Adolf Hitler en het christendom
LONGREAD - Het academisch ‘ eerherstel’ voor Adolf Hitler heeft inmiddels ook Nederland bereikt. Vorig jaar liet David King in zijn boek Het proces tegen Hitler zien hoe de dictator-in-spe op meesterlijke wijze de rechtszaak gebruikte als een podium om zijn ideeën ideeën een wijd verspreiding te geven, en hoe hij daarbij als oorlogsveteraan zeer succesvol een beroep deed op de conservatief-nationalistische krachten in zijn land.
In datzelfde jaar verscheen Het verboden boek van Ewout Kieft, waarin deze historicus zijn bewondering voor de heldere directheid en het cynische inzicht van Hitler niet onder stoelen of banken stak. Hitler was geen gek en Mein Kampf was niet (waarvoor het zo vaak wordt versleten) onleesbaar. Het was vooral een ‘sluw’ werk. Passages die hij eerder belachelijk vond, bleken bij herlezing ‘een stuk sluwer en efficiënter in elkaar te zitten’ dan hij had gedacht.
En nu is er dus Mijn strijd. De nieuwe vertaling van Mario Molegraaf, en van commentaar voorzien door historicus Willem Melching. Hij komt eigenlijk tot een andere conclusie. ‘Zelden,’ schrijft hij in de inleiding,
was een politicus zo openhartig over zijn bedoelingen als Adolf Hitler. Mein Kampf laat zich namelijk lezen als een blauwdruk voor het beleid van het nationaalsocialisme na de machtsovername van 1933.

Dat belooft een welkome aanvulling op die andere ‘Grieken’ boeken te worden. Maar om dat boek te schrijven, moet een ‘klassiek’ auteur als Matyszak wél in staat zijn om buiten de vertrouwde grenzen te treden. Ver buiten de Akropolis, de werken van Aeschylos en de filosofie van Socrates.