Beter wordt het niet

‘Zo schrijf je geschiedenis’, zegt Geert Mak bij wijze van aanprijzing op de cover van dit boek. Maar ‘Beter wordt het niet’ is geen geschiedenisboek. Althans, not on my watch. Of zou Mak bedoelen dat Caroline de Gruyter met dit boek ‘geschiedenis schrijft’? Dat lijkt me uiterst onwaarschijnlijk. De ondertitel luidt ‘Een reis door de Europese Unie en het Habsburgse rijk’. Maar dat klopt ook al niet. Verreweg de meeste hoofdstukken spelen zich af in Wenen. Wat is ‘Beter wordt het niet’ dan wél? De beste omschrijving is waarschijnlijk: ‘Op zoek naar herinneringen aan het Habsburgse rijk’. Want dát is wat De Gruyter doet. De oude Otto van Habsburg, de zoon van de laatste Oostenrijkse keizer (Karel) en tevens Europarlementariër tot 1999, die heeft ze helaas nooit mogen ontmoeten maar verder komen er heel wat mastodonten voorbij. Grote namen die vertellen hoe schön het vroeger eigenlijk was. De Gruyter, bekend vanwege haar bijdragen in de NRC, schrijft normaliter over de Europese Unie. Omdat ze tot voor kort in Wenen woonde (van 2013 tot 2017 om precies te zijn), meent ze een bijzondere kijk op Europa te hebben ontwikkeld: ‘Door mijn tijdelijke onderdompeling in de Habsburgse wereld ben ik mezelf allerlei vragen gaan stellen over Europa die ik waarschijnlijk niet – of anders – gesteld had als ik niet vier jaar in Wenen was neergestreken.’ Ze ziet interessante overeenkomsten tussen de EU en het Habsburgse rijk: ‘De Habsburgers, ontdekte ik, werden gedreven door dezelfde constante queeste naar compromissen die ik uit Brussel kende. Wat me al even bekend voorkwam: het bijvijlen, het aanpassen en hervormen dat nooit ophoudt omdat de ene hervorming nu eenmaal tot de andere leidt.’ Eén vraag kwam daarbij centraal te staan: Kan met de EU hetzelfde gebeuren als met het Habsburgse rijk in 1918? Ze kan de lezer helaas geen ‘definitieve antwoorden’ geven ‘omdat dit alleen kan als je academisch onderzoek doet naar de overeenkomsten en verschillen tussen het Habsburgse rijk en de Europse Unie. Ik ben geen academicus.’ Nou… juist een academicus zal nooit zeggen dat hij  ‘definitieve antwoorden’ geeft. Maar De Gruyter blijft liever bescheiden. Ze omschrijft haar boek in de inleiding als ‘vol impressies en zelfgemaakte kiekjes’, ‘van de hak op de tak’, ‘volledig op de tast gemaakt’, ‘geen structuur, geen schema.’ Dat alles, kan ik u verzekeren, is geen valse bescheidenheid. Het boek kabbelt voort als de gesprekjes in een Weense theesalon. Het zijn vooral gesprekjes in een theesalon. Maar daarmee is het geen onaangenaam boek. We ontmoeten de deftige buren van De Gruyter (ze woonde in een buurt waar de tijd al geruime tijd stilstaat); we leren een stel Habsburgers kennen waaronder Karl, de zoon van bovengenoemde Otto (die tijdens een lezing doodleuk een krantenartikel van De Gruyter navertelt); we drinken thee met oude adel die geen adel meer mag heten maar nog overal zo wordt behandeld, met