Waarom screenen we ministers en staatssecretarissen zo anders dan wethouders?

Door Niels Karsten

Het vertrek van Nathalie van Berkel als kandidaat-staatssecretaris en Tweede Kamerlid na ophef over haar cv riep de nodige vragen op over de screening van politieke ambtsdragers. De casus laat zien dat het verstandig is om ministers en staatssecretarissen een gedegen risicoanalyse integriteit te laten doorlopen, in plaats van een vrijwillig zelfassessment. Bij bijna alle wethouders gebeurt dat al wel. Sowieso is de screening van wethouders wezenlijk anders ingericht dan die van bewindslieden. De verschillen zijn echter lang niet altijd even consistent doordacht.

Het uitgangspunt bij de screening van politieke ambtsdragers in Nederland is dat de democratie haar werk moet kunnen doen: de kiezer bepaalt wie hem vertegenwoordigt, en de volksvertegenwoordiging kiest vervolgens haar uitvoerend bestuurders. Beiden worden daarbij zo min mogelijk beperkt. De screening van politieke ambtsdragers is daarom in de basis relatief licht. Zo zijn politieke functies grondwettelijk uitgesloten van veiligheidsonderzoek, op basis waarvan ambtenaren die een risico vormen voor de nationale veiligheid een functie kan worden geweigerd. Voor zover er screening plaatsvindt, heeft die vooral een adviserende functie: ze brengt integriteitsrisico’s in kaart en maakt betrokkenen daarvan bewust maar houdt niet tegen dat iemand de betreffende functie alsnog gaat vervullen. Dat zou namelijk een inperking zijn van het grondwettelijk geborgde actieve en passieve kiesrecht . In reactie op integriteitskwesties uit het verleden heeft zich evenwel een rijke screeningspraktijk ontwikkeld rond politieke ambtsdragers, met zowel formele als meer informele instrumenten. Die komt de bestuurlijke integriteit ten goede, maar creëert tegelijk grote en fundamentele verschillen tussen bestuursniveaus. Die verschillen zijn lang niet altijd bewust gecreëerd en de betekenis en gevolgen ervan zijn vaak niet consistent doordacht. Dat punt laat zich goed illustreren aan de hand van wethouders.

De screening van ministers en staatssecretarissen

Voorafgaand aan hun benoeming doorlopen ministers en staatssecretarissen de zogenoemde ‘naslag’ door drie overheidsdiensten. De AIVD raadpleegt daarbij de eigen systemen om te bepalen of er informatie beschikbaar is die een risico kan vormen voor de integriteit van het openbaar bestuur, het ministerie van Justitie en Veiligheid doet een zoekslag in het Justitieel Documentatie Systeem en de Belastingdienst verricht een controle in het fiscale dossier van de kandidaat. Hoewel deze naslag cruciale integriteitsrisico’s aan het licht kan brengen, is het een relatief lichte vorm van screening. Het betreft een zoekslag in bestaande bestanden en geen actief onderzoek. Er worden dus geen aanvullende of nieuwe bronnen geraadpleegd en maar op een beperkt aantal terreinen naar integriteitsrisico’s gekeken. Bovendien geven de betrokken diensten geen oordeel over de benoembaarheid van de kandidaat. Zij melden slechts aan de formateur of er relevante informatie gevonden wordt. Het is vervolgens aan de formateur en de betrokken fractievoorzitters om te bepalen of die informatie consequenties heeft voor de benoeming. De naslag heeft dus ook geen uitsluitende werking. Ze houdt de benoeming van een minister of staatssecretaris niet direct tegen. In aanvulling op de naslag mogen bewindslieden een zelfassessment invullen, waarin zij informatie verstrekken over mogelijke integriteitsrisico’s, zoals financiële belangen of nevenactiviteiten, en dat bespreken met de formateur. Maar zo’n zelfassessment is niet verplicht. Daarnaast zijn in 2023 hoorzittingen ingevoerd waarin kandidaat-bewindslieden, in het openbaar, door leden van de Tweede Kamer kunnen worden bevraagd over hun geschiktheid en integriteit. Hun benoeming blijft evenwel in handen van de Kroon: expliciete goedkeuring door het parlement is niet vereist. De screening van bewindslieden is daarmee vooral gericht op informatievoorziening, bewustwording en het faciliteren van de politieke afweging.

