Berusting en stampij

Foto: Caspar David Friedrich, Der Wanderer über dem Nebelmeer (ca. 1818). Publiek domein, via Wikimedia Commons.

Nu de hoofdredacteur al bijna drie weken gevrijwaard is van dagelijkse beslommeringen, en hij door een warme Romaanse stad dwaalt temidden van andere toeristen, stelt hij zich natuurlijk existentiële vragen.

Inmiddels is de hoofdredacteur 40e-jaars student Nederlands, sinds hij zich in 1986 inschreef voor die opleiding. Het is niet overdreven om te stellen dat het veertig jaar waren van voortdurende neergang. Al zat hij met ruim honderd eerstejaarsstudenten in de collegezaal, toch werd de hoofdredacteur er toen al op gewezen dat dit er veel minder waren dan tien jaar eerder. En dat bovendien de kwaliteit van de opleiding die de hoofdredacteur en die 99 anderen kregen niet bepaald vooruit was gegaan sinds de invoering van de zogeheten tweefasenstructuur enkele jaren eerder, die de maximale lengte van een studie had teruggebracht naar vier jaar.

Sindsdien werd altijd alles almaar minder. Allerlei opleidingen waarbij de hoofdredacteur betrokken is geweest, leiden een kwijnend bestaan, de tak van onderzoek waarover de hoofdredacteur zo vol vuur een proefschrift geschreven heeft, bestaat niet meer, grote helden uit het verleden zijn overleden, en de hoofdredacteur kent uit zijn eigen studieperiode meerdere personen (mannen) die manager zijn geworden, maar geen grote wetenschappers.

Geldschieters

Ondertussen mag je blij zijn als alle opleidingen Nederlandse Taal en Cultuur samen net zoveel studenten trekken als die ene waar de hoofdredacteur zijn lange, lange studiepad op begon.

Je zou misschien verwachten dat bij zoveel achteruitgang er geregeld sprake is van felle protesten, of misschien zelfs ongeregeldheden. Al is het alleen al omdat een en ander ook een slechte uitwerking moet hebben op het ene schoolvak dat iedereen in Nederland volgen moet — Nederlands. Maar de hoofdredacteur kan zich uit die veertig jaar niet dergelijke protesten herinneren.

Het is, denkt de hoofdredacteur, terwijl hij een Romaans taartje eet naast een Romaanse koffie, misschien een generatiekwestie. Zijn generatie, geboren uit de laatste lootjes van de stille generatie, is altijd ingeklemd geweest tussen de groep die in de jaren zeventig studeerden of hun eerste banen kregen, overal een grote mond over hadden, maar het vak daarmee ook daadwerkelijk groot hebben gemaakt. Die af en toe rollebollend over straat gingen met twisten over het vak, maar daarmee ook lieten zien hoe belangrijk neerlandistische vragen waren. En deze zelfde polemische kracht ook wist in te zetten in manieren om geldschieters ervan te overtuigen dat het onderzoek naar het Nederlands gesteund moest worden.

Onzin

De hoofdredacteur heeft zijn generatie ooit weleens de generatie Isaäc genoemd, genoemd naar de schlemiel onder de aartsvaders, de man over wie zijn vader niet aarzelt om hem zo nodig te slachten, en die door zijn zoons later voor de gek wordt gehouden, en dat is zijn enige functie in de lange Bijbelse geschiedenis. ‘Ze zijn competent, mijn generatiegenoten,’ schreef de hoofdredacteur 15 jaar geleden, ‘vooral communicatief.’

Maar veel ideeën hebben ze niet en ze zullen geen geschiedenis maken. Dat lijkt hun ambitie ook niet. Ze hebben de macht, maar een macht die nog steeds aan het handje loopt van de vorige generatie, die ook nog ruim vertegenwoordigd is en die als mentor optreedt […]. Zulke constructies, van oudere mannen die over de schouder meekijken, had de vorige generatie waarschijnlijk niet toegelaten.

De bestuurders in mijn generatie, of in ieder geval de mannen onder hen (opmerkelijk genoeg zijn de vrouwelijke bestuurders vaak wel uit het juiste hout gesneden — maar dat zijn er dan ook te weinig), blijken sindsdien inderdaad vooral goed in op andermans winkel passen. Mark Rutte, in Trouw indertijd al hét voorbeeld, laat dat nog steeds iedere dag zien. Zijn werk bestaat uit het slijmen bij hoger gestelden. De onderzoekers van de generatie Isaäc breken geen baan. En vergis u niet: ook de hoofdredacteur is vooral hoofdredacteur bij de gratie van anderen.

Er is gelukkig wat dit betreft wel hoop. Deze generatie is het stokje aan het overdragen aan de kinderen van de naoorlogse generatie die wel stampij maakten, en die dit talent mogelijk (hopelijk) ook hebben doorgegeven aan de jongeren die nu aan het roer komen. Die hopelijk weer wat meer luidkeels durven te zeggen waar het op staat, ook als dat in de ogen van de hoofdredacteur onzin zal blijken te zijn.

We hebben nu wel genoeg berust.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

| Registreren

*
*
*