Begraven
COLUMN - We stonden achter de kist te wachten tot we de kerk in mochten. De bel klonk en de pastoor kwam aangelopen. Hij was in het zwart en paars gekleed en had een zwarte bonnet op zijn hoofd. De jongens keken elkaar aan en een grijns verscheen op hun gezichten. Voor de zekerheid keken ze even mijn kant op. Als mama lacht kunnen we los, zag je ze denken. Ik keek ze aan met een blik die boekdelen sprak. Ze besloten om elkaar maar niet meer aan te kijken. De slappe lach was nu zeker geen goed idee.
De jongste zat omgedraaid in de kerkbank. Terwijl de mis aan de gang was bekeek hij iedereen die achter hem zat op zijn gemak. Een lange gaap kon hij niet onderdrukken. ‘Wanneer mogen wij?’ vroeg hij al na vijf minuten. Ze hadden een taak. Mijn jongens en nog een neefje zouden het herdenkingskruisje naar de kapel brengen. Ik zei dat het nog wel even ging duren. Hij zuchtte en draaide zich weer om in de bank.
‘Is dat Jezus mama, die daar hangt?’ Ja, dat is Jezus. Ik heb ze de kinderbijbel voorgelezen, ik vind het wel fijn als ze in musea straks weten waar ze naar kijken en dat ze, mochten ze ooit aan de literatuur verslaafd raken, ook weten wat ze lezen. Die verhalen kenden ze dus wel, maar een mis, die hadden ze nog nooit bijgewoond. Niet met kerst, niet met Pasen. Laat staan dat ze wisten hoe een katholieke begrafenis zou gaan verlopen.