De screening van wethouders

Voor wethouders is het screeningsregime wezenlijk anders. Bij kandidaat-wethouders vindt geen naslag plaats, maar sinds 2023 moeten kandidaat-wethouders verplicht een Verklaring Omtrent Gedrag (VOG) overleggen voordat zij kunnen worden benoemd. Deze verklaring wordt afgegeven op basis van onderzoek en beoordeling door screeningsautoriteit Justis [1]. Leidend is daarbij het screeningsprofiel ‘politieke ambtsdragers’, met een terugkijktermijn van tien jaar. Daarin staat een hoge mate van integriteit centraal en worden zeer hoge eisen gesteld aan de betrouwbaarheid van kandidaten in de zin dat zij terdege strafrechtelijk integer zijn. Zonder VOG kunnen kandidaten niet in de functie van wethouder worden benoemd. En dus leidt dit instrument, anders dan de screening bij bewindslieden, direct en formeel tot in- of uitsluiting van kandidaten. Daarmee heeft de wetgever de autonomie van de gemeenteraad ingeperkt om zelf zijn eigen wethouders te benoemen. Scherp gesteld krijgt de verhouding tussen democratie, politiek en moraliteit landelijk zo een andere invulling dan lokaal: bij bewindslieden is uiteindelijk het politieke integriteitsoordeel leidend, bij wethouders dat van de screeningsautoriteit.

Zulke inconsistenties zien we meer, bijvoorbeeld ten aanzien van de risicoanalyse integriteit die bijna alle wethouders doorlopen. Bij zo’n risicoanalyse worden, vaak door een extern bureau, op allerlei terreinen mogelijke persoonlijke, relationele, financiële en functionele kwetsbaarheden van kandidaat-bestuurders op het gebied van integriteit in kaart gebracht en met de kandidaat besproken. Het kan dan gaan om risico’s die voortvloeien uit het arbeidsverleden van de kandidaat, maar ook om financiële risico’s of kwetsbaarheden die voortvloeien uit het netwerk van de kandidaat. Naast dat er naar de inbreng van de kandidaat zelf, wordt bij een risicoanalyse gekeken naar bijvoorbeeld het handelsregister van de Kamer van Koophandel, de BKR-registraties, het curateleregister, het insolventieregister, het diplomaregister van DUO, en sociale media. Anders dan de VOG heeft de risicoanalyse geen uitsluitende werking, maar wel een adviserende. Het oordeel over de benoembaarheid van de kandidaat blijft aan de gemeenteraad. Het wetsvoorstel Bevorderen integriteit en functioneren decentraal bestuur tweede tranche van 3 februari 2026 [2] stelt voor om zo’n risicoanalyse verplicht te stellen voor kandidaat-wethouders. Voor bewindslieden stelt het wetsvoorstel een risicoanalyse echter niet verplicht. “Zij worden reeds aan een screening onderworpen, namelijk in de vorm van naslag”, stelt de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel, impliciet redenerend dat een verplichte risicoanalyse voor bewindslieden niet nodig is ómdat naar hen al naslag wordt gedaan. Dat zijn echter twee heel verschillende vormen van screening. Een risicoanalyse brengt een veel breder palet aan integriteitsrisico’s in beeld en omvat nader onderzoek. Zonder zo’n risicoanalyse blijven allerlei integriteitsrisico’s buiten beeld, met alle bestuurlijke en politieke risico’s van dien.

Bovendien is het niet-verplichten van een risicoanalyse voor bewindslieden weinig consistent. Bewindslieden hebben, als uitvoerend bestuurders, immers een rol die sterk vergelijkbaar is met die van wethouders. De integriteitsrisico’s zijn ook niet fundamenteel anders van aard. Als het dan bij wethouders verstandig wordt geacht hen verplicht een risicoanalyse te laten doorlopen, waarom bewindslieden niet? De bestuurlijke integriteit en de politieke realiteit vragen daar wel om, net als de consistentie van het screeningsregime voor politieke ambtsdragers.


Dit artikel verscheen eerder bij het Montesquieu Instituut. Deze bijdrage is mede gebaseerd op: Karsten, N., & Stumphius, E.I.A. (2025). Screenen ter bevordering van de bestuurlijke integriteit. In E.G. van ‘t Zand, M.G.W.M.F. Brok, E.R. Manunza, E.R. Muller, & M. Visser (red.), Screenen: organisatie en vormen van screening in Nederland (pp. 89-108). Wolters Kluwer.
Niels Karsten is universitair hoofddocent aan Tilburg University onder andere met bijzondere aandacht voor het lokaal bestuur
.

