Maxwell, Herz en Marconi. De audion, de eerste radiolamp is van 1906 en werd uitgevonden door DeForest. De automatisering van het telefoonnet begon in 1925. In de tweede wereldoorlog gebruikte men niet alleen routinematig de radioverbinding, maar ook de radar. De transistor, oorspronkelijk een blokje germanium met twee metalen snorhaartjes erop, werd in 1947 uitgevonden door Brattain, Bardeen en Shockley. De eerste Integrated Circuit werd in 1959 gedemonstreerd door Kilby. Daarna gingen de ontwikkelingen steeds verder: de echt draagbare draadloze telefoon is van 1973 en het internet zoals we dat nu kennen werd geopend in 1985. De spelconsoles van de kinderen van vandaag werken met draadloze verbindingen, positie-, hoek- en afstandsensoren, en met de hele wereld omvattende netwerken en beeldherkenningstechnieken.

En we zijn er ons over het algemeen ook goed van bewust dat al die gadgets “modern” zijn. Elk jaar een nieuwe telefoon, elke twee jaar een nieuwe PC, elke drie jaar een nieuwe TV en HiFi – het gaat maar door, en het verschaft ons veel plezier, zo niet veel echt gemak.

Hoe Alexis de Tocqueville een einde maakte aan de armoede

In 1835, bijna 50 jaar na de Franse Revolutie en 50 jaar voor de stoomschepen het zouden winnen van de zeilschepen, schreef De Tocqueville zijn “Sur le paupérisme”. In 2011 verscheen een nieuwe Nederlandse uitgave met voor- en nawoord, in dezelfde serie waarin het veel actuelere “Neem het niet” van Stéphane Hessel is uitgegeven. Beide boeken vallen in de categorie maatschappijkritiek. Ik kocht na het lezen van een recensie en een tip op Sargasso eerder al het laatstgenoemde boekje, zocht naar meer en bespreek nu het boek van Alexis de Tocqueville.

De Tocqueville beziet de in de eerste helft van de vorige eeuw ontspruitende verzorgingsstaat met sympathie, maar tegelijkertijd met veel argwaan. Dat de hedendaagse VVD-er of PVV-er zich goed in de ideeën van De Tocqueville terug kan vinden is pijnlijk, maar we moeten er even doorheen bijten. Het hedendaagse voorwoord van Albert Jan Kruiter vat het gedachtengoed van De Tocqueville zo samen: “Ook omdat ambtenaren het moeilijk vinden om mensen een uitkering te ontzeggen. Daarom zijn veel te veel mensen afhankelijk van bijstand.

Hoe is het zo gekomen? Volgens De Tocqueville leefden de Indianen in het noorden van Amerika nog egalitair en maatschappelijk ongestratificeerd. Pas door de overvloed die landbouw en veeteelt na de middeleeuwen in Europa brachten ontstonden het feodalisme en de aristocratische smaak voor meer genoegens, rijkdom en luxe. Boeren en boerenknechten bleven relatief zeker van hun plaats in de maatschappij, maar de nieuwe arbeiders werden de dupe: zij zijn volstrekt onvermogend en afhankelijk van inkomen dat door allerhande oorzaken kan worden ingeperkt en door grote gebeurtenissen volledig kan verdwijnen. En dan lijkt De Tocqueville opeens vooruit te lopen op het Marxisme: “In de grote fabriek van de menselijke samenlevingen beschouw ik de industriële klasse als de klasse die van God de speciale en bijzondere missie heeft ontvangen om met alle risico voor zichzelf het materiële geluk van de anderen te verzekeren.

Wellink schaart zich achter Occupy

Je kon een speld horen vallen toen het zou gaan beginnen, in het goed gevulde kleine zaaltje van Spui 25. De veelschrijvende journalist Roel Jansen interviewde Nout Wellink, ter gelegenheid van het verschijnen van de geactualiseerde derde druk van het boek “Wellink aan het Woord”. Zou het nog gaan over de val van de DSB-bank, zou het gaan over de Euro-top van de vorige week, zouden we te horen krijgen waar we ons geld het beste kunnen laten?

Het publiek zat met vragen. Wat zou er gebeurd zijn als Ice-Save indertijd daadwerkelijk door DNB beperkt was op 600 miljoen euro? Waarom werd Dirk Scheringa niet op tijd gecorrigeerd? Dat steunfonds van de EMU, wat gebeurt daar nu eigenlijk mee? Als er nu lang geleden al een Tobin tax was ingevoerd, zou dan de crisis niet veel minder erg zijn uitgevallen? Hoe zien de sancties eruit die in de EU worden toegepast als een land zich niet aan zijn begrotingsdiscipline houdt. Uit de zaal vraagt iemand: ,,Meldt de bewindvoerder zich dan bij het Élysée?”

Zag Wellink de crisis aankomen, zoals hij laat melden op pagina 138 van zijn interviewboek, of, zoals wij later begrepen, zag hij de crisis niet aankomen, immers onder ede gemeld tegenover de Commissie De Wit? Wellink zei nu wel, over de gebeurtenissen in 2008, in de aanloop van de crisis:  ,,We hebben ongetwijfeld fouten gemaakt bij de DNB – maar wie ziet een crisis aankomen?”

Foto: Eric Heupel (cc)

De apologie van Nout Wellink

Het boek Wellink aan het woord van Roel Jansen leest als een Kuifje verhaal. Vijf spannende avonturen in één band! Kuifje in IJsland, Kuifje in Wognum, Kuifje gaat naar Basel, Kuifje ruimt de brokken op in Amsterdam en Rotterdam, Kuifje en de springende euro. Het boek is zo goed geformuleerd dat het los komt van de werkelijkheid.

Want hoe praat Nout Wellink echt? In het boek, in een soort Wellinkspeak zegt hij eerst: “De Nederlandse Bank heeft kennisgenomen van wat TCI wil doen op de komende aandeelhoudersvergadering. Bij de beoordeling van verdere ontwikkelingen staan vooral de kwaliteit van het financiële stelsel, alsmede de onverkorte toepassing van prudentiële beginselen gericht op solvabiliteit en liquiditeit van de Nederlandse financiële sector, centraal. Bescherming van bovengenoemde uitgangspunten is verankerd in de Nederlandse wetgeving en DNB is op de haar gegeven verantwoordelijkheden aanspreekbaar.” Als er even later een journalist bij komt, betekent dit gewoon: “Dit is een brug te ver.

Roel Jansen kiest een weg tussen beide abstractieniveaus. Wellink aan het woord is daardoor een tamelijk ongrijpbaar, weinig lineair verhaal. Het is geen echte geschiedenis en geen diepgravende analyse, maar vooral een verslag in vrije vorm en commentaar bij de gebeurtenissen en, ten gronde, één lange apologie.