oud-diplomaten, ambtenaren en een medelid van Caroline’s yogaklasje; we babbelen met een Britse ‘Habsburgexpert’ (in Londen); we luisteren gedwee naar de Hongaarse ambassadeur (in Oslo) en, niet te vergeten, we ontmoeten Francesca Anne Dolores Freiin Thyssen-Boremisza de Kászon et Impérfalva. Die wil kunst onder de zeebodem stoppen. De Gruyter vertelt ook over Maria Theresia, en citeert graag grootheden als Stephan Zweig en Joseph Roth, de chroniqueurs van de ondergang van het Habsburgse rijk. Kortom, de tijd vliegt om. Worden we ondertussen iets wijzer over dat Habsburgse rijk? Niet veel, vrees ik. De Gruyter is dol op alles wat Habsburgs is, dat is zeker. We leren dat Maria Theresia haar tijd vooruit was, en dat de splitsing van 1867, waarbij de keizer tevens koning werd van Hongarije (en dat deel voortaan grotendeels zijn eigen gang mocht gaan), eigenlijk de eerste nagel was aan de Habsburgse doodskist. De goede Frans Jozef wilde alle volkeren binnen zijn rijk zo goed en zo kwaad als dat ging, al ‘voortrommelend’ bij elkaar houden, met respect voor ieders wensen. Maar ondertussen dwongen de Hongaren hun eigen minderheden om Hongaars te spreken en dwarsboomden ze elke poging tot vernieuwing – want ze vonden het wel prima zo. En ondertussen bleven ze klagen dat zij onderdrukt werden! De Gruyter ziet hier uiteraard een parallel met de rol van Hongarije in de EU. Het land ligt een eeuw later nog steeds dwars maar geen haar op het Hongaarse hoofd denkt erover om uit te EU te stappen want ze verdienen er veel te goed aan en bovendien: waar moeten Hongaren anders klagen dat ze onderdrukt worden? Overigens deden die andere volken en volkjes binnen het Habsburgse rijk hetzelfde als de Hongaren, maar op zachtere toon – ze klaagden ook, maar onafhankelijkheid? Onzin. Daarvoor was het leven bínnen het rijksverband nét iets te goed. Het waren de ontberingen in de jaren 1914/1918 die het nationalisme en separatisme vleugels gaven. Daarna ging ieder zijn eigen weg. En nu verzucht menigeen dat dat nooit had mogen gebeuren. Wat in al die verhalen opvalt, is dat de Tweede Wereldoorlog vaak nauwelijks een rol speelt. De Duitse bezetting van 1940/1945 lijkt in de herinnering van Midden-Europa niet meer dan een intermezzo tussen de mislukte vrijheid van vóór 1940 en de sovjetbezetting ná 1945. Voor ‘ons’ Nederlanders is dat ondenkbaar. Hier is de bezetting immers de hoeksteen onder ons nationale zelfbeeld. In het Oosten is dat veel minder het geval. In de herinneringen, zoals opgetekend door De Gruyter, schemert dat op vele plaatsen door. Bijvoorbeeld wanneer het gaat om het lot van de Duitstalige families in het Habsburgse rijk die in 1918 plots ontdekten dat ze voortaan in ‘Tsjechoslowakije’ woonden. Sommige van de families deden nog een poging om ‘Tsjechisch’ te worden door geen Duits meer te spreken maar (p. 215): ‘… dat hielp die families niet. Ze werden door beide kanten (de nieuwe Tsjechischsprekende