De gevaren van werkloosheid
In zijn column in The New Yorker van deze week wijst James Surowiecki nog maar eens op de gevaren van werkloosheid. Werkloosheid is natuurlijk slecht voor economie als geheel en de overheidsfinanciën in het bijzonder. Veel van de 13 miljoen Amerikanen die thuis zitten (de werkloosheid was 8.2% in maart) en de 25 miljoen Europese werklozen (wat nog een onderschatting is) hebben te maken met armoede, schulden en sociaal isolement. Langdurig werkloos zijn verkleint je ‘baanvindkans’ en betekent vaak zelfs een verlies aan vaardigheden, zoals lezen. Maar mijn oog bleef haken aan recent onderzoek naar de relatie tussen werkloosheid en levensverwachting waar Surowiecki op wijst. Daaruit blijkt dat je baan verliezen je leven zomaar met 1.5 jaar kan verkorten.
De economen Till von Wachter en Daniel Sullivan keken naar de levensverwachting van werknemers in Pennsylvania die in de jaren ’80 (in 81/82 was er een kleine recessie) hun baan verloren. Met name voor de mannelijke werknemers van middelbare leeftijd die lang bij dezelfde werkgever zaten, bleek ontslag gevaarlijk: hun jaarlijkse sterftecijfers stegen met 50-100% in de eerstvolgende jaren, en zelfs na 25 jaar zouden ze nog jaarlijks 10-15% meer kans hebben om te overlijden. Hun dataset strekt tot 2006, maar Von Wachter en Sullivan nemen aan dat de levensverwachting voor deze groep met 1-1.5 jaar daalt. Voor de jongere werknemer en de werknemer tegen de pensioenleeftijd is het effect minimaal.





