Bart Berman

15 Artikelen
Achtergrond: Jay Huang (cc)
Foto: Eric Heupel (cc)

’s Brent! (Brand!) van Mordechaj Gebirtig

Gebirtig woonde in 1936, toen hij dit lied maakte, in het getto van Krakau. Het lied is een reactie op een antisemitische terreuractie tegen de Joden in het Poolse Przytyk.

Het lied is een oproep om een brand te blussen in het dorp (sjtetl), maar dat staat symbool voor de oproep om zich tegen het Nazisme te verzetten en de Joodse wereld te redden voordat het te laat is.

‘s Brent, briderlech, ‘s brent, oj, oenzer orem sjtetl, nebech, brent. Bejze wintn mit jirgozn rajsn, brechn, oen tseblozen sjtarker noch die wilde flamen, alts aroem sjojn brent! Oen ir sjtejt oen koekt azoj zich mit farlejgte hent, oen ir sjtejt oen koekt azoj zich, oenzer sjtetl brent. Brand, broeders, brand! O wee, ons arm stadje brandt. Kwade stormwinden scheuren, breken, en blazen woedend de wilde vlammen noch sterker aan, alles om ons heen staat al in brand! En jullie staan daar maar te kijken met verlamde handen, en jullie staan daar maar te kijken, ons stadje staat in brand. ’s Brent, briderlech, ’s brent, Oj, oenzer orem sjtetl, nebech, brent. ’s Hobn sjojn di fajertsoengen ’s gantse sjtetl ajngesjloengen oen di bejze wintn hoezjen, alts aroem sjojn brent, oen ir … Brand, broeders, brand! O wee, ons arm stadje brandt. De tongen van het vuur hebben het hele stadje al verslonden, en de kwade winden loeien, alles om ons heen staat al in brand,
Foto: Eric Heupel (cc)

Toneelrecensie | Herakles

In de voorstelling “Herakles”  weten de theatermakers van toneelgroep De Appel het publiek acht volle uren lang geboeid te houden. Hoe doen ze dat?

Natuurlijk maken ze gebruik van hun vermogen om sfeer te scheppen. Het rijk der doden is heerlijk troosteloos. Het hof van de slechte koning is een fijn slangennest van incestueuze intriges. Ook heeft iedere scène een goede  opbouw naar een climax. Maar het meest opvallende middel was voor mij de afwisseling van grap en tragiek.

Het verhaal van de held Herakles is daar dan ook heel geschikt voor. Herakles is een held uit de Griekse mythologie. Het Griekse woord voor held is heros, u kent het van ons woord heroïsch. Een heros is iemand van half goddelijke, half menselijke afkomst. Hij is sterfelijk, maar na zijn dood wordt zijn ziel in sommige gevallen onder de goden opgenomen en heeft goddelijke macht. Tijdens zijn leven heeft een held bovenmenselijke kracht, maar ook zeer menselijke zwakten.

Herakles hoort dus bij de wereld van de goden en bij die van de mensen. Maar hij hoort ook bij de dood en tegelijk bij het leven:  een van zijn avonturen is, dat hij afdaalt in het Dodenrijk en daar levend weer uit komt. Een ander voorbeeld van dit leven in extremen is, dat hij wel een halfgod is, maar vele jaren lang als slaaf een zeer minderwaardig iemand moet dienen. Verder is hij wel erg viriel,  maar juist dat brengt hem in contact met vrouwen. Op één van die vrouwen raakt hij zo gesteld dat hij drie jaar lang in vrouwenkleren loopt en zich verder ook als een vrouw gedraagt. Dit laatste althans in de versie van De Appel, want er is ook een versie waarin Herakles door de  vrouw gedwongen wordt om dit te doen,  en ook een waarin Herakles’ vrouwenkleren uitsluitend een list zijn om de geile god Pan de verkeerde persoon te laten aanranden. Die komt dan van een koude kermis thuis.