machthebbers en de nu gemarginaliseerde Duitstaligen), met de nek aangekeken omdat ze geen kleur bekenden. Toen de nazi’s binnenvielen werden zij tot hun afgrijzen, door veel Tsjechen en de Duitse bezetter definitief als ‘Duitsers’ geïdentificeerd. Na 1945 namen veel Tsjechen wraak op Duitstalige families in Bohemen. Die zaten in de val, en vluchtten. Velen die dat niet deden, werden vermoord. Barbara Coudenhove liep met honderden andere families naar Oostenrijk, uitgejouwd, bespuugd en bekogeld door Tsjecho-Slovaken langs de kant van de weg.’ ‘tot hun afgrijzen’…? Tja. De Sudetendeutsche Partei (zeg maar de NSDAP voor Duitstalige Tsjechen) scoorde in mei 1938, dus vlak voor de bezetting van Tsjechië, onder de Duitstaligen 90 procent van de stemmen. En de Duitse bezetting kostte zo’n 300.000 Tsjechen (merendeels Joden) het leven. Dus bij dat spugen kan ik me wel wat voorstellen. En natuurlijk, de verdrijving van de Sudeten Duitsers in 1945 was onmenselijk. Maar waar het me hier om gaat is vooral het (nogmaals, voor ons ondenkbare) vrijwel ontbreken van de jaren 1940/1945 in deze samenvatting. Gemüdlichkeit, voortmodderen, dwarse Hongaren, domme pech. Dat is het wel zo’n beetje wat te weten komen over het Habsburgse rijk. O ja, het rijk telde heel veel ambtenaren. Van ministers tot straatvegers. Daar ziet De Gruyter een groot verschil met de EU: die telt pakweg net zo veel ambtenaren als onze Belastingdienst! (Die koe komt een paar keer uit de sloot, maar de EU veegt nu eenmaal niet de straten aan, Caroline.) Worden we dan misschien veel wijzer over de Europese Unie? Eigenlijk ook niet. Weinig ambtenaren dus, en veel regels, veel onterechte kritiek ook, en ze vertelt graag over lastige landen aan de buitengrenzen, de nieuwe Hongaren zogezegd. Landen die eruit willen stappen, schulden maken, de democratie willen beknotten. Maar ach, verder modderen de Brusselse ambtenaren rustig voort, net als ooit de ambtenaren van de keizer, en ondertussen bestaat de EU nog steeds. Kortom, De Gruyter offreert bij de thee niet meer dan het oppervlakkige EU-beeld van de gemiddelde krantenlezer, die toch liever de clichés leest dan doorwrochte artikelen over hoe het er in de Brusselse torens wérkelijk aan toegaat (en dus ook vooral clichés voorgeschoteld krijgt). De Gruyter weet ongetwijfeld veel meer dan ze vertelt. Dat laat ze bewust achterwege, omdat ze geen al te diepgravende vergelijking met het Habsburgse rijk kan of wil maken. Maar daardoor komt die hele zoektocht naar een antwoord op de vraag ‘loopt het met de EU straks ook zo af?’ nooit van de grond. Maar ach, het is natuurlijk een onzinnige vraag; een excuus om op visite te gaan. ‘Caroline gaat op zoek naar de laatste Habsburgers’, dát had een goede ondertitel geweest. Want dat is De Gruyters échte zoektocht. En dan had Geert Mak op de cover kunnen zeggen: ‘Zo beschrijf je nostalgie’. Want dat doet ze uitstekend. [boeklink]9789044542585[/boeklink]

