Toen ik, fris ogende en optimistische tiener, begon aan een studie Wijsbegeerte was ik ervan overtuigd dat ik aanraking zou komen met de koningin onder de Wetenschappen. Trots was ik, vol academisch vuur. Toen ik eenmaal het felbegeerde papier in handen kreeg, wist ik zeker dat de meeste verwachten niet waren ingelost: de filosofie is van alles, maar zeker geen wetenschap. Het gevoel dat het grootste deel chique onzin was, maar dat je niet weet welke deel, heeft me nooit meer losgelaten. Het wordt ook niet beoefend als een wetenschap en geen enkel fatsoenlijk wetenschappelijk criterium is erop van toepassing. De dynamiek van de wijsbegeerte is die van de kunst en de mode, waarin niets ooit wordt weggestreept. En iedereen maar wat doet.
Laat ik met het goede nieuws beginnen. Mijn antwoord op de vraag of ik ooit iets aan de filosofie heb gehad, luidt onomwonden: “heel veel”. Ik heb verstand gekregen van teksten, argumenten en begrippen, een zeker historisch besef meegekregen en een liefde om over het leven en andere abstracte kwesties na te denken. En daar profiteer ik nog elke dag van. Het was bovendien heerlijk om te verdwijnen in oude en soms geniale teksten uit andere tijden. Het heeft me als mens, als journalist en als professor in de weetnikskunde (zoals mijn moeder me als kind al noemde) geen windeieren gelegd. Mijn vader hield altijd vol dat je in gelul niet kan wonen, maar inmiddels moet hij zijn ongelijk toegeven.