Az der rebbe tanst

“Als de rabbi danst”. Dit is een lied uit het Chassidisme, een zeer orthodoxe stroming binnen het jodendom. De rabbijn was voor de gelovigen (de Chassidim) het lichtend voorbeeld en de man die voor de gemeenschap het contact legde met het goddelijke. In sommige verhalen worden hem dan ook bijzondere krachten toegeschreven. Een van de manieren waarop de rabbijn één werd met het goddelijke was, dat hij zich verloor in de extase van lied en dans. Om zelf ook deel aan dit geluk te hebben, dansten en zongen de Chassidim met hem mee.

De tekst is, net als die van Sjabbes, sjabbes, sjabbes, eenvoudig. Het schema is:

Az der rebbe (lacht, zingt, wejnt, sjloft, tantst ,………., ……….) Als de rabbi (lacht, zingt, huilt, slaapt, danst,……………,…….) (lachn, zingn, wejnen, slofn, tantsn, ….., …….) alle chasidim.

Elke activiteit die genoemd wordt, wordt door de zangers voorgedaan en het publiek doet mee. Als de rabbi lacht, lacht de zanger, als de rabbi zwijgt, zwijgt de zanger, en zo voort.

Het is natuurlijk echt een lied om samen te zingen en daarom zijn er ook veel kooruitvoeringen van. Met een kooruitvoering wil ik dan ook beginnen en wel die van het Simcha Jewish Music theatre in Minsk. De uitvoerders wekken tegelijk vertedering en bewondering. Als volwassenen dit lied zingen zijn ze weer even kind, maar als deze kinderen het zingen groeien ze en zetten een stap naar de volwassenheid. Let trouwens ook op de prima koorbewerking en de leuke regie.

Amol iz gewen a majse

Deze weken presenteer ik op Sargasso een serie Jiddische liederen. Ik geef teksten met vertalingen, links naar filmpjes of geluidsopnamen en kort commentaar op de uitvoeringen. Vandaag Amol iz gewen a majse.

Op een quasi-naieve manier vertelt het liedje een oud droevig verhaal. In het refrein klaagt de zanger over zijn eigen liefdesverdriet.

Amol iz gewen a majse,

di majse iz gor nit frejlech,

di majse hebt zich onet

mit a jidisjn mejlech.

Ljoelinke, majn fejgele,

Ljoelinke, majn kind,

ch’hob ongewojrn aza libe,

 wej iz mir oen wind.

 

Amol iz gewen a mejlech,

der mejlech hot gehat a malke,

di malke hot gehat a wajngortn,

Ljoelinke, majn  kind.

Ljoelinke…

 

In wajngortn iz gewen a bejmele,

dos bejmele hot gehat a nestele,

in nestele hot gelebt a fejgele,

Ljoelinke, majn kind.

Ljoelinke…

 

Der mejlech iz opgesjtorbn,

di malke iz geworn fardorbn,

dos tswejgele iz opgebrochn,

dos fejgele foen nest antlofn.

Ljoelinke…

 

Woe nemt men aza gochem

er zol kenen di sjtern tsejln,

woe nemt men aza dokter

Sjabbes, sjabbes, sjabbes

Een liedje dat eerst het verlangen uitspreekt naar de rust van de sabbat (Sjabbes), in het volgende couplet naar die van de religieuze feestdagen (Jontev), tenslotte naar vrede: het gaat van klein naar groot en van het specifiek Joodse naar het algemeen menselijke.

Het wordt her en der toegeschreven aan Mordechaj Gebirtig, maar dat gebeurt misschien alleen omdat het zo’n mooi liedje is en Gebirtig zo’n groot liedcomponist. In het Gebirtig-boek van Manfred Lemm, om maar een gezaghebbende uitgave te noemen, komt dit liedje niet voor. Gebirtigs poëzie is trouwens nadenkelijker en beschrijvender, verhalender dan die van dit liedje.

Er hoort een voorspel bij dat soms instrumentaal wordt uitgevoerd, soms vocaal maar zonder betekenisdragende woorden. (Men zingt dan klanken als “Ja-ba-ba-ba-baj”).

Enkele mooie uitvoeringen:

Van de Nederlandse zangeres Niki Jacobs en haar band Nikitov. Zij  slaat nieuwe wegen in door elementen van de niet-Jiddische populaire cultuur over te nemen, met zeer overtuigende resultaten.

