GeenCommentaar heeft ruimte voor gastloggers, dit kunnen stukjes zijn die we -uiteraard met toestemming- overnemen van andere weblogs, of die via onze mail binnenkomen. Hieronder een stuk van Anne.
Terugkijkend op het afgelopen sportweekend wil ik niet eens te lang stilstaan bij de wanprestatie van afgelopen zaterdag. Dat het Nederlands elftal in de Roemeense regen roemloos ten onder ging verbaasde mij geeneens. Net als vijftien miljoen andere Nederlanders stoor ik mij al geruime tijd mateloos aan het selectiebeleid van San Marco.
De heiligverklaring van Arjen Robben, die kijkend naar zijn prestaties niet eens het Oranje waardig is, het vasthouden aan de ridicule 4-3-3, Van der Vaart en Van Persie, die bij hun clubs excelleren op ’10’, steevast op de vleugels positioneren en de pertinente weigering om een creatieve middenvelder op te stellen, zijn een doorn in het oog. Oranje heeft het nog in eigen hand, maar is er nog lang niet. Duidelijk is wel dat wij met Marco nooit de oorlog zullen winnen.
Het sportmoment van het afgelopen weekeinde vond echter plaats in Parijs, of beter gezegd: een voorstad van Parijs, Saint Denis. Daar keek de hele wereld naar vier landen die vochten voor elke meter. Het wereldkampioenschap rugby is een week voor de finale al een groot succes te noemen. Zelfs in Nederland, dat geen grote rugbyhistorie kent, staan de media vol met dit fenomeen.
De sport leent zich ook fantastisch voor heldenverhalen. Neem de Fransman Chabal. Een levende karikatuur van Jezus Christus zelf, maar dan zonder genade. Of superster Jonny Wilkinson, die Engeland hoogst persoonlijk langs de thuisploeg schoot en de ‘Springbokken’ die niet alleen een land, maar een heel continent op de been krijgen door het bereiken van de finale van hét mondiale toernooi van 2007.