Door: Foto: cc Maria Theresia im Kreise ihrer Familie Martin van Meytens, Public domain, via Wikimedia Commons.

Closing Time | In C – The Corona Version from Sweden

Het Helsingborg Symphony Orkest nam het initiatief om muzikanten uit heel Zweden virtueel samen te brengen (in maart 2020), als symbool voor samenwerking, creativiteit en optimisme tijdens de Covid-19-pandemie.

Ze spelen ‘In C’, gecomponeerd in1964 door Terry Riley dat hier in verschillende stijlen voorbij komt.

‘In C’ werd voor het eerst uitgevoerd door die andere grote minimalist Steve Reich en een aantal musici die goed thuis waren in geïmproviseerde, experimentele en elektronische muziek.  Onder andere Jon Gibson (saxofoon), Pauline Oliveros (accordeon), Stuart Dempster (trombone), Morton Subotnick en Warner Jepson (synthesizers).

Doe het veilig met NordVPN

Sargasso heeft privacy hoog in het vaandel staan. Nu we allemaal meer dingen online doen is een goede VPN-service belangrijk om je privacy te beschermen. Volgens techsite CNET is NordVPN de meest betrouwbare en veilige VPN-service. De app is makkelijk in gebruik en je kunt tot zes verbindingen tegelijk tot stand brengen. NordVPN kwam bij een speedtest als pijlsnel uit de bus en is dus ook geschikt als je wil gamen, Netflixen of downloaden.

Foto: 2020 Belarusian protests — Minsk, 4 October Homoatrox, CC BY-SA 3.0 via Wikimedia Commons

Honderd dagen protest in Wit-Rusland

ELDERS - Een gastbijdrage van Ardy Beld

Na de gefalsificeerde verkiezingsuitslag van 9 augustus 2020 ging de bevolking in Wit-Rusland massaal de straat op om te demonstreren tegen het autocratische regime van Aleksandr Loekasjenko. Door het extreme politiegeweld en de vele arrestaties zijn de demonstraties met honderdduizenden deelnemers langzaam veranderd in kleinere lokale protestacties. Joeri Stylski, muzikant uit Brest: ‘Ik werd in de herfst uitgenodigd te spelen in een woonwijk. Er waren veel gezinnen met kinderen. ‘s Middags voerde een theatergroep een stuk op. ’s Avonds speelde ik een paar nummers toen iemand riep: “De jutten zijn er, snel weg!” Een van de bewoners verstopte me in zijn appartement net zolang tot ze weer vertrokken was. Natuurlijk wisten die me sowieso te vinden. De politieafdeling voor georganiseerde criminaliteit dwong me een protocol te ondertekenen waarin ik verklaarde dat ik niet meer zou optreden. Sindsdien hebben we alleen nog maar live streams gedaan.’

Dat verzet tegen de staat niet altijd zo goed afloopt, bleek op 11 november 2020 in Minsk toen ’s avonds laat zes gemaskerde mannen en drie vrouwen arriveerden op het in de volksmond genoemde ‘Plosjtja peremen’ (plein van de veranderingen) afgeleid van het lied ‘Chotsjoe peremen!’ (ik wil veranderingen) van de in de Sovjet-Unie populaire underground zanger Viktor Tsoj (1962 – 1990). Het plein stond bekend om zijn illegale concerten, lezingen en oppositionele muurschilderingen en vlaggen. De groep van ’tihari’ (stillen) begon voor de zoveelste maal wit-rood-witte linten af te knippen, toen Roman Bondarenko, een 31-jarige bewoner van een naburige flat, naar buiten kwam om te vragen wat ze aan het doen waren. Hierop ontstond een woordenwisseling en werd de ex-soldaat door de gemaskerden genadeloos geschopt en geslagen. Hij werd in coma naar het ziekenhuis gebracht. De volgende dag overleed Bondarenko aan zijn verwondingen. De organisatie BYPOL, bestaande uit ex-politiemannen die de kant van de oppositie hebben gekozen, stelde aan de hand van telefoongesprekken vast dat de groep vechtersbazen werd geleid door Dmitri Baskov, president van de Wit-Russische IJshockeyfederatie. Dmitri Sjakoeta, meervoudig internationaal kampioen thaiboksen, zou de fatale slagen hebben toegediend.

Foto: Babak Fakhamzadeh (cc)

Bloed in de rivier

RECENSIE - Na weken opgesloten te hebben gezeten in een donker hok moest Hercules dan eindelijk voor de rechters verschijnen. Dat gebeurde in het hoofdhuis van Plantage De Dageraad, een van de weinige plantages die tijdens de slavenopstand niet in handen was gevallen van de rebellen. Hier zetelden nu de rechters die de opstandelingen hun verdiende straf moesten geven. En Hercules was een bijzonder geval. Met hem  hadden ze zonder twijfel een van de leiders van de opstand te pakken! Het recht zou zegevieren – maar dan moesten natuurlijk wel eerst een handjevol bewijzen op tafel komen.

