Vervelende burgers frustreren de overheid
Met het vertrouwen van burgers in de overheid schijnt het nogal mee te vallen. Omgekeerd is het probleem misschien wel veel groter. Zo koestert minister Donner de ‘beleidsintimiteit’ en laat hij deze niet graag verstoren door al te opdringerige burgers die op grond van hun hun wettelijk recht informatie vragen over wat er daar achter die gesloten deur gebeurt. Dit liet hij weten in zijn nogal provocerende rede op de Dag van de Persvrijheid over aanpassingen van de Wet Openbaarheid van Bestuur (Wob). In de brief die hij een paar weken geleden naar de Tweede Kamer stuurde over zijn plannen toont hij zich nog steeds zuinig en wantrouwend. Openbaarheid OK, maar “randvoorwaarde is een overheid met een verminderde capaciteit van het ambtenarenapparaat.” Wob-verzoeken die – in zijn ogen- “oneigenlijk” zijn mogen dit apparaat niet frustreren. En bij “veel te omvangrijke” verzoeken moet eenzijdig ingegrepen kunnen worden ter bescherming van de ambtenaren. In de brief worden allerlei mogelijkheden verkend om lastige “Wobbers” de deur te kunnen wijzen. Aan verbetering van de efficiëntie van het ambtenarenapparaat, een degelijk en professioneel beheer van documenten en aan de hier toch voor de hand liggende inzet van ICT besteedt Donner nauwelijks aandacht. Het probleem ligt vooral bij ons, burgers, en niet bij hem, de overheid.

“Als een ontwikkelingsland niet meewerkt, zou dat gevolgen kunnen hebben voor de bilaterale samenwerking en de ontwikkelingsrelatie met de regering van dat land“.
