COLUMN - Toen ik klein was, sloopte ik wekkers. Met een schroevendraaier (of een kwartje) maakte ik ze open: zo ontdekte ik de veer die zich ontwond, en die radertjes aandreef – een voor de seconden, die na zestig tikken rond was en zo een minutenradertje aandreef, die op zijn beurt de uren aanspoorde.
Daarna wilde ik weten hoe een wekker op een ingesteld tijdstip ging ratelen. Ik peuterde de ingewanden laagsgewijs los. Meestal ging het fout wanneer ik de veer bevrijdde: ik kreeg ’m zelden weer goed opgespoeld. Dan moest mijn moeder een nieuwe wekker kopen.
Later werd ik handiger. Ik leerde hoe stopcontacten, schakels en stekkers werkten door ze open te maken. Veel turen, beetje logisch nadenken, kijken wat dit doet en waartoe dat dient. Sindsdien repareer ik een boel defecte mechanica in huis zelf.
Fabrikanten houden niet van zulke zelfredzaamheid. Defect spul bij een winkel laten repareren of een nieuw exemplaar kopen, levert meer omzet op. Vandaar dat tegenwoordig zowat alle stekkers in massief plastic zijn gegoten: die kun je niet openschroeven. (Tip: knip die krengen van het snoer af en klus er een ouderwetse stekker aan.)
Gesloten technologie neemt hand over hand toe. Producenten maken het kopers moeilijk om in het binnenste van hun spullen te kijken, en daar zelf mee te rommelen. Na de gesloten omhulsels – gegoten stekkers, gepatenteerde schroefjes waarvoor geen publiek verkrijgbare schroevendraaiers mochten worden gemaakt – zijn ze overgestapt op gesloten modellen.