En dat was lastig. Opstandelingen werden wreed gestraft. Wie een Europaan had vermoord, kon rekenen op de doodstraf. En dus schoven de gevangenen voortdurend de schuld af, ze wezen naar elkaar, naar deelnemers die al dood waren, en naar de leiders waarvoor ze vreselijk bang waren geweest, zeiden ze. Mensen als Hercules. En het moest gezegd: de gevangene die nu voor de rechters verscheen maakte, ondanks de beestachtige behandeling, indruk. Hercules had geen tolk nodig. Hij sprak Nederlands.

De plantages langs de rivier de Berbice stelden niet veel voor. Die in Suriname, ten westen van de Berbice, waren veel winstgevender. Berbice draaide marginaal – wat betekende dat de plantages door hun aandeelhouders verwaarloosd werden, dat de planters betrekkelijk arm waren en dat er daardoor ook een chronisch gebrek aan slaven was. En dus werden de slaven die daar werkten, extra hard uitgebuit. Niet alle plantagehouders waren sadisten – maar vooral dankzij hen barstte in 1763 langs de hele rivier een opstand uit. Tientallen plantages gingen in vlammen op. Er vielen honderden doden. De Nederlanders vluchtten naar plantages aan de monding van de rivier, en stuurden wanhopige alarmbrieven rond. Het duurde maanden voordat de opstand onderdrukt kon worden. Maanden waarin de opstandeling zélf elkaar ook vaak voor de voeten liepen, of gewoon overhoop schoten. Want de opstand was misschien gelukt, de opstandelingen vormden een bont allegaartje en niemand wist wat er moest gebeuren.

Lezen: Bedrieglijk echt, door Jona Lendering

Bedrieglijk echt gaat over papyrologie en dan vooral over de wedloop tussen wetenschappers en vervalsers. De aanleiding tot het schrijven van het boekje is het Evangelie van de Vrouw van Jezus, dat opdook in het najaar van 2012 en waarvan al na drie weken vaststond dat het een vervalsing was. Ik heb toen aangegeven dat het vreemd was dat de onderzoekster, toen eenmaal duidelijk was dat deze tekst met geen mogelijkheid antiek kon zijn, beweerde dat het lab uitsluitsel kon geven.

Quote du Jour | Waarom is links zo klein?

..als culturele thema’s hoog op de agenda bij kiezers staan, scoren linkse partijen slechter. In het sociaal-conservatieve blok stemmen kiezers die aan die thema’s belang hechten, op rechtse partijen als PVV, VVD en CDA. In het sociaal-progressieve blok stemmen kiezers die culturele issues prioriteren, op progressieve middenpartijen als D66.

Waarom is links zo klein? Bij de Tweede Kamerverkiezingen van 1998 haalden de linkse partijen (PvdA, SP en GroenLinks) samen 61 van de 150 zetels. In 2017 waren dat nog 37 zetels en bij de afgelopen verkiezingen bleven daar nog 33 zetels van over; dat is als je de Partij voor de Dieren en BIJ1 meerekent.

Foto: Maria Willems (eigen foto - met toestemming) / Lille Fantastic - 2012 Børre Saethre (Untitled - The Tarkin Doctrine)

Kunst op zondag | Besmette wereld

In de zomer van 1920 verwerkte de Belgische dichter Paul van Ostaijen zijn ervaringen uit de Eerste Wereld Oorlog tot de dichtbundel Bezette Stad. Een bundel die ik nog elke keer als ik ‘m opensla als modern beschouw. De bundel is nu nog steeds aanwezig: op T-Shirts is het Boem Paukeslag nog elke zomer weer te lezen. De aantrekkingskracht van deze bundel zat ‘m vooral in het typografische aspect. Er zijn geen saaie bladspiegels in Bezette Stad te vinden, je bladert daar van de ene verrassing naar de andere. Dan bestaat een enkel gedicht uit vijf verschillende lettersoorten, dan weer danst en buitelt een gedicht over de bladzijde. Dan weer staat er een ode aan de toen erg populaire actrice Asta Nielsen, dan weer een lofrede aan de Singer naaimasjien. Als je iemand in je omgeving hebt die zegt niet van gedichten te houden deze bundel geeft, dan zou zij wellicht een uitzondering kunnen maken voor Bezette Stad. En tot besluit een financieel feitje: het originele manuscript van Bezette Stad (‘de Heilige Graal van de Vlaamse Literatuur’) is dit jaar aangekocht door Vlaanderen voor 725.000 euro. Letterlijk een waardevolle dichtbundel.

