Vandaag een gastbijdrage.
Over de retorische gaven van Geert Wilders is al veel gezegd. ‘No mosque here!’ scandeerden de toegestroomde New Yorkers afgelopen zaterdag. Uitzinnig waren ze. Wilders niet. Hij ging niet vol op het orgel. In plaats daarvan vroeg hij om tien seconden stilte. ‘Just be silent and listen.’ Even was het stil. Maar na zes seconden galmde zijn Limburgse steenkolen-Engels al weer over het plein. Mislukt. Tien seconden bleek voor Geert te lang. Misschien maar eens te rade gaan bij zijn professioneel zwijgende (vijftien minuten lang!) bodyguards.
Wat volgde was de gebruikelijke verzameling Venlose gemeenplaatsen. Over New York, de Nederlandse tolerantie en de onheilspellende Sharia die de Westerse wereld te wachten staat. Meindert Fennema had gelijk toen hij Wilders een tovenaarsleerling noemde. Zaterdag goochelde de Grote Blonde Gedoger net zo lang met het begrip ’tolerantie’ tot hij het kon inpassen in zijn ‘wij-zij’ paradigma.
In een interview vertelde Imam Feisal Abdul Rauf, de initiatiefnemer voor het islamitisch centrum, dat het centrum bedoeld is als tegenwicht tegen extremisme en een brug moet slaan tussen moslims en niet-moslims. Maar nuanceringen zijn aan Wilders niet besteed. Over de Westerse samenleving zei hij: ‘It must defend itself against the power of darkness, the force of hatred and the blight of ignorance’. Echo’s uit het Cowboy-tijdperk van George Walker Bush. Als Wilders opschiet kan hij nog meedingen naar de Texaanse zetel in de Amerikaanse senaat.