In mijn laatste blog pleitte ik voor minder aandacht voor bommen en kruisraketten en meer steun voor de knarsende vernieuwing in Egypte. De inspiratie daarvoor kwam van een inmiddels vergeten mediadeskundige, die de televisie analyseerde als hongerend naar beelden met “Reizwert”, prikkelende waarde. Deze wetenschapper, Wember, illusteerde dat met ontploffingsbeelden, rennende voeten, enzovoort; maar wat er nu precies aan de hand was in Noord Ierland, kwam de arme TV-kijker niet aan de weet.
Dat gevoel bevangt mij bij het kijken naar reportages uit Libië. Wat is er daar aan de hand? Waarop berust de machtsbasis van Gadaffi? Was er burgerlijk verzet? Zitten de gevangenissen van het regime vol? Is er een vakbeweging? Een grondwet? Ik heb niets tegen de Libische opstand, maar we weten er zo weinig over. Dat was beter in Egypte: de opstand viel te bekijken, de spandoelen te lezen, de mensen konden vertellen wat hen bewoog.
Met de revolutie in Egypte gaat het niet zo geweldig: Mubarak is dan wel weg, maar een regime is geen meneer. Over de revolutie in Egypte ben ik wel enthousiast, omdat de mensen dingen zeggen, die in Oost Europa werden gezegd, in 1989. Op het Tahrirplein in Cairo was zoveel humor en creativiteit, dat je elk ogenblik kon verwachten dat 100.000 mensen met hun sleutelbossen het regime zouden wegrammelen, zoals destijds op het Wenceslausplein in Praag. Garton Ash was er bij en schrijft dat het een geluid was dat hij nooit meer vergeet.