Een aanstekelijk vrolijke uitvoering door Theodore Bikel. Hij is een van de grote zangers geweest die in de twintigste eeuw het Jiddische lied veel bekendheid hebben gegeven, ook onder niet-Joden. Ook in dit liedje toont hij zijn kracht door iedere sentimentaliteit te vermijden. Hij is 87 en nog steeds actief, zie zijn site.

Broederl, lechajim- Op je gezondheid, broertje!

In de komende weken presenteer ik op Sargasso een serie Jiddische liederen. Ik geef teksten met vertalingen, links naar filmpjes of geluidsopnamen en kort commentaar op de uitvoeringen. Vadnaag Broederl, lechajim.

De auteur van dit lied is Mordechaj Gebirtig (1877-1942). Hij was een van de belangrijkste scheppers van het Jiddische lied. Hij was een arme meubelmaker in Krakau en schreef zijn liederen ’s avonds na een dag achter de werkbank. Hij schreef in het begin alleen voor zijn vrouw en kinderen en dacht niet aan verdere verspreiding van zijn liederen, maar toch werden ze al snel heel bekend in de Jiddisch sprekende wereld. U zult in deze serie wel meer van en over Gebirtig kunnen lezen en beluisteren.

De zanger wil de toehoorder ertoe brengen, afscheid te nemen van de nuchterheid en het rijk te betreden van de roes. Daar heersen de vrolijkheid en de dans. Zorg, pijn, melancholie bestaan er niet meer.

Niet iedereen zal deze roes uit lijfelijke ervaring kunnen navoelen. Maar het verlangen naar een wereld van absoluut, ongestoord genot waar de moeilijkheden van het “echte” leven nog maar een verre herinnering zijn- wie heeft dat nog nooit ervaren? Dat maakt de tekst ook aansprekend voor mensen die niet of weinig drinken.

Foto: Eric Heupel (cc)

Het Jiddische lied

In de komende weken presenteer ik op Sargasso een serie Jiddische liederen. Ik geef teksten met vertalingen, links naar filmpjes of geluidsopnamen en kort commentaar op de uitvoeringen. Ook zal ik iets zeggen over de teksten en melodieën. Van de ontelbaar vele Jiddische liederen die er zijn, kan ik hier maar een klein deel geven. Eerst een korte introductie, dan het liedje Rozjinkes mit mandeln.

Waarom een serie over het Jiddische lied?

Het Jiddische lied is de vocale kant van de klezmermuziek, die in heel Europa beoefend wordt. Populistische stromingen werpen muren op tussen de Europese landen, niet alleen economische maar ook culturele. Daarom wil ik juist in deze tijd aandacht besteden aan iets dat Europa niet verdeelt maar bindt.

Schoonheid van het Jiddische lied

Soms zijn Jiddische liederen niet meer dan liedjes, kort en simpel. Soms zijn ze nogal barok en hoor je een zeer degelijke muzikale vorming eraan af. Maar altijd weten ze te (mij althans) te ontroeren, er gaat warmte van uit.De teksten tonen ons het leven van de Oosteuropese JOden tot de Tweede Wereldoorlog, soms heel plastisch en zintuiglijk, soms vergeestelijkt in hun religiositeit; vaak ook geestig en satirisch. De melodieën zijn, met hun merkwaardige oosterse tonaliteit en hun mengeling van verdriet en vrolijk optimisme, de mooiste en interessantste die er (afgezien van sommige Gregoriaanse melodieën) bij mijn weten in Europa zijn ontstaan. In deze serie ga ik proberen, u hiervan te overtuigen.

De dichter en de dood

Voor het eerst is in Nederland een boek verschenen met alle gedichten van de Argentijn Jorge Luis Borges (1899-1986). Op de linkerpagina het Spaanse origineel en op de rechter de vertaling van Barber van de Pol en Maarten Steenmeijer. Omdat mijn eigen Spaans gebrekkig is, wil ik de vertalers bescheiden mijn compliment geven; ik kan over de Nederlandse versies alleen zeggen dat ze boeiend zijn en vaak niet onderdoen voor originele Nederlandse gedichten.

Borges was een Argentijn. Het grootste deel van zijn kindertijd bracht hij door in Europa. Toen hij als jonge man met zijn ouders terug kwam in Argentinië, schreef hij enkele bundels gedichten om zijn geboorteland te bezingen. De bundels verschenen in de jaren twintig van de vorige eeuw. Toen zijn jonge jaren voorbij waren was het op, zoals dat bij dichters vaak gebeurt.

