Dit is Mustafa Abdel-Jalil, de Libische minister van Justitie die als eerste overliep naar de rebellen. En dit is Abdel-Hakim al-Hasidi, een of misschien de Libische rebellenleider. En dit is de reden waarom ik al veel eerder over Abdel-Jalil had moeten schrijven.
Jawel. De rebellen hebben blijkbaar de steun van Al-Qaeda en ik zag die bui al hangen. Kijk nog eens goed naar Abdel-Jalil. Dat is geen plukje haar op zijn voorhoofd, en ook geen Gorbyeske wijnvlek. Abdel-Jalil heeft een slijtplek op zijn voorhoofd van het vijf maal daags bidden. En die krijg je niet zomaar – daar moet je wel wat voor doen. Niemand krijgt namelijk zo’n plek door vijf keer per dag met je voorhoofd de bidmat te raken. Zo’n plek moet je maken. En waarom zou je zo’n plek maken? Om te laten zien hoe vroom je wel niet bent.
Also present was the town postman, Muhammad Ibadalla, who bore upon his forehead the gatta or permanent bruise which revealed him to be a religious fanatic who pressed brow to prayer-mat on at least five occasions per diem, and probably at the sixth, optional time as well. (Salman Rushdie, Shame, 1983, p. 41-42)