In 2020 werden we geconfronteerd met het coronavirus. Dat besmette niet alleen de stad maar inmiddels de hele wereld. Het culturele Vlaams-Nederlands Huis deBuren, een forum voor cultuur en samenleving, nodige Vlaamse en Nederlandse dichters en kunstenaars uit om artistiek te reflecteren op de dichtbundel van Paul van Ostaijen. En dat is gelukt. En hoe. Het is een magnifieke bundel geworden. Kloek ook. Een plezier om te lezen. Of om gewoon te kijken naar het feest van typografische aspecten, want ja, Van Ostaijen inspireert nog steeds. Ook mij.

Foto: Gregg Tavares (cc)

Omphaloskepsis of de trend (?) om alleen tweets van eigen redacteuren te plaatsen

Oké, het is een beetje flauw om alleen op het liveblog van NRC in te zoomen, maar tijdens het beruchte #Omtzigtdebat was dat blog mijn tweede scherm. Selectieve waarneming? Zeker, al kan je, positiever, ook spreken over een casusstudie.

Hoe dan ook, er viel mij iets op. In dat blog waren 27 tweets opgenomen. Een opgenomen tweet kan je beschouwen als een citaat van degene die tweet. Een stem van buiten, zo u wilt, die met een schuine blik de situatie waarover verslag wordt gedaan, waarneemt. Maar, dan nu de pointe van mijn opmerkingéén van die 27 tweets was daadwerkelijk van buiten, dat wil zeggen: van buiten de politieke redactie van NRC. Dat was een tweet van Ayfer Koç, echtgenote van Pieter Omtzigt. De 26 overige tweets kwamen van eigen redacteuren.

Alternatieven aandragen

Kampioenen waren Lamyae Aharouay en Mark Lievisse Adriaanse met beide zeven tweets. Ook Petra de Koning (3), Tom-Jan Meeus (2) en Steven Derix (1) kwamen met een of meerdere tweets in het liveblog van hun krant terecht. Mijn vraag: waarom kwamen, met Koç als uitzondering, alleen NRC redacteuren in dat blog? Een vraag die alleen met een gesprek met de betreffende livebloggers is te beantwoorden, en dat voer ik niet. Ik kan wel in algemene termen wat zeggen over de functie van tweets in blogs, hun een communicatieve doel zo u wilt: het zijn (alternatieve) stemmen die een (alternatief) licht laten schijnen over een gebeurtenis die zich voltrekt.

Steun ons!

De redactie van Sargasso bestaat uit een club vrijwilligers. Naast zelf artikelen schrijven struinen we het internet af om interessante artikelen en nieuwswaardige inhoud met lezers te delen. We onderhouden zelf de site en houden als moderator een oogje op de discussies. Je kunt op Sargasso terecht voor artikelen over privacy, klimaat, biodiversiteit, duurzaamheid, politiek, buitenland, religie, economie, wetenschap en het leven van alle dag.

Om Sargasso in stand te houden hebben we wel wat geld nodig. Zodat we de site in de lucht kunnen houden, we af en toe kunnen vergaderen (en borrelen) en om nieuwe dingen te kunnen proberen.

