Voor het eerst is in Nederland een boek verschenen met alle gedichten van de Argentijn Jorge Luis Borges (1899-1986). Op de linkerpagina het Spaanse origineel en op de rechter de vertaling van Barber van de Pol en Maarten Steenmeijer. Omdat mijn eigen Spaans gebrekkig is, wil ik de vertalers bescheiden mijn compliment geven; ik kan over de Nederlandse versies alleen zeggen dat ze boeiend zijn en vaak niet onderdoen voor originele Nederlandse gedichten.
Borges was een Argentijn. Het grootste deel van zijn kindertijd bracht hij door in Europa. Toen hij als jonge man met zijn ouders terug kwam in Argentinië, schreef hij enkele bundels gedichten om zijn geboorteland te bezingen. De bundels verschenen in de jaren twintig van de vorige eeuw. Toen zijn jonge jaren voorbij waren was het op, zoals dat bij dichters vaak gebeurt.
Maar laat in zijn leven begon hij opnieuw. Zelf vond Borges dat in zijn vroege gedichten de kiemen aanwezig zijn van zijn late. Er was echter in Borges’ leven iets beslissends gebeurd: hij was blind geworden, Misschien daardoor, of misschien door het ouder worden, zijn de latere gedichten filosofischer dan de vroege, al zijn ze nog levendig en zintuiglijk genoeg.
Alle dingen in Borges’ gedichten zijn op hun eigen manier vergankelijk. Wat hij ook als onderwerp neemt, een bloem, zichzelf, iemand anders- hij legt er de tijdelijkheid van bloot, niet alleen van het ding zelf maar van ieder spoor, iedere herinnering die het achterlaat. Je zou kunnen denken: dit is dus de zoveelste dichter die alsmaar melancholiek aan het klagen is. Maar zo simpel ligt het niet. Als je bij Borges al van melancholie kunt spreken, is het een soort omgekeerde, opgewekte melancholie. Dat we allen moeten sterven vond Borges juist een zegen voor de mensheid. In het prozagedicht Drietal (blz. 1093) spreekt hij, een jaar voor zijn dood, van