Ruim twaalfduizend Molukkers arriveerden in 1951 in Nederland. Zeer tegen hun zin in overigens. De militairen van het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger en hun gezinnen waren veel liever naar Ambon of Nieuw-Guinea vertrokken om te worden gedemobiliseerd. Lekker dicht bij huis. Het koude en afstandelijke Nederland trok niet echt. Al helemaal niet omdat de Nederlandse regering de Molukse soldaten het liefst in vijandelijk gebied had achtergelaten. Op Java. Tussen de Indonesische vrijheidsstrijders, waartegen de KNIL-soldaten kort daarvoor nog hadden gevochten. Daar stak een Nederlandse rechter gelukkig een stokje voor. Dus bleef alleen Nederland nog over.
In ons land zat men niet echt op de Molukkers te wachten. Door de woningnood waren er nauwelijks voldoende huizen en de staat moest ook nog eens voor voeding, kleding, scholing en zakgeld voor de inmiddels werkloze ex-soldaten zorgen. De KNIL-militairen waren bij aankomst in Nederland namelijk massaal uit militaire dienst ontslagen, omdat de aanwezigheid van koloniale troepen, zo lang na de soevereiniteitsoverdracht in 1949, door zowel de Indonesische als de Nederlandse regering als onwenselijk werd gezien. Goddank zouden de Molukkers maar eventjes blijven. Daarover waren beide partijen het roerend met elkaar eens.