Maar laat in zijn leven begon hij opnieuw. Zelf vond Borges dat in zijn vroege gedichten de kiemen aanwezig zijn van zijn late. Er was echter in Borges’ leven iets beslissends gebeurd: hij was blind geworden, Misschien daardoor, of misschien door het ouder worden, zijn de latere gedichten filosofischer dan de vroege, al zijn ze nog levendig en zintuiglijk genoeg.

Alle dingen in Borges’ gedichten zijn op hun eigen manier vergankelijk. Wat hij ook als onderwerp neemt, een bloem, zichzelf, iemand anders- hij legt er de tijdelijkheid van bloot, niet alleen van het ding zelf maar van ieder spoor, iedere herinnering die het achterlaat. Je zou kunnen denken: dit is dus de zoveelste dichter die alsmaar melancholiek aan het klagen is. Maar zo simpel ligt het niet. Als je bij Borges al van melancholie kunt spreken, is het een soort omgekeerde, opgewekte melancholie. Dat we allen moeten sterven vond Borges juist een zegen voor de mensheid. In het prozagedicht Drietal (blz. 1093) spreekt hij, een jaar voor zijn dood, van

Schrijvers in China: quod non

Goede schrijvers kunnen dingen zeggen die ik altijd al dacht, maar waar ik de woorden niet voor kon vinden. Hoe komt dat toch? Waarom heb ik toch telkens het nakijken bij hun mooie opmerkingen, waarvan ik me bijna inbeeld dat ik ze zelf had kunnen maken, als ik er maar op tijd om gedacht had? Wat in mij leeft blijft verborgen totdat ik het vergeet, en zij zeggen het, dat is het verschil. Zij hebben blijkbaar een innerlijke vrijheid die ik mis. Ze denken niet aan geld of status, ze zijn niet bang voor autoritaire heersers en ze identificeren zich al helemaal niet met de macht.

Echt een reden om veel goede boeken te lezen. Dat is een kans om zelf beter te worden. Van goede schrijvers leer je denken. Dat komt doordat ze niet bang en niet zelfzuchtig zijn. Daardoor hebben ze geen belang bij de leugens van alledag. Hun denken is niet verstopt. Ze leggen een heerlijke, inspirerende vrijmoedigheid aan de dag. Daar ben ik weer eens aan herinnerd, nu Adriaan van Dis in China, in het hol van de leeuw, het vrije woord moedig en met zelfopoffering heeft verdedigd. Hij heeft daar immers gezegd:

,,Ze kunnen me nog zo’n leuk en interessant uitstapje naar een ver land bezorgen, er kan in China nog zo’n goede afzetmarkt voor mijn boeken liggen, ik ben niet te koop. Hier wordt het vrije woord gekneveld, hier worden schrijvers opgesloten. Juist nu ik hier ben, zal ik niet verhelen hoe schandelijk ik dit vind.”

Foto: Eric Heupel (cc)

Straat en school

Iliass El Hadioui, Hoe de straat de school binnendringt, uitg. Van Gennep, juli 2011, prijs €14,95, 144 blz., ISBN 9 78 94 61 64 04 44

Veel mensen vinden de grootstedelijke straatcultuur charmant. Kenmerken als kleding en taal worden vaak geïmiteerd, en niet alleen door jongeren. Een beetje flirten met de straatcultuur is ook bij volwassenen bon ton.

Uit dit prima boek van de socioloog Iliass el Hadioui valt te leren, wat die straatcultuur werkelijk inhoudt: die is echt niet alleen maar leuk. Voor jongeren die in deze cultuur zijn opgegroeid en niet hebben geleerd om zich in andere kringen te bewegen (El Hadioui noemt dat primaire socialisatie), is de straatcultuur een prettige maar tegelijk genadeloze wereld. De straatjongere is aan deze wereld gebonden doordat ze gemakkelijk en snel plezier biedt en vooral door een zeer sterk besef van erbij te horen: de straat is een thuishaven. Maar de prijs is hoog.

