Deutschland über alles
Het is het grootste naoorlogse taboe wat we kennen: voor Duitsland zijn.
Het is iets wat in je prille puberteit ontstaat wanneer je merkt liever zuurkool dan stamppot te eten. Een paar jaar later smaakt een Bitburger je beter dan een Heineken en zoen je met ene Heidi. Je kunt meer nummers van Rammstein van a tot z meezingen dan van De Dijk en Doe Maar en je droomt van je favoriete auto: een dikke witte Mercedes met drie zwarte strepen die over het midden van de motorkap naar de kont lopen. Opeens weet je het. Je bent voor Duitsland.
Vriendjes vinden het maar vreemd dat je liever de Kicker leest dan het onvolprezen Voetbal International. Je vader begrijpt er niets van dat je Mario Basler drie klassen beter vindt dan ‘pitbull’ Edgar Davids. Ook het kunnen smullen van een feilloos uitgevoerde Schwalbe door een Duitse anti-held als Andy Möller kan bij weinigen op begrip rekenen.
Het leven als fan van Die Mannschaft is niet bepaald eenvoudig. Alsof je als muziekliefhebber moet bekennen dat Zanger Rinus goede teksten schrijft. Het is iets waar je niet voor durft uit te komen.
Dikwijls wens je, als je alleen in je bed ligt te wenen, dat het anders was. Dat je zou juichen als Affelay een mooi doelpunt scoort of dat je het liefst naar De Kuip zou gaan om je favoriete team aan te moedigen. In plaats daarvan droom je van de Allianz Arena in München, waar je kippenvel krijgt van ‘Das Lied der Deutschen’ en je op je stoel staat als ‘Miro’ of ‘Poldi’ andermaal een treffer langs de Nederlandse keeper weten te werken. ‘Tòòòòòòòòòòrr!!’