Zie ook

– Bovend’Eert, P. (2024), Naleving van integriteitsregels in het parlement en de regering: hoe nu verder?, Wolters Kluwer.
– Ministerie van Algemene Zaken (2026). Het blauwe boek: handboek voor bewindspersonen.

Noten:

[1] ‘Screeningprofiel Politieke ambtsdragers’, justis.nl.
[2] Zie ook VNG (2024). Consultatiereactie Wet bevorderen integriteit en functioneren decentraal bestuur tweede tranche.

Reacties (13)

#1 Emile M

Bijzonder. Als je een café wilt openen kan je worden onderworpen aan een Bibob-toets. Die kan heel ver gaan en bij een negatieve uitslag krijg je geen vergunning.

#1.1 Janos - Reactie op #1

Jaaaa, maar je wil niet zomaar dat iedere koekwaus zomaar een café kan openen, laten we wel wezen. Terwijl het voor een minister of staatssecretaris niet zo’n probleem is als een volsla…. oh. Wacht.

#2 Hans Custers

Zolang de landelijke politiek hier geen verantwoordelijkheid voor neemt, moet de parlementaire pers dat maar (blijven) doen. Alle reden dus voor journalisten om kritisch te kijken naar het verleden van bewindspersonen. En weinig reden voor politici om daarover te klagen, als ze zelf nalaten om dit goed te regelen.

#3 okto

Ik zou veel verder willen gaan. Iedere pleeborstelaar of koekenbakker heeft in Nederland wel een diploma nodig, maar elke oetlul kan gewoon minister of staatssecretaris worden. Dat is bizar. We hebben dan ook heel wat volstrekt incompetente bewindslieden gehad in het verleden. Bijvoorbeeld vrij recentelijk nog een kwakzalver op gezondheidszorg.
Ik pleit voor een opleiding voor bewindslieden. Laat die b.v. een half jaar duren, of langer als nodig, met een centraal vastgelegd curriculum. Met aanvullende cursussen voor bepaalde ministersposten. Wie geen papiertje heeft van die opleiding mag geen minister of staatssecretaris worden.

#3.1 Emile M - Reactie op #3

Nee. Nieuwe partijen kunnen zo geen verantwoordelijkheid op zich nemen. De kamer gaat over het vertrouwen in een politicus. Ze moeten de onbekwamen gewoon niet aanvaarden of wegsturen. Welke kwaliteiten acht je dan zo essentieel dat je vind dat deze door anderen dan de gekozen volksvertegenwoordigers moeten worden getoetst?

#3.2 okto - Reactie op #3.1

[Ze moeten de onbekwamen gewoon niet aanvaarden of wegsturen. ] Ah ja, en dat gebeurt ook in praktijk. Droom lekker verder, zou ik zeggen.

Ik zie het probleem niet. Als je als nieuwe partij ambities hebt, kun je toch gewoon een paar prominenten op zo’n cursus sturen? Het is niet de bedoeling dat dat een meerjarenopleiding wordt – ik zie ook wel dat dat een te grote belemmering is.

#3.3 Hans Custers - Reactie op #3.2

Ah ja, en dat gebeurt ook in praktijk.

Het probleem zit dus in de Tweede Kamer, die incapabele bewindspersonen niet wegstuurt. Dat los je niet op met een opleidingseis voor bestuurders.

#3.4 Hans Custers - Reactie op #3

Nee, alsjeblieft niet. Je kunt mensen niet opleiden tot goede bestuurders, en al helemaal niet in een half jaartje.

Het laatste wat we nodig hebben is een eenheidsworst van ministers, die allemaal een vergelijkbare opleiding hebben gehad. Voor je het weet eindig je dan met technocratische, Rutte-achtige managerstypes, die trots roepen dat ze geen visie hebben. Volgens mij is een van de problemen van de huidige politiek dat we al teveel van die eenheidsworst hebben, zeker binnen de traditionele partijen. Allemaal mensen die braaf binnen de lijntjes kleuren. De “Professionals”, die die partijen grotendeels in de tang hebben. Ik heb liever wat meer onafhankelijke denkers in de politiek. En onafhankelijk denken kun je niet leren.

Partijen met totaal andere ideeën dan de bestaande bestuurlijke elite moeten ook toegang kunnen krijgen tot het landsbestuur. Terwijl zo’n opleidingseis toch min of meer neerkomt op goedkeuring door die bestaande elite.

