Het fijne van Amsterdam is dat je er altijd lekker kunt klagen over de buitenlanders. De Duitsers waren de rolkoffertoeristen van de jaren dertig. “Ik ‘kook’ van woede als ik zie hoe Amsterdam veranderd in een Duitse stad”, schreef ‘een ontwikkelde dame’ in 1938 aan Het Liberale Weekblad. De Duitsers vormden naar schatting van de Duitse cultuurwetenschapper en journaliste Bettina Baltschev zo’n vijf procent van de bevolking van de stad, waaronder een substantiële groep van mensen die gevlucht waren voor Hitler.
RECENSIE - Ze waren soms irritant: “Ze droegen kostbare bontjassen en sieraden en plaatsten hun bestellingen in cafés, ijssalons en winkels in het Duits, dikwijls op zeer luide toon. Van de conducteur in tramlijn 24, die door de Amsterdammers nu steevast ‘Berlijn-Express’ werd genoemd, eisten ze hun kaartje op niet mis te verstane wijze in het Duits.”
Maar de Exil bracht de stad ook een ongekend literair leven gebracht. Daarover gaat Baltschevs boek Hel en paradijs. Amsterdam en de Duitse exilliteratuur. Dat in Amsterdam boeken van Klaus en Thomas Mann, van Lion Feuchtwanger, van Joseph Roth zijn uitgegeven – heeft dat nog zijn sporen nagelaten in de stad?
Roman
Baltschev denkt van wel. In haar boek gaat ze na wat die sporen precies zijn. Ieder hoofdstuk begint met een beschrijving van een locatie in Amsterdam die nog op de een of andere manier aan die jaren dertig doet denken (antiquaar Kok, café Scheltema, het Waterlooplein), als het decor voor haar hoofdpersonen, dat zijn vooral de redacteur Fritz Landshoff, de schrijver Klaus Mann en de uitgever Emanuel Querido. Waarom ze precies deze drie heeft uitgekozen, wordt niet helemaal duidelijk. Het brengt iets onevenwichtigs in het boek: waarom krijgen we over de concurrerende Amsterdamse exil-uitgeverij Allert de Lange vooral te horen dat Querido er een hekel aan had en dat Mann ervoor werkte?