Om niet te worden uitgestoten uit de enige groep waar hij zich thuis voelt, moet een jongen met zo’n primaire socialisatie zich zien te voegen binnen een informele maar strenge hiërarchie. Toont hij niet het “respect” dat de sterkere of slimmere binnen de groep van hem eist, dan wordt hij met dreigementen maar ook met daadwerkelijk geweld op zijn plaats gezet. Op zijn beurt is hij voortdurend op zijn hoede, of hij zelf wel “gerespecteerd” wordt en of het geen tijd wordt om eens een mes te laten zien.

Foto: Eric Heupel (cc)

Grinnikend naast mijn kist

In april 2011 is de in Amerika wonende Nederlandse dichter Leo Vroman zesennegentig geworden. Ongeveer een week geleden kwam zijn gedichtenbundel ‘Daar’ uit. Het is, schrijft hij in zijn voorwoord, een soort dagboek van wat er in zijn poëtische brein de afgelopen twee jaar is gebeurd. Het dagboek van een heel oude man: dat heeft, zou je kunnen denken,  het gevaar in zich van gezeur. Dat geldt niet voor dit boek. Vroman is daarvoor te speels, te geestig, te diep en bovenal: te integer als dichter.  Het lijkt er meer op, dat juist de ouderdom hem de kracht geeft om zo licht en humoristisch te zijn.

Hij heeft het intussen over dingen die niet zo snel met zich laten spotten. Dat zijn in dit boek vooral de dood en de liefde. Die twee zijn voor Vroman nauw verbonden, omdat zijn leeftijd hem dwingt geleidelijk afscheid te nemen van alles waarvan hij houdt. Des te intenser neemt hij waar en heeft hij lief. In een elegant puntdicht zegt hij dat zo:

LEVEN EN DOOD

Ik vind de dood niet even groot als het leven maar leven met de dood wel tweemaal zo groot.

Met de uitspraak dat de dood niet even groot is als het leven kun je twee kanten uit. Je kunt er het besluit op baseren om goed te blijven letten op wat je ziet, zegt en doet, nu je er toevallig toch bent en niet dood bent. Dat geeft de opmerking dat leven met de dood (speels opgemeten) tweemaal zo groot is, nog meer kracht. Je kunt er ook uit opmaken dat het leven sterker is dan de dood in die zin, dat de dood niet het absolute einde van alle werelden is. Veel gedichten in dit boek geven fantasieën over het sterven en wat er daarna gebeurt, vaak met drastische humor. Een voorbeeld:

Foto: Eric Heupel (cc)

Trias errorum

De trias politica is een drietal machten in de staat dat elkaar in evenwicht houdt: de wetgevende macht (in Nederland de Eerste en Tweede Kamer), de uitvoerende macht (de regering) en de rechterlijke macht. Van minister Hillen werd een uitspraak gepubliceerd waarmee hij onduidelijkheid veroorzaakt over zijn plaats in de trias politica. Volgens nu.nl zegt hij vandaag in een interview met De Telegraaf:

“Er zijn (met de bezuinigingen op het leger, BB) geen grote problemen en we gaan nu de tweede ronde in, van ingrepen in kazernes en materieel. Dat gaat om vertrouwen van de krijgsmacht en dat is veel belangrijker dan het vertrouwen van Den Haag.”

Hillens behoefte aan vertrouwen is blijkbaar zo urgent, dat hij niet goed nadenkt en in dit korte citaat een drietal fouten maakt

Ten eerste: hij vindt het belangrijk dat het leger hem vertrouwt, maar omdat hij de baas is, is het juist belangrijk dat hij het leger vertrouwt. De regering is de uitvoerende macht en het leger is een van zijn instrumenten.

Op zijn beurt heeft de minister aan de Kamer verantwoording af te leggen. Die is de wetgevende macht en controleert de uitvoerende macht, de regering, waarvan de minister deel uitmaakt. De Kamer kan hem naar huis sturen. Het leger niet, althans niet in ons staatsbestel. Dus als de minister het vertrouwen van de Kamer niet heeft, kan hij dat maar beter zo gauw mogelijk zien te verdienen. Want dat is juist bij uitstek belangrijk voor hem. Dat is de tweede fout.

Volgende