Voor zover ik weet verzorgen de meeste partijen zelf cursussen of trainingen van (potentiële) bestuurders. En daar horen zulke opleidingen ook thuis. Want partijen mogen zelf bepalen wie ze wel of niet geschikt achten als bestuurder, en dus ook aan welke kwalificaties zo iemand zou moeten voldoen.

En voor de inhoud hebben bewindspersonen hun ambtenaren. En adviesorganen. En meer dan genoeg andere mogelijkheden om andere deskundigen te raadplegen.

#3.5 Frank789 - Reactie op #3.4

“En voor de inhoud hebben bewindspersonen hun ambtenaren. En adviesorganen. En meer dan genoeg andere mogelijkheden om andere deskundigen te raadplegen.”

Nou, we hebben net een zooi ministers gehad die zich helemaal niks van hun ambtenaren of deskundigen aantrokken en de ene na de andere dubieuze beslissing namen, vooral bedoeld om uitstel te creëren.

Ik zou liever zien dat niet telkens dezelfde partij een bepaald ministerie krijgt.
Zo is het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, vroeger Verkeer en Waterstaat, Sinds 2010 in handen van de VVD, met uitzondering van PVV-Madlener. Daardoor kon Schiphol ongeremd groeien en negeren de ministers gewoon rechterlijke oordelen die krimp van Schiphol vereisen.

Sinds 2010 is het ministerie van Justitie in handen van de VVD met een korte onderbreking met Grapperhaus.
Die misbruiken verkeersboetes om de staatskas te spekken.

#3.6 Frank789 - Reactie op #3.5

Voilà, ook al onder Jetten: Minister van Justitie negeert eigen juristen: wetgeving die grondrechten schendt, gaat gewoon door

‘Als ik een belangrijke trend mag aanwijzen die de rechtsstaat bedreigt, dan is dat het negeren van kritiek op (onrechtmatige) wetgeving. Ook als de Raad van State en andere gezaghebbende partijen wijzen op ernstige tekortkomingen, worden wetsvoorstellen doorgezet. Gewoon, omdat het kan.”

https://www.ftm.nl/nieuwsbrieven/minister-van-justitie-negeert-eigen-juristen-wetgeving-die-grondrechten-schendt-gaat-gewoon-door?

#3.7 Hans Custers - Reactie op #3.5

Nou, we hebben net een zooi ministers gehad die zich helemaal niks van hun ambtenaren of deskundigen aantrokken en de ene na de andere dubieuze beslissing namen, vooral bedoeld om uitstel te creëren.

Ja, dat is politiek. Als uitstel het doel is, bijvoorbeeld om bepaalde belangen te dienen, doet het er niet toe of een minister meer of minder kennis heeft van het onderwerp. Dan wordt er simpelweg geprobeerd om de Tweede Kamer tevreden te krijgen met het vooruitschuiven van problemen.

Wat de aanhangers van het managerialisme vaak vergeten is dat politiek over macht gaat. En we hebben nou eenmaal partijen die die macht gebruiken om de belangen van de achterban te dienen, of van de eigen partij, boven het algemeen belang.

#3.8 Co Stuifbergen - Reactie op #3.4

Ik denk dat het een groot voordeel is als een minister zelf deskundig is.
Zo’n minister kan beter de adviezen van anderen beoordelen. (en begrijpen).

Dus een minister met verstand van kernenergie op milieu, ervaring met rechtbanken op justitie, ervaring met gezondheidszorg op WVC (ik weet niet hoe het ministerie nu heet).

Daar kunnen we inderdaad geen vast opleiding voor maken, en zeker niet in een half jaar.

#3.9 Hans Custers - Reactie op #3.8

Ik weet het niet. Beleidsterreinen van ministeries zijn zo breed dat het meestal onmogelijk zal zijn voor een minister om overal kennis van te hebben. En een beetje kennis in combinatie met een flinke dosis zelfoverschatting kan juist weer heel problematisch zijn. Kan iemand die al meent te weten hoe het zit nog wel met een open blik naar adviezen kijken? Het heeft allemaal zijn voor- en nadelen.

Het hangt ook nog wel af van het ministerie, denk ik. Op Buitenlandse Zaken wil je wel iemand die snapt hoe diplomatie werkt. En op Landbouw kunnen we wel iemand gebruiken met de nodige afstand tot de sector.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

| Registreren

*
*
*