Democratie zonder een gezamenlijke moraal

Onze samenleving wordt steeds diverser. Er ontstaan steeds grotere meningsverschillen over welke kant de samenleving op moet. Dat uit zich misschien het best door de recente vorming van een kabinet waarbij ‘rechts zijn vingers af zou likken’ en dat op allerlei ‘linkse hobby’s’ bezuinigt. Is het een probleem als er niet een gemeenschappelijke moraal is? Dat is de vraag die centraal stond bij de tweede debatavond van het wetenschappelijk bureau van GroenLinks en de GroenLinks Academie. De avond stelde het consensus-gerichte denken van Klaas van Egmond tegenover de opvattingen van Dick Pels, die het belang van politieke tegenstellingen daartegenover stelde.
Klaas van Egmond is professor milieukunde aan de Universiteit Utrecht. Daarvoor was hij als directeur van het Milieu- en Natuurplanbureau betrokken bij het onderzoek naar en het beleid over milieu en klimaat. Zijn centrale stelling is dat we als samenleving een gedeelde doelstelling moeten hebben: “Dat betekent dat je een visie moet hebben over het goede leven. Zeker nu we de grenzen aan de groei bereikt hebben, moeten we kiezen: voor welke kwaliteit van leven bieden we ruimte?” Van Egmond onderscheidt, twee grote tegenstellingen in waardenorientaties van mensen. Hij ziet een tegenstelling tussen materiele en immateriele waarden, en tussen zelf- en gemeenschaps-gerichte waarden. In alle vier de richtingen kan een samenleving doorslaan. In reactie op het ontaarden van het communisme, dat te sterk op de groep gericht was, slaat de huidige samenleving door in het egoisme. In ons huidige economische stelsel ‘graait’ volgens Van Egmond ‘de invisible hand er op los’. Dat is de reden van de financieel-economische crisis: “Er is niets mis met voor je zelf opkomen, maar in overdrijving is het rampzalig.”


Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) in Straatsburg heeft zich de afgelopen jaren ontpopt tot een allesverslindend monster dat zonder enige legitimiteit talloze nationale wetten en regelingen buiten werking stelt. Democratisch tot stand gekomen asiel- en immigratiebeleid, de reikwijdte van de vrijheid van godsdienst, eventuele grenzen aan de vrijheid van meningsuiting, maar ook regels over huiszoeking en politieverhoor en de inrichting van het openbaar onderwijs: dit alles kan in laatste instantie niet meer door de Tweede Kamer – en daarmee door de Nederlandse bevolking – worden bepaald. Het Hof in Straatsburg beslist.

Om nog maar niets te zeggen over de