Verval is onomkeerbaar
De Dichter des Vaderlands kan tekeergaan wat hij wil, maar als het waar is wat hij schrijft, dat we ‘ziek, nihilistisch, narcistisch en gestoord’ zijn en onze politieke leiders slechts excelleren in een decadent isolationisme (zie NRC-Handelsblad d.d. 26 maart jl.), dan heeft het geen enkele zin om tekeer te gaan. Dat doe je niet bij een opa die op sterven ligt.
Feit is dat moreel verval, zoals alle verval, eenrichtingsverkeer is. Een doodlopende weg bovendien. Je kunt het verval hoogstens vertragen, de ondergang uitstellen. Dat weet Ramsey Nasr ook. Wat hij bekritiseert is dan ook niet zozeer het verval op zich, maar de wijze waarop we haar beklagen. ‘Normloosheid spreidt zich uit als een olievlek over onze politiek, onze media en heel onze cultuur. Moet kunnen. Maar dan moeten we ook ophouden met het geëmmer over onze nationale cultuur. Het is het een óf het ander.’
Toch lijkt hij erin te geloven het tij te kunnen keren. Waarom anders zo moralistisch ten strijde trekken?
Joseph Roth noemt in zijn roman De kapucijner crypte, die gaat over het verval van het Oostenrijks-Hongaarse rijk vlak voor de Eerste Wereldoorlog, nog enkele andere eigenschappen. Hij heeft het over de ‘sceptische lichtzinnigheid’, de ‘melancholieke waanwijsheid’, de ‘zondige nonchalance’ en de ‘hoogmoedige verlorenheid’ van de aristocratische en artistieke kringen. Allemaal tekenen van decadentie, de naderende ondergang. Een beeld dat veelvuldig in het boek terugkomt: ‘Boven de glazen waar we overmoedig uit dronken, kruiste de onzichtbare dood reeds zijn knokige handen.’ Het is de onafwendbaarheid van de ondergang.