Closing Time | Elizabeth Zharoff

Gisteren hadden we een Closing Time met Elizabeth Zharoff als recensent. Hierboven laat ze zien dat ze zelf ook best aardig een moppie mee kan zingen. Verder staat dit zó ver van mijn gebruikelijke muziek af dat ik hier werkelijk geen zinnig woord over kan zeggen, buiten dat een songtitel als “allerlei soorten martelingen” eigenlijk ook best prima had gekund in de genres waar ik meer bekend mee ben.

Foto: risingthermals (cc)

Waarom identiteitspolitiek noodzakelijk blijft

ESSAY - van Katrien Schaubroeck (Universitair hoofddocent Universiteit Antwerpen)

Identiteitspolitiek is een scheldwoord geworden. Iets waar je liever niet aan doet, want dan krijg je een hoop rotzooi over je heen. Niets dat zo polariseert als een mening over identiteit. Maar zogenaamde identiteitsstrijden zijn in oorsprong gevechten tegen onderdrukking. Vanuit moreel opzicht is het dan ook merkwaardig dat daar zo veel ophef over is ontstaan.

De Zwarte feministen van het Combahee River Collective

Dat de term identiteitspolitiek een stevige ‘bad rap’ heeft gekregen komt doordat publieke intellectuelen zoals Francis FukuyamaGreg Lukianoff en Jonathan Haidt en dichter bij huis mensen als Sid Lukkassen zich de term identiteitspolitiek toegeëigend hebben om er hun cultuurkritiek op te bouwen.

Maar als we teruggaan naar de geboorte van het begrip, moeten we kijken naar het Combahee River Collective, een collectief van Zwarte feministen dat in de jaren zeventig actief was in Boston. In de missieverklaring van het collectief, gepubliceerd in 1977, lezen we dit:

“This focusing upon our own oppression is embodied in the concept of identity politics. We believe that the most profound and potentially most radical politics come directly out of our own identity, as opposed to working to end somebody else’s oppression.”

Foto: Brecht Bug (cc)

Mary Shelley’s Frankenstein laat ons nadenken over de wereld van nu

Het gruwelijke verhaal van monster van Frankenstein kent iedereen. Toch valt er meer te lezen in de klassieke horrorroman dan alleen een griezelverhaal. Frankenstein geeft een waarschuwing af over de kracht van technologie, kan gezien worden als feministische kritiek én laat ons op een andere manier naar onze eigen samenleving kijken.

Frankenstein kennen we als het beroemde verhaal van een gekke geleerde die een levend monster schept uit overgebleven lichaamsdelen. Het boek van Mary Shelley liet het publiek voor het eerst kennis maken met de mogelijkheden van technologie en sprak mede daarom enorm tot de verbeelding. Nu, ruim 200 jaar later, is Frankenstein nog steeds een icoon in popcultuur. In de serie Cover to Cover vertelt mediawetenschapper dr. Dan Hassler-Forest (UU) hoe je het ook boek met een feministische blik kunt lezen. Wat is de rol van de vrouw in de samenleving? En hoe houdt science fiction genderstereotypen in stand? Wat is de relatie tussen mens en technologie? De bestseller is een product van de tijd waarin het geschreven is, maar behandelt vraagstukken die ook nu relevant zijn.

Product van de tijd

Mary Shelley was pas 18 jaar toen ze Frankenstein schreef. Wat begon als een verhalenwedstrijd op een stormachtige avond, groeide uit tot een horrorklassieker én markeerde het begin van het science fiction genre. Wie cultuurproducten dieper analyseert, ziet dat ze vaak onderliggende verhoudingen in de samenleving weerspiegelen én de manier waarop we naar de wereld kijken vormen. Volgens Hassler-Forest is Frankenstein zo veel meer dan een griezelverhaal. Het is een belangrijk tegengeluid in een wereld gedomineerd door mannen en hun liefde voor technologie en controle. “De onverantwoordelijke wetenschapper maakt een wezen waarvan hij niet zo goed wist wat het was en waar geen plek voor was in de wereld van toen.” legt hij uit. Mary Shelley, een uitgesproken feminist in haar tijd, verwoordt hiermee de frustratie over het feit dat zij als vrouw geen plek had in de samenleving. Daarnaast is het boek een reflectie van de tijd waarin zij leefde. Frankenstein komt uit in 1818, een roerig jaar want het was het begin van de industriële revolutie. Technologie kreeg een steeds grotere rol in de samenleving en Mary Shelley beschrijft de verwarring, onzekerheid maar ook verwondering die hoorden bij die verschuiving. Het verhaal biedt een kijkje in de toekomst van technologie en dat slaat direct aan. Frankenstein groeit uit tot een bestseller waarvan de invloed en symboliek zelfs vandaag nog merkbaar is.

Quote du Jour | Diversiteitsdenken als statussymbool

De linkse partijen voeren een verliezersstrategie met die aandacht voor diversiteit. Maar dat hebben ze zelf niet door. Deels is dat diversiteitsdenken oprechte zorg, maar het is ook een middel om jezelf te onderscheiden. Met het aanhangen van bepaalde ideeën over diversiteit, laat je zien tot welke groep je behoort, dat je de taal spreekt van de bovenlaag. Het is status. Vroeger onderscheidde je je met een duur horloge, nu laat je met deze discussie zien dat je bij de culturele bovenlaag behoort.

Closing Time | Opstaan

Humanisme is eigenlijk gewoon geseculariseerd christendom, stelt de wereldberoemde geschiedsverteller Tom Holland. Oud-tweedekamerlid (D66) en voormalig voorzitter van het Humanistisch Verbond Boris van der Ham geeft daar nog maar eens blijk van in bovenstaand poplied, dat veel weg heeft van een seculier kerkgezang.

Van der Ham schreef het lied vier jaar geleden tijdens een treinreis, maar uitgerekend vandaag is het wel toepasselijk – op Paaszondag, midden in de coronacrisis, met een vaccinatieprogramma dat niet loopt en een formatie die op z’n gat ligt. In het kader van de Lijdensweek bracht hij het afgelopen woensdag ter gehore bij een viering van de Remonstrantse Broederschap in Amsterdam.

Doneer!

Sargasso is een laagdrempelig platform waarop mensen kunnen publiceren, reageren en discussiëren, vanuit de overtuiging dat bloggers en lezers elkaar aanvullen en versterken. Sargasso heeft een progressieve signatuur, maar is niet dogmatisch. We zijn onbeschaamd intellectueel en kosmopolitisch, maar tegelijkertijd hopeloos genuanceerd. Dat betekent dat we de wereld vanuit een bepaald perspectief bezien, maar openstaan voor andere zienswijzen.

In de rijke historie van Sargasso – een van de oudste blogs van Nederland – vind je onder meer de introductie van het liveblog in Nederland, het munten van de term reaguurder, het op de kaart zetten van datajournalistiek, de strijd voor meer transparantie in het openbaar bestuur (getuige de vele Wob-procedures die Sargasso gevoerd heeft) en de jaarlijkse uitreiking van de Gouden Hockeystick voor de klimaatontkenner van het jaar.

Lezen: De BVD in de politiek, door Jos van Dijk

Tot het eind van de Koude Oorlog heeft de BVD de CPN in de gaten gehouden. Maar de dienst deed veel meer dan spioneren. Op basis van nieuw archiefmateriaal van de AIVD laat dit boek zien hoe de geheime dienst in de jaren vijftig en zestig het communisme in Nederland probeerde te ondermijnen. De BVD zette tot tweemaal toe personeel en financiële middelen in voor een concurrerende communistische partij. BVD-agenten hielpen actief mee met geld inzamelen voor de verkiezingscampagne. De regering liet deze operaties oogluikend toe. Het parlement wist van niets.

Vorige Volgende